De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

De afstamming van Maria

4 minuten leestijd

Ds. J.J. Knap schreef in "Oude Paden" over de vraag, hoe uit den Bijbel blijkt, dat Maria, de moeder des Heeren, uit het geslacht van David was.

De afstamming van Maria.

Ds. J. J. Knap schreef in „Oude Paden" over de vraag, hoe uit den Bijbel blijkt, dat Maria, de moeder des Heeren, uit het geslacht van David was. Hij zegt daar het volgende van:
Algemeen is de opvatting, dat zij van Davidische afkomst was, en dus, hoezeer ook vervallen, koninklijk bloed in de aderen had.
Ziet men nu echter de geslachtsregisters na, die ons in Mattheus 1 en Lukas 3 bewaard zijn, dan wordt Jozef wel, maar Maria met geen enkel woord als een nazaat van koning David genoemd. Mag en moet men uit het ontbreken van haar naam nu besluiten, dat zij  niet van Davidische afkomst was?
En moet men dus eerlijkheidshalve de algemeen onder het volk verbreide overlevering prijs geven? Inderdaad zijn er geleerden, wier wetenschappelijk geweten hen hiertoe brengt. Sommigen hunner houden het zelfs voor waarschijnlijk, dat Maria eer van priesterlijke dan van koninklijke herkomst was. Zij treedt immers op als een verwante van Elisabeth, de vrouw van den priester Zacharias. Zoo zou zij dus uit den stam Levi in plaats van uit den stam Juda en verder uit David zijn. Aannemelijk schijnt ons deze opvatting echter niet. De priesters waren immers door de wet niet verplicht om te huwen met een vrouw uit den stam Levi. Zij hadden de vrije keus uit alle stammen.
Er bestaat onzes inziens dan ook geen toereikende grond om Elizabeth voor een vrouw uit Levi te houden. Maar dan valt hiermede tevens de onderstelling, dat haar verwante Maria tot den priesterstam behoord zou hebben.
Er zijn in het Nieuwe Testament echter gegevens buiten de geslachtslijsten om, die de Davidische afkomst van Maria volgens ons bescheiden oordeel buiten allen twijfel stellen. Men bedenke, dat Jezus telkens weer genoemd wordt de Zone Davids.
Hoe komt Hij aan dien naam, indien Hij van moederszijde niet van dien koning afstamde ? Men zegge niet, dat Hij dien naam door Jozef verkreeg. Want wel is waar, dat deze uit Davids geslacht was. Maar het Nieuwe Testament schakelt Jozefs medewerking bij de vleeschwording van den Zone Gods zéér nadrukkelijk uit. Daarom is het onredelijk, aan te nemen, dat het Jezus toch Zone Davids genoemd zou hebben, enkel omdat zijn pleegvader van David afstamde.
't Is waar, sommige geleerden vatten den naam Zone Davids uitsluitend als een titel op om er de Messiaansche waardigheid van Jezus door aan te duiden, zonder dat er eenige rekening met zijn afstamming van David behoeft gehouden te worden. Nu ontkennen wij niet, dat Zone Davids inderdaad óók een ambtsnaam is. Maar de Schrift bindt dien naam dan toch steeds aan één der nakomelingen van den grooten koning Israels, — de Messias werd immers juist en steeds uit dien stam verwacht. En als Jezus het volle recht op dien naam heeft, moet Hij dus wel van moederszijde van David afstammen, daar zijn pleegvader hier buiten beschouwing moest blijven.
Is men nog niet door het voorstaande overtuigd van Maria's koninklijk bloed, dan denke men aan een uitspraak als in Romeinen 1 : 3 te vinden is; wij lezen daar, dat Jezus Christus geworden is „uit het zaad van David naar 't vleesch" en dit kan niet op Jozef, het móét op Maria slaan.

Elders vermaant Paulus zijn zoon Timiotheus (II, 2:8): "Houdt in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt, welke is uit den zade Davids naar mijn evangelie". In Hebr. 7 vers 14 staat het niet minder duidelijk : „Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is, op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap". En wil men een woord van Petrus, dan sla men in Handelingen 2 zijn Pinksterrede na, waarin hij zegt ; „Gij, mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. Alzoo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met eede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijnen troon te zetten". Deze en vele andere uitspraken schijnen dan toch wel afdoende de Davidische afkomst van Maria te bewijzen, daar het natuurlijke vaderschap door het Nieuwe Testament opzettelijk aan Jozef ontzegd wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's