Uit het kerkelijk leven.
- Groen van Prinsterer en het Bijzonder Onderwijs - Geestelijke stromingen (5)- Gereformeerde prediking
Groen van Prinsterer en het Bijzonder onderwijs.
Groen van Prinsterer heeft in een tijd geleefd, dat het Liberalisme zich hoe langer hoe meer tegen den godsdienst ging kanten en het niet duldde, dat de godsdienst in publieke zaken meesprak. In de binnenkamer moest ieder maar weten wat hij wilde doen, maar die zich in het publiek bewoog moest niet met z'n godsdienst komen aandragen, want dat was contrabande.
Of als men in 't publiek, van Overheidswege, van christelijk sprak, dan was het een christendom boven geloofsverdeeldheid en daardoor een christendom, 't welk de Bijbelsche christenen niet konden erkennen als echt. 't Hart, de kern, de pit was er dan uit; 't was alleen schijn en geen wezen; 't was christendom zonder christendom.
Men voelde dan ook in de verschillende kringen der belijdende christenen dat men de scholen niet over kon laten aan de stadsregeering. „Het aanstellen en afzetten van meesters was niet veilig in handen van een Comité, waarvan de meerderheid, zoo niet alle leden, zeer licht kunnen bestaan uit lieden van gansch onderscheiden godsdienstige begrippen" schreef de Kerkeraad van Utrecht reeds in 1797. (D. Buddingh, Gesch. van Opvoeding en Onderwijs; 2de stuk, 2de gedeelte, 1848). En de Kerkeraad van Den Haag schreef 17 Jan. 1843 in een circulaire aan de Gemeente ; „Wij willen de kinderen opvoeden naar het geloof, dat wij omhelzen. Niet, dat wij hun begrippen willen inprenten, waarvoor hun leeftijd nog niet vatbaar is; niet dat wij hen tot stelselzucht of onverdraagzaamheid zouden willen leiden; maar met den geest en het wezen onzer belijdenis wenschen wij hen bekend te maken, van haar gevoelens en gezindheden hen te doordringen. Op de school, waar allen voor dezelfde belijdenis worden gekweekt, kunnen wij het geschiedboek van ons vaderland zonder vrees voor krenking op elke bladzijde openslaan en onbewimpeld lezen. Wat meer nog zegt, wij kunnen den kinderen het boek der Openbaringen Gods, den Bijbel, in handen geven en door den geheelen gang en geest van het onderwijs kan de christelijke zin alzoo worden veredeld, dat zij tegen de aanvallen van het bijgeloof voor altijd gewaarborgd zijn".
Met buitengewonen zegen werden de pogingen van den Kerkeraad gezegend. Men vond van alle kanten steun; ook Koning Willem II zond een flinke bijdrage. De Kerkeraadsschool kwam er; de heer J. P. Schaberg werd tot hoofd benoemd. In art. 51 van 't Schoolreglement stond, dat „de beginselen van Godsdienst en zedekunde, naar de Hervormde belijdenis, niet slechts de vereischte plaats zullen bekleeden onder de vakken van onderwijs, die daar zijn: het lezen, schrijven, rekenen, de Bijbelsche en Vaderlandsche geschiedenis, de aardrijkskunde en het zingen; maar al het onderwijs in deze verschillende vakken zal bezield, bestuurd en gericht worden door de hartelijke zucht en den verstandigen toeleg, om het kinderlijk gemoed, gedurig en bij alles op te leiden tot geloof en gehoorzaamheid aan God en Zijn Woord en tot liefde en dienst van onzen Goddelijken Zaligmaker".
Groen van Prinsterer haalt later de circulaire van den Haagschen Kerkeraad aan en zegt niet iedere uitdrukking te willen onderschrijven. Maar hartelijk leefde hij mee in deze en zelf geërgerd door het Kon. Besluit van 2 Jan. 1842 adresseert hij aan de Synode (met de heeren Van Hogendorp, Gevers, Capadose, Elout, Singendonck en Van der Kemp) in welk adres behalve over het gezag der formulieren en de opleiding der predikanten, ook gehandeld wordt over het lager onderwijs in verband met de Kerk. Het 7-tal aanzienlijke Haagsche heeren klaagt dan over de ontchristelijking van de volksschool waar de Bijbel weg is en de echt christelijke, onvervalschte geschiedenis des Vaderlands contrabande is, „terwijl het stelsel van afzonderlijke uren voor 't godsdienstonderwijs zich veel beter vereenigen laat met een grootendeels werktuiglijken godsdienst, dan met een godsdienst in geest en waarheid". Om aan haar roeping te voldoen, zou — zoo gaat het adres voort — de Kerk eigen scholen moeten hebben, waar, naar kinderlijke bevatting en met het oog op den gekruisigden Heiland, Gods zegen afgesmeekt, Gods lof gezongen, Gods Woord uitgelegd, Gods Wet ingescherpt, Gods leiding met het Vaderland en de Vaderlandsche Kerk aangetoond wordt".
Hoe groot de verontwaardiging over dit adres van „de zeven Haagsche wijzen" (zooals ze spottend genoemd werden) ook was, Groen van Prinsterer liet zich niet afschrikken om 31 Jan. 1843 zich in een adres te wenden tot de „Hervormde Gemeente" in Nederland.
Daarin zei hij o.a., dat het Kon. Besluit van 2 Jan. 1842 in den grond, al wat godsdienst is, uit de school gebannen heeft; om voor schadelijke spijs te behoeden, onthoudt het 't meest onontbeerlijk voedsel. En hij vraagt: wat wil de Regeering? Wil zij alleen elk soort van onderwijs regelen en besturen? Wil zij in haar alvermogen en eigenwijsheid den aard en de hoeveelheid der christelijke bestanddeelen bepalen, die in de opvoeding mogen worden gemengd? Wil ze, machtig om elke verplichting op te leggen en van elke verplichting te ontslaan, aan de ouders en aan de Kerk de verantwoordelijkheid, die hun voor de kinderen der gemeente van Godswege opgelegd is, van Staatswege ontnemen?
Verder betoogt hij: „Wat zou door de Hervormde Kerk, indien zij getrouw was, verricht, wat zou ten minste door haar moeten beproefd worden? Immers het oprichten van scholen, niet enkel (ofschoon ook dit voorzeker hoogst wenschelijk is) van diaconiescholen, als of opleiding naar Gods Woord enkel voor bedeelden vereischt wierd, maar van gemeentescholen, toegankelijk voor allen, ingericht naar de behoeften der onderscheidene standen van de maatschappij. Welnu ! Hetgeen de Kerk verzuimt, zou dit niet, op minder uitgestrekte schaal, de taak der geloovigen zijn?"
Nog in het jaar 1843 sloegen de heeren Groen, Elout en Van Hogendorp de handen ineen en verzochten B. en W. van Den Haag autorisatie tot oprichting eener bijzondere school.
In deze circulaire schreef Groen o.a.: „Wij verlangen een school, waar het gewoon lager onderwijs, met waardeering van al hetgeen in de nieuwere methodes voortreffelijk is, aan Christelijke opvoeding dienstbaar worde gemaakt. Niemand kan meer dan wij afkeerig zijn van doode rechtzinnigheid, van overdrijving, waarbij het wijs zijn tot matigheid, voorbijgezien wordt; van overlading van het geheugen met onverstaanbare klanken; van een godsdienst, tot dorre stelselzucht beperkt; - Wij verlangen opvoeding en onderwijs naar Gods Woord en volgens kinderlijke bevatting. Dat de school geheiligd worde door Bijbellezing, stichtelijk gezang en gebed; dat de geschiedenis des Bijbels worde geleerd, met gedurige terugwijzing op de feiten, in wier samenhang de raad Gods tot zaligheid van zondaren zich openbaart en ontwikkelt. Bovenal, dat de geheele richting der opvoeding zij, gelijk aan het kroost van Christenen betaamt en dat het kind, zooveel mogelijk, tot plichtsbetrachting geleid worde door een beginsel van liefde voor dien Heer, Welke ons het eerst heeft liefgehad en Zijn leven voor ons gesteld heeft".
Bij besluit van 13 Maart 1844 weigerde het Stedelijk Bestuur van Den Haag verlof te geven tot het oprichten van een door Groen c.s. bedoelde school „op welke èn de lezing van Gods Woord èn de onvervalschte voordracht van 't geen in Nederland gebeurd is èn de geheele gang en geest van het onderwijs ter waarborg tegen bijgeloof en ongeloof mocht zijn". Het Gemeentebestuur van Den Haag nam als beginsel aan „dat de wet van 1806 geen ander christelijk onderwijs op de scholen duldde, dan hetgeen thans op de meeste inrichtingen gegeven werd".
Hoewel er ettelijke duizenden reeds bijeen waren gebracht, wilde men geen vergunning geven tot schoolbouw.
In dien zelfden tijd verscheen een circulaire van den Gouverneur van Z. Holland aan de Schoolcommissiën (dato 19 Juli '44) met last „om zelfs in zoodanige openbare scholen, waar enkel kinderen van Protestanten aanwezig zijn, het lezen van den Bijbel, het zingen van Psalmen of Evangelische Gezangen, indien dit soms op zoodanige scholen mocht plaats hebben, als strijdig met den geest der Wet, te verbieden".
Op hoog bevel de Bijbel van de openbare school geweerd.
En als men op Gods bevel dan een eigen school wil stichten, om daar de Heilige Schrift te gebruiken, dan weigert de Stedelijke Overheid!
Gedeputeerde Staten, waarop Groen zich beriep, antwoorden o.a. dat de autorisatie geweigerd mocht worden, als het te voorzien was, dat door de oprichting van een nieuwe school de bestaande scholen schade zouden lijden.
Dus hoe meer ouders die een school met den Bijbel begeerden voor hun kinderen, hoe meer oorzaak voor een Gemeentebestuur om te weigeren!
Want van een paar gezinnen ondervinden de bestaande scholen geen schade; maar van veel gezinnen saam natuurlijk wèl.
Intusschen was de school van het Departement der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen weer uit haar assche opgestaan in Den Haag — hoewel de aanvrage tot oprichting geruimen tijd na die van Groen c.s. bij B. en W. was ingekomen!
Tot tweemaal toe heeft Groen zich toen tot den Koning gewend.
Doch de Koning kon niet helpen; den tweeden keer kwam er zelfs geen antwoord!
Een gewijzigde aanvrage werd bij de Gemeente ingediend; maar 14 Nov. 1845 kwam een nieuwe weigering. De willekeur en de vijandschap zegevierde.
Eindelijk, eindelijk, toen de nieuwe Grondwet van 1848 vrijheid van Onderwijs beloofde, ontvingen Groen en Elout (Van Hogendorp was intusschen gestorven) op een hooger beroep inzake de beschikking der Stedelijke Regeering, d.d. 14 Nov. '45, van Ged. Staten 23 Jan. '49 bericht, dat hun vergunning werd gegeven om een bijzondere christelijke school in Den Haag te stichten.
Toen waren er drie scholen onder particuliere commissiën: één in 's-Hertogenbosch, één in Amsterdam (Teding van Berkhout) en één in 's Gravenhage van Groen en Elout; van welke laatste school de heer D. de Visser Smits, van Rotterdam, tot hoofd benoemd werd (na dat een vergelijkend examen was afgenomen door den heer ds. Rooseboom, die schoolopziener was; welk vergelijkend examen toen ook voor de bijzondere scholen verplichtend was; de vrije, eigene examinatie en benoeming was niet toegestaan; de politie maakte proces verbaal op als een bestuur zelf, zonder dat vergelijkend examen, een benoeming dorst te doen!
Deze school van Groen, waar eerst de Visser Smits en daarna Smelik hoofd was, ging lang goed, maar is „wegens de jaarlijks terugkeerende tekorten" opgeheven en de gebouwen werden door den Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente overgenomen, om er een Christelijke school voor minvermogenden in te vestigen.
Geestelijke stroomingen (5)
|De Booze liet den Verlichte (Boeddha), zittend onder den Bodhiboom — boom der wijsheid — niet met rust en komt andermaal tot hem. Niet om den Verlichte wederom in de strikken van begeerte en lust te vangen; want daartoe bezat Mara, de - booze geest, geen macht meer, daar was Boeddha nu boven verheven.
De Booze wilde Boeddha verleiden om nu maar naar het Nirwâna te gaan en niets van zijn leer achter te laten. Maar die verzoeking weerstond Boeddha, die aan zijn lievelingsdiscipel Ananda het volgende verhaal heeft gedaan: „Toen trad Mara, de - Booze, op mij toe en sprak tot mij: „Ga thans in in het Nirwâna, Volmaakte! Thans is de tijd van het Nirwâna voor - den Verhevene gekomen". Toen hij zóó sprak, Ananda, antwoordde ik den Booze aldus: „Ik zal niet in het Nirwâna ingaan, voordat ik discipelen verzameld heb, die, wat zij van hun Meester gehoord hebben, verder verkondigen en voordat de heilige vaandel, dien ik verkondig, toeneemt en zich verbreidt".
Boeddha voelde: „voor de menschheid, die in de aardsche dingen opgaat, zal deze waarheid moeilijk te verstaan zijn, de leer van Karma en Nirwâna". En bij zich zelf overlegde hij: „wanneer ik nu de leer verkondig en men verstaat ze niet, zoo zal mij dit slechts moeite brengen". En toen „de Verhevene", die grooter Boeddha was dan de Boeddha's die vóór hem geweest waren, zóó dacht, was zijn hart er toe geneigd te blijven in de rust en de leer niet te verkondigen.
Maar — toen verliet de hoogste Brahma den hemel en overreedde Boeddha om, ter wille van de wereld, die zonder zijne prediking te gronde gaan zou, de door hem gevonden waarheid te gaan verkondigen.
Hiermede was het laatste bezwaar overwonnen. De wereld, die gansche lijdende wereld, heeft behoefte aan en dus recht op het licht van Boeddha. Het medelijden met die in onwetendheid en lijden verzonkenen drijft tot spreken en prediken. En hierin ligt tegelijk geschetst het karakter van het Boeddhisme als wereldgodsdienst en het motief van de Boeddhistische zending.
Allerlei asceten van andere secten komen tot den asceet Gautama, die nu is en hoe langer hoe meer wordt „de" Boeddha, „de" Verlichte. Vooral mannen van stand en ontwikkeling sluiten zich bij hem aan. Want de prediking van Boeddha is niet voor de eenvoudigen en voor de kinderkens, voor de armen, maar zij is een leer voor de wijzen en verstandigen. Reizend van de eene plaats naar de andere, predikend, onderwijzend, disputeerend, breidde hij 't getal zijner aanhangers uit. Evenals anderen ging ook Gautama, de Boeddha, 's morgens door het dorp: een slanke, ascetische gestalte, blootshoofds, kaalgeschoren, den blik neergeslagen, den bedelnap half onder de langen mantel verborgen, van huis tot huis voedsel zamelend, een oogenblik onbeweeglijk op een gave wachtend, trekt hij dan zwijgend weer verder, zonder een groet, zonder een woord van dank, zonder op te zien of een spier van zijn gelaat te vertrekken. Als er voldoende voedsel verzameld is, keert hij naar zijn verblijfplaats terug, gebruikt zijn middagmaal, zijn eenigen maaltijd, en brengt het verdere van den - dag door in overpeinzing of leerzaam gesprek.
Op deze reizen vond Boeddha van den aanvang af zóó grooten aanhang, dat het volk er over morde. „De asceet Gautama is gekomen om kinderloosheid te brengen; de asceet Gautama is gekomen om weduwschap te brengen; de asceet Gautama is gekomen om den ondergang der geslachten te brengen". Men verliet vrouw, kinderen, huis en arbeid om Boeddha te volgen. En de bekeerden werden zelf spoedig predikers. Boeddha zond ze uit om het „volkomen leven in zijn - geheele volheid en reinheid te prediken". Meestal in korte, kernachtige spreuken, met pakkende verhalen of gelijkenissen sprak hij en leerde hij; ook veelal met vrij eentonige betoogen met voortdurende herhaling van vaststaande gedachtenreeksen, om zijn leeringen er in te slaan als spijkers en nagelen. En Boeddha heeft er mee bereikt, dat de grondbegrippen van zijne prediking onuitwischbaar in het geheugen zijner hoorders werden ingegrift en zoo de eeuwen door vrijwel onveranderd zijn bewaard gebleven.
Bekend zijn o.a. zijn gelijkenis van het kleed en de gelijkenis van den zaaier. „Wanneer de stoffenverver een kleed neemt, dat bezoedeld en vol vlekken is en doopt het in een verfstof, 't zij in een blauwe of in een gele, in een roode of in een violette, zoo kan het slechts onreine, slechte kleuring verkrijgen; en waarom ? Omdat het kleed, - o, monniken, niet rein is! Evenzoo nu is ook, o, monniken, bij een bezoedeld hart een slechte uitkomst te verwachten.
Wanneer, o, monniken, een stoffenverver een kleed neemt, dat schoon en rein is, en doopt het in een verfstof, 't zij in een blauwe of in een gele, in een roode of in een violette, zoo kan het slechts goede, slechts reine kleuring verkrijgen; en waarom? Omdat het kleed, o, monniken, rein is! Evenzoo nu is ook, o, monniken, bij een onbézoedeld hart een goede uitkomst te verwachten.
Wat is nu, o monniken, bezoedeling des harten?
Verdorven zelfzucht is bezoedeling des harten, boosheid is bezoedeling des harten, toorn is bezoedeling des harten, laagheid is bezoedeling des harten, huichelarij is bezoedeling des harten, nijd is bezoedeling des harten, ijverzucht is bezoedeling des harten, eigenbaat is bezoedeling des harten, bedrog, valschheid, koppigheid, onstuimigheid, eigendunk, overmoed, achteloosheid, lichtzinnigheid enz., is bezoedeling - des harten.
Een monnik nu, die ingezien heeft, dat verdorven zelfzucht bezoedeling des harten is, die verloochent de verdorven zelfzucht, de bezoedeling - des harten; die ingezien heeft, dat boosheid bezoedeling des harten is, die verloochent de boosheid, de bezoedeling des harten; enz. enz. (Boeddha herhaalt dan alles wat boven staat op dezelfde manier: wat ons, die aan een andere manier van spreken gewend zijn, vrij vervelend voorkomt).
Heeft nu, o, monniken, een monnik de verdorven zelfzucht als bezoedeling des harten erkend en verloochend, enz. enz. — zoo is zijn liefde tot den Ontwaakte (Boeddha) beproefd. Dat is de Verhevene, de Heilige, de volkomen Ontwaakte, de kenner der wereld, de onvergelijkelijke Leider der kudde van mannen, de Meester van goden en menschen, de Ontwaakte, de Verhevene, enz. enz."
Dat is de z.g.n. gelijkenis van het kleed.
En de gelijkenis van den zaaier is als volgt :
Een welgesteld Brahmaan met name Bharâdvâja was bezig met den oogst, toen de Boeddha verscheen en met zijn bedelnap bij hem ging staan. Eenige lieden gingen naar hem toe en brachten hem hulde, maar de Brahmaan werd boos en sprak: „Sramana (= bedelmonnik) ik ploeg en zaai, en als ik geploegd en gezaaid heb, dan eet ik. Het was beter als gij óók ploegdet en zaaidet, dan hadt gij ook wat te eten".
„O, Brahmaan", was het antwoord, „ook ik ploeg en zaai, en als ik geploegd en gezaaid heb, eet ik".
„Gij zegt dat ge een landbouwer zijt, wij zien echter geen teeken daarvan aan u", sprak de Brahmaan, „waar zijn uw stieren, het zaad en - de ploeg ?"
Toen antwoordde de Meester: Geloof is het zaad, dat ik zaai, en goede daden zijn als de regen, - die het vruchtbaar maakt. Wijsheid en bescheidenheid zijn de bestanddeelen van den ploeg en mijn geest stuurt de teugels. Mijn hand vat den boom der wet aan. Ernst is mijn puntstok, dien ik aanwend en vlijt mijn trekstier. Geschiedt dit ploegen op deze wijze, dan verwoest het het onkruid van den waan. De oogst, welken het opbrengt, is de ambrosiavrucht van het Nirwâna en door zulk ploegen eindigt alle lijden".
Op deze manier sprak en predikte Boeddha en oefende grooten invloed uit en op allen die hem volgden heeft hij - den stempel van zijn geest gezet, mee door zijn krachtig optreden en beminnelijk karakter.
Van zijne leerlingen eischte Boeddha, dat zij, evenals hij, de wereld zouden vaarwel zeggen, hun familie, hun bezit, alles. Tot het bereiken van de „zaligheid" was het lidmaatschap der monnikenorde nu wel niet - onontbeerlijk, maar dat „leeken" het Nirwana bereiken, blijft uitzondering. In elk geval was het monnikenleven een voornaam, voor de meesten het - onmisbare hulpmiddel om te komen tot de bevrijding van dien levensdrang, dien dorst naar bestaan, die van alle lijden de oorzaak is en waarvan de mensch moet worden verlost.
Door kleeding en tonsuur onderscheidden de leerlingen en volgelingen van Boeddha zich. Overigens waren hun geen straffe, regelen gesteld, in veel werden zij vrij gelaten. Zij konden als kluizenaars eenzaam leven in het woud of wel in kloosters zich vereenigen of ook als boeddha-predikers het land door trekken; als er maar scheiding kwam tusschen het gewijd — en 't wereldsch leven. Vrouwen waren aanvankelijk van het voorrecht, tot de gemeenschap te worden toegelaten, uitgesloten: Boeddha duchtte van haar groote gevaren voor de beginselen en de praktijk zijner prediking. Toch kon hij den drang niet weerstaan en stelde, ofschoon zeer aarzelend, zijne orde aan het feministisch gevaar bloot.
Elk die zich bij Boeddha's monnikenorde had aangesloten, kon deze te allen tijde weder ongehinderd verlaten: er was geen belofte bindend voor het Ieven, alles moest geheel vrije keuze zijn en blijven. (Wordt voortgezet).
Gereformeerde prediking?
Iemand, die veel belang stelt in onzen Gerefonmeerden Bond en een gezonde, gereformeerde prediking liefheeft — er ook - offers voor brengt — zond ons dezer dagen een uitknipsel uit het Handelsblad van 7 December '24 - met verzoek hierover iets te willen schrijven in ons Bondsblad. Wij laten het uitknipsel hier volgen:
„Op een dorp in een der Herv. kerken had op een avond in de week een godsdienstoefening plaats, waar een predikant, behoorende tot den Gereformeerden Bond, uit een ander dorp in dezelfde provincie, voor de gemeente zou optreden, zooals dat in den laatsten tijd gewoonte schijnt te worden, een gewoonte overigens, waartegen het Class. Bestuur van Amsterdam reeds zijn vinger heeft opgestoken. De reis was niet gemakkelijk. Eerst met een rijtuig naar het station, dan met den trein, en dan weer met een rijtuig. Een heele reis alzoo. Maar 't is immers ter verdediging en tot uitbreiding van de gereformeende waarheid! Maar misschien ook wel om het honorarium!'
De dienst ving te zeven uur aan. Onder de prediking zal menigeen zich hebben afgevraagd : .„is dat nu gereformeerde waarheid; is dat nu een taal, die op den kansel past? " De toon, waar op de geïmproviseerde rede werd uitgesproken, was zeer onnatuurlijk. Deze herinnerde aan de verzuchting:
„Verlos ons van de preektoon, 'Heer,
Geef ons natuur en waarheid weer!"
Soms was hij zangerig, soms „huilerig". Het woord „Amen" werd op een heel bijzondere manier uitgesproken, en vooraf kwam er een kleine pauze. Het woord „Heere" werd zoo vaak gebezigd, dat het voor ieder weldenkende tot ergernis werd. En menigmaal was „Heere" niet genoeg. Het werd „Heere, Heere !" of „Heere der Heeren".
De spreker bleek een ontzettend groot liefhebber te zijn van verkleinwoordjes en bijv. naamwoorden. Een mensch was een „menschje, menschje". Een schepsel was een „nietig, klein, ongelukkig, ramp zalig schepseltje". Zelfs aanhalingen uit den Bijbel moesten nog verkleind worden: „geen titteltje, nochjota'tje van de wet zal voorbijgaan". Vele woorden kregen de stomme lettergreep, waar onze voorouders haar zelfs niet gebruikten. In plaats van evangelie moest het Latijnsche woord gebruikt worden. Evenzoo ging het met „Kerke Christi". De toehoorders werden met „jij" aangesproken. Zelfs tot God werd gesmeekt : „Och, of het jou nou eens mocht behagen; och, of je nou nog eens mocht geven !" Den toehoorders werd toegeroepen : „Staat toch op van den mesthoop van jullie zonden!" Toen hun gewezen werd op hun niets kunnen met het oog op de zaligheid, heette het: „Nou, wat heb je nou in de melk te brokken?" En over zich zelven sprekende, deelde de prediker den toehoorders mede, dat hij niet met den strooppot rondliep om te likken.
Na 2 1/2uur, kwart voor tienen, ging de kerk uit. Dat was juist het tijdstip, waarop de laatste trein, van het in de buurt liggende station zou vertrekken.
Wat zullen wij van deze dingen zeggen ?
Allereerst vragen wij: is het waar ? In welke gemeente is dat zoo toegegaan en welke „predikant, behoorende tot den Gereformeerden Bond", heeft zóó gepreekt?
Dat zouden we eerst wel eens willen weten.
Wij beginnen met een vraagteeken te zetten; en een heel groot vraagteeken ook.
Welke „predikant, 'behoorende tot den Gereformeerden Bond", krijgt 't in z'n hoofd, om twee uur en drie kwartier te preeken ? Noem zoo'n man eens.
En welke dominé, „behoorende tot den Gereformeerden Bond" — want het is wellicht er om te doen, zonder namen te noemen, den Gereformeerden Bond een trap te geven — brengt zulke taal, zulk een ergerlijken onzin, op den kansel ? Wij gelooven er niets van.
Totdat ons man en paard genoemd wordt.
Doch intusschen zeggen we: een gewaarschuwd man telt voor twee.
Laten we toch alle bombast uitschudden, als God ons roept, om Zijn Woord te ontsluiten in het midden der gemeente. Laten we eenvoudig en waar zijn in het midden van Gods huis. Laat alle kleinzielige menschen-behagerij verre van ons wezen. Laat alles eerlijk en met orde geschieden. Laat ons spreken in de taal van onzen tijd. En als er allerlei zure, ziekelijke elementen hier of daar zitten, die als verleidende geesten uitgaan om ook dominé's, ook dominé's van den Gereformeerden Bond, te verschalken, dat dan de Geest des Heeren vaardig over ons mag zijn, om niet van de gezonde leer af te wijken; opdat wij als getrouwe getuigen van Jezus Christus het volle evangelie mogen prediken, naar luid van Gods Woord. Zoo zullen er gouden appelen op zilveren, gebeeldhouwde schalen worden voorgezet, daar waar het volk vergaderd is; en de Heere heeft beloofd, dat Zijn Woord niet ledig zal wederkeeren, maar altijd doen zal wat Hem behaagt.
Komt, laat ons er voor waken, dat we ons niet bespottelijk aanstellen, waarbij de wereld oorzaak vindt om te smaden, waarbij Gods Naam en Waarheid gelasterd wordt, waarbij de zielen worden misleid en Gods ware volk zich ergert. Hooi en stroo is het alles, óók dat moois, dat ons hierboven voorgelegd is.
Doch, nog eens: zijn er zoo ?
Noem ze dan.
En mochten ze er, onverhoopt, zijn, dan schamen wij ons, met droefheid in ons hart. Ja, wij schamen ons diep voor zulke collega's.
Doch — we kunnen het niet gelooven, dat ze er zijn.
Noem ze, indien het toch zoo is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's