De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

24 minuten leestijd

Christus en de Bijbel - Ondeugend - Weer een dood-geboren kind - Het bijzondere trekt - Geestelijke stromingen

Christus en de Bijbel.
Het Christendom is natuurlijk ten nauwste verbonden met Christus. Hoever wij dan ook terug gaan in de geschiedenis van het Christendom, Christus staat overal en altijd in het middelpunt. Steeds blijft dan ook de vraag: wat dunkt u van den Christus?
Men kan het Christendom onmogelijk van Christus losmaken — en die zich van Christus losmaakt houdt op een christen te zijn, komt buiten het Christendom te staan.
Men kan onmogelijk begrijpen wat het Christendom is en wil en vermag wanneer men Christus niet verstaat en niet weet wat Hij wil en vermag en is.
Van den beginne afaan en heel de geschiedenis van het Christendom door, vinden we de vraag omtrent Christus en Zijn levenswerk.
En helaas! zijn de zotste meeningen geuit, de verschrikkelijkste gedachten geopenbaard.
Christus — of liever Jezus — heeft nooit bestaan, heeft men gezegd. Christus heeft z'n wijsheid opgedaan in Egypte, vandaar z'n z.g. wonderen, die niets anders zijn dan Egyptische toovenaarskunstenarijen. Ook zijn er die zeggen, dat Hij (maar dan schrijft men „hij") bij Boeddha in de leer geweest is en dien „Verlichte" heeft nagesproken, aangevuld en verbeterd.
Een ideaal mensch — zegt een ander — is hij geweest.
Een voorbeeld om na te volgen, enz. Zooals de vraag omtrent Christus beantwoord wordt, zóó is ook het Christendom dan. Natuuriijk! Zoo is ook des menschen „meening"; z'n ideaal; z'n „geloof"; z'n religie.
En zooals men over Christus denkt, zoo denkt men óók dan over den Bijbel. Al even mooi of even leelijk, als in het voorgaande uitkwam ten opzichte van Christus.
Pas is dat nog weer uitgekomen in een artikel van den pas opgetreden bijzonder hoogleeraar aan de Utrechtsche Universiteit dr. A. G. van den Bergh van Eysinga, door het Haagsche Genootschap als zoodanig benoemd, voorkomend in de Octoberaflevering van het Nieuw Theologisch Tijdschrift, 1924 (4de aflev., blz. 408), waar genoemde hoogleeraar met instemming mededeelt, dat een Duitsch professor gezegd heeft „De Paulinische Christus is een Katholiek gefrizeerde gnostische Christus".
En in hetzelfde artikel noemt dezelfde Hollandsche hoogleeraar, die benoemd is door een Genootschap „tot verdediging van den Christelijken Godsdienst", de Jezus-geschiedenis der Evangeliën een „verhaaltje".
Zelfs de „gepeperde" H. Bakels, die voor geen klein geruchtje vervaard is en waarlijk niet gewoon is om de dingen zoo voorzichtig mogelijk te zeggen — Bakels staat er versteld van en klaagt in het Algem. Weekblad voor Vrijzinnig Godsdienstigen (Zaterdag 20 Dec. j.l.), over zulk brutaal schrijven: De Paulinische Christus een gefrizeerde gnostische Christus! en: de Jezus-geschiedenis der Evangeliën een verhaaltje!
Wat blijft er zoo van het Christendom over? Wat van ons Gods-geloof? Wat van onzen godsdienst? Wat van onzen Bijbel?
't Hangt toch alles aan elkaar als een onverbreekbare waarheid? Er blijft niets meer over van: „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid" (Joh. 1 : 14). Niets blijft er van over, van dat heerlijke: „God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende" (2 Cor. 5:19). Niets van dat wondere woord van den Heiland: „Die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengene, die mij gezonden heeft. En die mij ziet, die ziet dengene, die mij gezonden heeft". (Joh. 12: 44, 45).
Wonderlijk springt men om met den Christus, wonderlijk met den Bijbel. In de Oud-Testamentische geschriften, in Psalmen en profetieën staat Zijn beeld geteekend van ouds. De Messias zou komen. Valsche messiassen als Judas van Galilea, door Gamaliel genoemd, en Theudas en zoovele anderen bewijzen, dat men wist, dat er een Messias komen zou. De Samaritaansche vrouw weet er van. Hoe Hij geboren zou worden, waar en uit wie, 't was alles bekend. Zijn leven en lijden en sterven is geteekend honderden jaren te voren. En als Hij komt geven de Evangelisten er verhaal van. En Paulus schrijft er van, heilige mannen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, die schrijven wat ze hebben gezien en gehoord, waarvan de wereld vol is, tot op dezen dag. En dan gaat de mensch er telkens waanwijs tegenover staan en brengt allerlei eigen ideeën naar voren, allerlei oude en nieuwe gedachten, dikwijls zóó vierkant in strijd met wat door de eeuwen heen daar heeft gestaan en is gepredikt en is geloofd, als een Goddelijke en eeuwige waarheid.
Terwijl men de Schriften maar heeft te onderzoeken om overal Christus te vinden — loochent men 't een en verwerpt men het ander.
Het bekende weekblad „Timotheus" heeft aan onderscheiden bekende mannen en vrouwen in Nederland eens gevraagd: wat dunkt u van den Christus en wat dunkt u van den Bijbel?En men zal moeilijk gewichtiger vragen kunnen vinden, die duurzame waarde bezitten.
Daarom is het wel interessant om te horen, wat de vragers voor antwoord hebben ingezonden; gelijk die in het eerste nummer van „Timotheus", bij het begin van dit jaar, zijn gepubliceerd. Laat ons een paar antwoorden hier afschrijven.
Dr. M. V a n R h ij n zegt als antwoord, op de vraag: wat dunkt u van den Christus? 't volgende:
„Ik heb persoonlijk alles aan Christus; te danken en zou niets liever willen, dan dat God mij in mijn verdere leven steeds meer de heeriijkheid van Zijn verschijning openbaarde. God vereenigt in den lijdensdood van Jezus hemel en aarde te zamen. Tegelijk is hier de schuld voor ons geboet, doordat God Zijn heilige wet heeft gehandhaafd en Jezus voor ons de schuld heeft gedragen. Op het mysterie van de verzoening kan ik hier niet verder ingaan. Het kruis van Golgotha is voor mij het hart van het Evangelie, maar men make het niet los van het leven van Jezus, evenmin van Zijn opstanding.
Wat de tweede vraag betreft: wat dunkt u van den Bijbel? deze hangt voor mij ten nauwste met de eerste samen.
Waarom het mij in den Bijbel gaat, is, wat Luther genoemd heeft: „was Christum treibet". Ik erken, dat wij door den Bijbel veel, zeer veel ontvangen op het gebied van kennis van menschen en karakters, ook van geschiedenis en meer, maar dit is niet de hoofdzaak. De Bijbel leert van Genesis tot Openbaring twee dingen. Ten eerste: Gij hebt de gemeenschap met God volkomen verbeurd.Toch moogt gij in Gods gemeenschap leven. Ten tweede: God openbaart een heilsplan in die historie en voltooit het. Het gaat naar het Koningschap van God".
Aan het antwoord van dr. A. H. d e Ha r t og ontleenen we 't volgende: „Het antwoord door alle eeuwen is gegeven in Matth. 16 : 16. Want de Christus is niet slechts de mensch ten top, maar tevens God omneer. (Fil. 2 vs. 6 v.). En met minder kan de mensch niet toe.
De Bijbel houdt in den voortgaanden stroom der Goddelijke Zelfmededeeling, en geeft, als zoodanig, antwoord op het zoeken, niet slechts van Israël, maar ook van de volken. (Joh. 11 : 52). Wie de waarde des Bijbels daarom wil verstaan, moet niet blijven bij een tekst hier of daar, maar moet den voortgang dier Goddelijke Zelfmededeeling van Genesis tot Openbaring doorzoeken, zal hij daarin het eeuwige leven vinden. Joh. 5 vers 39).
Na de heeren van Rhijn en de Hartog gehoord te hebben, geven we het antwoord van prof. de Louter en men beluistert dadelijk een anderen toon. Immers deze bekende jurist liberale beginselen zegt:
„Ik zie in den Christus de verheerlijkte of geidealiseerde gestalte van den grooten menschenzoon, die eenmaal in voor onzen tijd niet volledig bekende en wellicht voor altijd onverklaarbare omstandigheden leefde, leerde, werkte en stierf in 't Joodsche land en als slachtoffer zijner edele roeping door zijne tijdgenooten werd miskend, mishandeld en gekruisigd.
Ik zie in den Bijbel een bonte verzameling van door ouderdom en strekking eerbiedwaardige geschriften van zeer onderscheiden oorsprong, inhoud en waarde, welke ons de lotgevallen en denkbeelden van een der merkwaardigste volken der oudheid verhalen, en tevens de gedachten vertolken van de besten van ons geslacht uit lang vervlogen eeuwen".
Na dit modern getuigenis van de Utrechtschen oud-hoogleeraar doet het goed een belijdenis te hooren van een ander oud-hoogleeraar, prof. Fabius, die zegt:
„Al dat menschengedunk beteekent betrekkelijk niets.
Van belang is dit: wat denkt Christus van Zichzelven?
Hierop nu luidt het antwoord, dat Hij is de Zone Gods. (Luk. 22 : 70).
En: wat dunkt de Bijbel van zidhzelven? Waarop het antwoord staat in 2 Tim. 3 : 16a: „Al de Schrift is van God ingegeven". Terwijl uit Hebr. 12 vers 25a de waarschuwing klinkt: Ziet toe, dat gij dien, die spreekt, niet verwerpt!"
Eindelijk zij voor een ieder van groot gewicht de vraag: wat dunkt Christus van mij? En dat hij daarop met Petrus kan zeggen: „Heere, Gij weet, dat ik U liefheb". (Joh. 21 : 15b).
Laat ons ten slotte vermelden, wat onze vrome Christen-staatsman Z.Exc. A. W. F. Idenburg heeft geschreven:
„De Christus is „een Zaligmaker der wereld". (1 Joh. 4:4). De Bijbel is „niet voortgebracht door den wil eens menschen" (2 Petrus 1 : 21); hij is „het getuigenis van Jezus Christus" (Joh. 5 vers 39) „dat niet kan gebroken worden" (Joh. 10: -35)."
Heerlijk toch als Gods Woord ons een lamp voor den voet en een licht op het pad mag wezen en Jezus Christus ons de weg om den Vader te kennen en straks te komen in de vele woningen, die boven zijn!
Maar die den Zoon niet kent en Gods Woord niet acht, die blijft in de duisternis van den nacht en zal ellendig omkomen'.

Ondeugend
Dat prof. Buijtendijk, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, benoemd is tot hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Groningen, heeft wel de aandacht getrokken en is wel besproken in de pers, ook in de Geref. pers, maar niet zelden, is er maar een beetje overheen gepraat. 't Schijnt voor een niet klein deel z'n oorzaak te vinden in de tooneelkwestie, dat prof Buijtendijk liever heengaat van de Vrije Universiteit dan daar te blijven; gelijk prof. B. na afstraffing in „de Reformatie" al aanstonds uit de redactie van dat weekblad zich terug trok.
Met prof. Zevenbergen schijnt het ook niet te boteren. Althans „de Heraut" is bezig zijn standpunt inzake „de doodstraf" onder handen te nemen en in het licht te stellen, dat de gevoelens van prof. Zevenbergen niet passen in het gereformeerde kader. En handig wordt dan ook in „de Heraut" geadverteerd : „Leest nu het boek over de doodstraf van prof. Fabius !"
Als men nu bedenkt, dat „de Heraut" in dit geval is: prof. dr. H. H. Kuyper, en dus een collega van prof. Zevenbergen, dan voelt men het pijnlijke dat hier in ligt en begrijpt men aanstonds dat dit tusschen de faculteiten eenige wrijving moet geven en tusschen collega's diverse moeilijkheden.
Bovendien kan wat ongereformeerd is niet blijven aan een gereformeerde Hoogeschool.
Hier zou dus wel eens méér op kunnen volgen
Het Algemeen Weekblad voor Christendom en cultuur, (vroeger „Bergopwaarts") geeft over deze aangelegenheid een heel klein scherts-stukje, ietwat ondeugend, maar begrijpelijk. 't Was dit gesprek onder „Oog en Oor":
— „Heb je gezien hoe de gereformeerde pers naar aanleiding van de benoeming van dr. Palache te Amsterdam, heeft afgegeven op de Rijks Universiteiten?
— Nu ja, het is toch bekend, dat men van dien kant groote bezwaren heeft.
— Goed en wel, maar ik noem 't toch ondankbaar.
— Ondankbaar ?
— Ja zeker. Denk eens aan, waar moest de Vrije Universiteit met zijn nietgereformeerde professoren naar toe, als er geen Rijks Universiteit was?
— O, je denkt om dat geval met prof. Buijtendijk?
— Natuurlijk. In „de Reformatie" stond indertijd duidelijk te lezen, hoe men met den man verlegen was en dat men naar een uitweg zocht om hem kwijt te raken. En die uitweg is nu door deze staatsbenoeming gevonden.
— Vindt je dat dan niet goed?
— O ja, ik vind 't best. 't Is voor beide partijen een uitkomst: voor de Vrije, die een ongewenscht element kan loozen, en voor prof. Buytendijk, die nu vrij" wordt.
Maar men moest zich nu ook een beetje dankbaar toonen, dat er nog Rijks universiteiten zijn, men kan ze nog vaker noodig hebben.
— Voor prof. Zevenbergen bedoel je?
— Bijvoorbeeld".

Weer een dood-geboren kind.
Men kan niet zeggen, dat er niet gepeinsd wordt over de problemen of vraagstukken, die met het kerkelijk leven, ook met onze Hervormde Kerk, in verband staan. Jammer, dat het dikwijls dood-geboren kinderen zijn, die ter wereld komen. Zoo is er nu weer een. Het dateert nog van 1924; maar in 1925 kunnen we 't doodsbericht nog wel even meedeelen. Laten we het, om zoo objectief mogelijk te zijn, mogen doen met de woorden van prof. Obbink, van Utrecht, die er iets over geschreven heeft in het laatste nummer van het Algemeen Week blad voor Christendom en cultuur (vroeger „Bergopwaarts").
Prof. Obbink schrijft dan :
„Het Bestuur van de kerkelijke kiesvereniging voor Evenredige Vertegenwoordiging te Rotterdam publiceert in no. 6 van zijn Orgaan een federatieplan voor alle Protestantsch-Christelijke Kerkgenootschappen. De oorsprong van dit plan wordt niet genoemd; we vernemen alleen dat het ontsprongen is aan het brein van „een lid van de Hervormde Kerk". Het bovengenoemd bestuur publiceert dit plan in zijn orgaan en vraagt ons onze meening daarover te zeggen.
We kunnen dat met weinig woorden doen: het plan is onuitvoerbaar.
Aangezien evenwel bedoeld bestuur blijkbaar van een andere meening is, zal 't goed zijn onze meening eenigszins te staven. Omdat dit plan toch nooit tot uitvoering komt, achten wij een principiëele en volledige bespreking niet noodig en bepalen we ons tot de aanwijzing waarom dit plan onuitvoerbaar is.
Het plan bedoelt alle Protestantsche Kerken te vereenigen in één groote federatie, waarmee de verschillende Kerken alleen administratief verbonden zijn.
ledere Kerkegroep behoudt binnen haar eigen kring alle rechten die ze nu ook heeft.
ledere groep betaalt een procent-gedeelte van zijn inkomen aan de federatie. Van het geld, dat de Federafie aldus krijgt, worden betaald de aanvullende traktementen der predikanten, de pensioenen der predikantsweduwen en weezen, worden de kerkgebouwen onderhouden, worden de gestichten gesteund, die van belang zijn voor alle Protestanten en worden verder toelagen gegeven voor algemeen Protestantsch Christelijke doeleinden. Ieder minder belangstellend Kerklid, dat zijn moreele verplichting niet nakomt, blijft wel Kerklid, doch mist de rechten der werkelijke leden. Hij zal dus niet mogen kiezen, hij kan niet gekozen worden, hij zal iets moeten bijdragen voor het godsdienstonderwijs zijner kinderen, enz.
Komt de scheiding van Kerk en Staat, dan komt het geheele kapitaal, dat de Staat aan de Protestanten schuldig is, aan de Federatie.
Wanneer de scheiding van Kerk en Staat is tot stand gekomen, wordt ieder jaar aan de verschillende Kerkgenootschappen, dus óók aan die Genootschappen, die nu geen staatstoelage ontvangen, een som gelds uitbetaald, n.l. van de rente van het kapitaal door den Staat terug gegeven aan de Kerk en wel in verhouding tot het aantal belangstellende leden van zijn Kerkgenootschap".
„.Hoe men meenen kan" — aldus prof. Obbink —„dat het plan, waarvan hierboven de belangrijkste bepalingen zijn aangegeven, ook maar eenige kans van slagen zou hebben, ontgaat ons.
Allereerst gelden er tegen alle bezwaren die van Geref. Hervormde zijde indertijd tegen den Utrechtse „modusvivendi" zijn ingebracht. En daarbij komen de nog gewichtiger bezwaren van de zijde der Geref. Kerken. Volgens dit federatieplan zouden de Geref. Kerken „het Hervormd Genootschap" niet alleen als Kerk moeten erkennen, maar zou een deel van 't gereformeerde geld ten goede komen aan moderne dominé's. Men moet wel heel weinig psychologisch inzicht hebben in de gereformeerde mentaliteit om dat voor mogelijk te houden. Van „kleinigheden" als b.v. dat plaatselijke fondsen in handen komen van het geheele Kerkgenootschap, dus ook die, welke uitsluitend voor de plaatselijke gemeente mogen worden besteed, willen we hier maar niet eens spreken; de bovengenoemde bezwaren zijn, ieder voor zich, reeds voldoende om 't heele plan onuitvoerbaar te maken.
In Gereformeerde kringen zal men er de schouders over ophalen — van Gereformeerd standpunt terecht".
Aan dit woord van prof. Obbink behoeven we niets toe te voegen.
En hiermee is dit ook al weer gepasseerd.
Komen en gaan kunnen soms heel snel elkander opvolgen.

Het bijzondere trekt.
De menschen houden van afwisseling en het bijzondere trekt. Alles is er ook op ingericht om de menschen zenuwziek te maken in dezen rusteloozen tijd. En men zoekt de nieuwsgierigheid te prikkelen met allerlei, opdat de menschen, die loom en traag en uitgeput raken, weer gaan loopen en draven.
Ook de Kerk ervaart de invloeden van dezen tijd.
Daar ook komt loomheid. Jong en oud is traag. Men raakt hier en daar uitgeput. En daarom verzint men telkens wat anders. Totdat het nieuwtje er weer af is en moet worden omgezien naar iets dat nóg nieuwer is en nóg meer de nieuwsgierigheid opwekt en de zinnen streelt.
Voor de prediking van het Woord heeft men dan ook hier en daar reeds allerlei in de plaats geschoven, met muziek en zang. In Amerika zelfs dans en spel. Wat hier ook wel spoedig komen zal.
Voor de Kerstprediking heeft men hier en daar al de Kerstboom. Zoo'n omgehakten boom, dood op een plank gespijkerd. En de menschen sjouwen er mee van de markt naar de 3de en 4de verdieping van de verste gracht en van de nauwste straat. Zoo'n boom op een plankje met zilverpapier en klatergoud. In een kroeg zagen wij een heel grooten en mooien Kerstboom staan, electrisch verlicht, die vriendelijk noodigde de voorbijgangers om de Kerstdagen en Oud en Nieuw daar te vieren! En in een winkel waren drie Jodenmannen bezig om een Kerstboom te versieren, o, zoo mooi !'
Waar gaan we heen?
Waar zullen we straks belanden? En dat in deze dagen van donkerheid, vol van holle, leege dingen, vol van allerlei prullen van eigen makelij?
Het frappeerde ons, wat ds. J. W. P. Ie Roy, predikant bij de Ned. Herv. Gemeente te Sloterdijk, scherp, maar waar schreef in zijn blad „Ons Lampje", 't Was dit stukje:
„Ik hoorde van de Wijdings-samenkomst, welke gehouden is geworden in de Zendingskapel te Amsterdam, des avonds vóór Kerstmis, naar ik meen van 10—11. Hetgeen ik er van vernam, is zeer stellig in te deelen bij 't grappige. Duizenden menschen moesten naar huis terug, wijl zij geen plaats konden krijgen. De gansche gracht was zwart van de menschen. De predikant, die den dienst vervullen zou, kon er met moeite doorkomen. Ten slotte schijnt men de politie opgebeld te hebben om onder de ter Wijdings-samenkomst samenstroomende menschen de orde te bewaren. Ik maak mij sterk of in een of ander blad lees ik straks niet enkel, dat de Amsterdamsche Hervormde Gemeente niet failliet is, dat dat allemaal maar leugen en lasterpraat is; dat er juist een opleving, een toenemende belangstelling valt waar te nemen, enz. Of zou 't ook gezeten hebben in de berichten, die men de wereld heeft ingezonden, dat de Zendingskapel herschapen zou worden in een lichtend woud, waar toch niet minder dan 30 kerstboomen zouden stralen. In 1894 liepen de menschen te zamen voor één kerstboom, in 1925 loopen zij nog tezamen voor dertig kerstboomen. In 1950 loopen de menschen misschien nog voor een feest met duizend boomen.
Ik noem geen kerk, maar eersten Kerstdag trad een ferm spreker in een der Hervormde kerken in Amsterdam op, een man met veel gaven ..... en ..... de kerk was even meer dan de helft gevuld.
Arme menschen, die alleen maar oog hebben voor het bijzondere. En God de Heer' deed Zijn zaligheid stralen als een ster, midden in de armoedigheid van doeken en stroo".

Geestelijke stromingen (6)
Boeddha heeft steeds geweigerd op allerlei vragen die toen en later en nu als vanzelf opduiken, antwoord te geven. Het lag buiten zijn prediking, om onderzoek in te stellen naar het wezen der dingen, naar de eeuwigheid der wereld, naar de natuur der goden, naar al het bovenzinnelijke. Hij loochent noch bevestigt. Het gaat mij niet aan, dat kan ik niet; dat is niet mijn „zelf", — antwoordde hij telkens. Al zijn aandacht was op één zaak geconcentreerd: verlossing van het lijden; rust van den vermoeiend-eindeloozen kringloop des bestaans. Al wat daarmee in verband staat en daartoe dienstig zijn kan, wordt uitvoerig en uit den treure behandeld; wat daar niet mee samenhangt laat Boeddha volkomen onaangeroerd. Hiermee was Boeddha ontegenzeggeliik in 't voordeel tegenover de onvruchtbare bespiegeling en vaak spitsvondige haarkloverijen van vele wijsgeeren zijner dagen. De vermoeienis des geestes en de onrust dreef uit naar den prediker, die wel geen antwoord gaf op zulke vragen, maar toch voor het zoekend hart van rust sprak en den weg der verlossing aanwees. Van tegenwerking lezen we in het leven van Boeddha weiniig, alleen trad zijn eigen neef Devadatta als een soort „Judas" op; maar diens aanslagen mislukten, terwijl een ellendige dood het loon op z'n verraderswerk werd.
Boeddha was zeer verdraagzaam; alle godsdienstige overtuiging stond voor hem buiten het streven naar verlossing. Daarom was hij ongeveer van de leer: ieder moet maar in z'n eigen weg zalig worden. Al de godsdienstvormen behoren voor hem tot „de middelmatige dingen" (adiaphora). Zijn tegenstanders en concurrenten beschuldigden Boeddha en zijn geestverwanten, dat zij te weinig waarde hechtten aan vasten en lichaamskwelling. Zij leidden een leven, dat het midden hield tusschen vasten en overdaad en daarom beschuldigde men de boeddhisten van „een weelderig leven en gemakzucht", wat zeker een onverdiend verwijt was. Ruim 80 jaar oud was Boeddha, toen zijn geest van den eenen raad van extase in den anderen overging, tot hij eindelijk onder donder en aardbeving het Nirwana inging!
Toen Ananda, zijn lievelingsdiscipel, hem vroeg vóór zijn heengaan, om nader nog zijn wil bekend te maken voor zijn gemeente, antwoordde de Meester: „Wat begeert de gemeente nog van mij, Ananda? Ik heb de leer verkondigd en ben geen onachtzaam leermeester der waarheid geweest. Ik ben oud en grijs. Wees nu, Ananda, uw eigen licht, uw eigen toevlucht. Zoek nu geen andere toevlucht meer. Wie voortaan zijn eigen licht en toevlucht is, die zal mijn ware discipel zijn". „Mogelijk denkt ge zóó, Ananda: het woord heeft zijn Meester verloren, wij hebben nu geen Meester meer. Denk zóó niet, Ananda. De leer, die ik u verkondigd heb, die is Ananda, uw Meester als ik van u heengegaan zal zijn".
Zijn laatste woorden waren: „Welaan, mijne discipelen, ik heb nu nog slechts dit te zeggen. Vergankelijk is alles wat geworden is, streeft zonder ophouden naar het hooge, verlost te worden van het leven".
Boeddha's leer is dus geen godsdienst, 't Is eene stemmings-wijsbegeerte der zelfverlossing.
Het pessimisme vond in Boeddha een gewenscht leeraar.
„Er is niets duurzaams of blijvends in dit ondermaansche. Wij bezitten alle goederen als in leen; wij zijn in geenen deele eigenaars van hetgeen wij bezitten. Wij verwerven goederen alleen om ze weer te verliezen. Alles in de natuur is onderworpen aan smart, ouderdom, dood; alles komt aan een eind, hetzij uit zichzelf of door toedoen van buiten. Wat heden bestaat, verdwijnt morgen. Lijden is een wezenlijk bestanddeel van al wat leeft. Zie rond, zoo ge kunt, over de gansche uitgestrektheid van het heelal en ge zult overal een zwaren last van leed en droefheid vinden, zoo vermoeiend en drukkend, dat wij dien ternauwernood met een zekere mate van geduld dragen kunnen. In elke richting zullen onze oogen een openbaring van leed, lijden en jammeren ontmoeten, nergens is blijvende vreugde of rust te ontdekken. Tevergeefs zullen wij gezondheid of geluk begeeren, beide zijn hersenschimmige zaken, nergens aan te treffen".
„Wat dunkt u, mijne jongeren, wat is meer: het water dat in de vier groote zeeën is, of de tranen, die gestort en door u vergoten zijn, gedurende den langen, verren weg, dien gij dwalend en jammerend en weenend doorliept, omdat u ten deele viel, wat gij haattet, en gij niet verkreegt wat gij wenschtet? De dood uwer moeder, de dood uws vaders, de dood uws broeders, de dood uwer zuster, de dood van uw zoon, de dood van uwe dochter, 't verliezen van verwanten, het verliezen uwer goederen, dat alles hebt ge gedurende die lange tijden ervaren. Meer tranen zijn op dien weg door u vergoten, dan al het water, dat er is in de vier groote zeeën".
„Geen vreugd is er op aarde, die geen smarten baart, geen geluk dat geen ongduk voortbrengt, geen leven dat niet ten doode bestemd is, alles, alles is lijden en smart en krankheid en dood".
Deze is de stemming, waaruit Boeddha's leer geboren werd.
En Boeddha's evangelie?
Het hoogst staat de wetende, de wijze, wien het aardsche niet meer aangaat en door vreugde noch leed, door arbeid noch zorgen meer bemoeilijkt wordt op zijn weg naar de zelfverlossing: hij is de heilige, de kennende, de verstandige, de verlichte of boeddha, die van den waan bevrijd is.
Eenvoudigen kunnen dat eigenlijk niet begrijpen; alleen wijzen; ingewijden kunnen het verstaan.
En wat moeten de eenvoudigen dan ?
Voor die eenvoudigen blijft bij Boeddha niets anders over dan na een deugdzaam leven nog eens, in gunstiger omstandigheden dan, geboren te worden, (reïncarnatie) waardoor de kennis der heilige waarheid en zoodoende ook het bereiken der verlossing mogelijk wordt.
Want een mensch — het „ik" — komt meer dan eens op aarde, in het leven. Een mensch, die slecht deed en dacht, komt bij een nieuwe geboorte als dier, als varken of paard, weer in de zichtbare wereld. Bij een tweeden of derden gang door 't leven — dat een schakel is, van eene groote, nooit eindigende keten, — moet een hooger en nóg hooger trap van kennis worden bereikt, om ten slotte zóó hoog te komen, dat men in den weg van zelfverlossing in het Nirwâna op te gaan.
Die algemeene gedachten, die wijsgeerige grondgedachten, zijn echt oud-Indisch. (Denk aan theosophie b.v.) Boeddha heeft er, om zoo te zeggen, slechts de toepassing bij gemaakt en ze tot een samenhangend geheel van levensbeschouwing en levensleer vereenigd. Het gaat voor den mensch van 't eene bestaan in het andere, van de eene geboorte en dood in de andere (reïncarnatie = de wederbelichaming, de weder in het vleesch koming van den zelfden persoon) totdat eindelijk de mensch zóó wijs en zóó heilig is, dat eindelijk alle dorst, alle levensdrang gebluscht en geheel uitgeleefd is.
Bij dien cirkelgang van het bestaan is de leer van Karma geboren.
Dat is de leer, die zich bezig houdt met en antwoord geven wil op de vraag: hoe komt het, dat wanneer een levend wezen geboren wordt, het juist zóó geschiedt als het geschiedt? Waarom die bepaalde lichaams-en geestestoestand? Waarom met die bepaalde eigenschappen behept? Waarom als dier of als mensch geboren? Dat komt omdat er oorzaak en gevolg is; er is verdienste of schuld en de nieuwe toestand sluit aan op 't geen in den ouden toestand is gedaan en gekend is.
Alle lot dat den mensch treft, is in dezen zin zijn eigen schuld en eigen verdienste, want ze is 't gevolg van de daden in vorige bestaansvormen verricht. En dus heeft de mensch ook alle toekomst in z'n macht, want wat hij in het volgend bestaan zal wezen, zal afhangen van zijne tegenwoordige daden. „Mijn daad", zoo leert de Boeddhist, „is mijn bezit; mijn daad is mijn erfdeel; mijn daad is de moederschoot die mij baart; mijn daad is het geslacht waaraan ik verwant ben; mijn daad is mijn toevlucht", 't Werkt alles met automatische en wiskunstige zekerheid; 't sluit alles als een bus. En vragen van Asaf en van Job: is er gerechtigheid in deze wereld? vanwaar 't lijden van den rechtvaardige en de voorspoed van den goddelooze? — bestaan voor den Boeddhist niet.
Het is bij hem de terminisme: het kluwen wikkelt zich tot den laatsten draad af. En als de levensdrang op is, dan gaat de levenslamp uit — dat is het Nirwâna, als er geen Karma meer overblijft, (geen dorst, geen begeeren, geen lust) tot een nieuw bestaan.
De leer van 't noodlot dus, om straks, na den kringloop des levens, van lle begeerte ontledigd in het Nirwana op te gaan; in het Nirwana, dat dus niet anders is dan: de onaandoenlijke, ongestoorde, onbegrensde, volkomen stille rust van het Nirwana.
Het Boeddhisme is dan ook eigenlijk geen godsdienst, maar een zedenleer; waarbij niet de goede daad geprezen wordt, maar de noch-goede-noch-kwade daad; omdat de goede daad levensbegeeren verraadt en de noch goede, noch kwade daad de lusteloosheid nadert. Het gaat niet om vreugd noch smart, liefde noch haat — maar om niets te zijn.
Bindend voor den leek zijn deze vijf geboden:
1. Gij zult geen levend wezen doden.
2. Gij zult niet nemen, wat u niet gegeven is.
3. Gij zult niet echtbreken.
4. Gij zult niet liegen.
5. Gij zult geen bedwelmende dranken drinken. Aanbevolen wordt den leek nog het houden van deze drie:
6. Gij zult geen maaltijden gebruiken op verboden uren.
7. Gij zult geen opschik, zalven en reukwerken gebruiken.
8. Gij zult op een mat slapen, die op den grond ligt uitgespreid. Aan de monniken werden strengere eischen opgelegd.
                                                                                                        (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's