De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Van de Heilige Onbezorgdheid.

9 minuten leestijd

Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelsche Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.  Mattheüs 6 vers 31-34.

Van de Heilige Onbezorgdheid.
Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden?
Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw Hemelsche Vader weet dat gij al deze dingen behoeft.
Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Mattheüs 6 vers 31—34.

De pelgrimsreis van een door God bekeerd mensch, dien we gemakshalve maar Oude Christen zullen noemen, had reeds vele, vele jaren geduurd. Hij was 86 jaren oud. Denk u dat eens in, wat dat zeggen wil: 86 jaren oud ! Reeds in zijn jeugd had hij een ander leven voor zijn ziel leeren kennen; derhalve reisde hij reeds lang voort op dat smalle pad, waarvan het einde, naar des Heilands eigen woord, het eeuwige leven wezen zal. Hij woonde nu in bij een van zijn kinderen, die in het dorp zijner geboorte een eigen huiske bezat. Achter dat huisje lag een stukje tuingrond, en daar achter kabbelde een beekje. En bij het beekje was een gemakkelijke bank gebouwd, waaroverheen de groenbebladerde twijgen van een treurwilg schaduwden.
Op zekeren zonnigen zomermorgen zat Oude Christen warm en lekker op de bank bij de beek. Hoe heerlijk genoot hij daar! 't Duurde niet lang, of hij sluimerde in, en droomde. Hij droomde, en zie! er kwam een oude, kromgebogen, hoogst eenvoudige, in het zwart gekleede vrouw, langzaam loopend, naar hem toe. Hij kende haar wel, heel goed zelfs, maar kon haar toch zoo idirect niet thuis brengen. Zij naderde hoe langer hoe dichter, en ging naast hem zitten op de bank.
„Hoe gaat 't u tegenwoordig? " vroeg zij, terwijl ze Oude Christen vriendelijk op den schouder klopte.
„O, dat gaat wel !" antwoordde Oude Christen; „maar wie zijt gij ook weer? ''
„Kent ge mij dan niet meer? " antwoordde de vrouw. „Kom, kom, ge kent mij heel goed; ik ben Vrouw Zorg. Hoe lang hebben we al samen gereisd? Zijt ge nu reeds 86 jaar oud geworden? Wel, wel, wat vliegen de jaren! Ik kan me nog goed herinneren, dat ik reeds bij u kwam, toen ge nog in de wieg laagt. Wat hebben we ondervonden tezamen! We hebben heel wat met elkaar doorgemaakt. Maar nu kom ik u eens iets vertellen; ik ben gekomen, om afscheid van u te nemen".
„Afscheid nemen? " vroeg de Christen in zijn droom. „Hoe bedoelt ge dat?"
„Ja, ja, sprak Vrouw Zorg; „ik kom van u afscheid nemen. Ik zal niet lang meer bij u zijn. Nu gaan we elkaar verlaten. Alles heeft zijn bestemden tijd. Daar is een tijd om geboren te worden en om te sterven. En nu gaat gij naar uw vaderland, waar geen zonden en geen zorgen meer wezen zullen".
Vrouw Zorg stond op, reikte Ouden Christen nog eens hartelijk de hand, en verwijderde zich met langzame schreden. Christen oogde haar na. En toen hij wakker werd, stond blijde vreugde op zijn gelaat duidelijk te lezen. In het middaguur liet Oude Christen zich niet meer naar het bankje geleiden. Hij gevoelde zich niet wel. Een paar dagen later werd uit het huisje bij de beek een doode uitgedragen. De dorpsleeraar sprak aan de open groeve, en betuigde, dat hij goede hope, op goede gronden, bezat dat de oude pelgrim was aangekomen in het Vaderhuis met de vele woningen. Op zijn verzoek hieven de aanwezigen op den doodenakker aan het vers van Psalm 68 :
Maar 't vrome volk, in U verheugd.
Zal huppelen van zielevreugd.
Daar zij hun wensch verkrijgen!
Al heeft de ware Christen, die een rijken Vader in den hemel bezit, en een trouwen Gids en Leidsman in Gods lieven Zoon, al heeft hij geen enkele eigenlijke reden om bezorgd te zijn, en al is het waar, dat elke bezorgdheid voortkomt uit zijn eigen ongeloovig en murmureerend hart, dit neemt niet weg dat hij zijne pelgrimsreis geen oogenblik voortzet, zonder door zorg, strijd, kommer, moeite en verdriet, vergezelschapt te worden.
Dit leert Gods Woord. De woestijndichter klaagt : „Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zoo we zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet". Job vraagt: „Heeft niet de mensch een strijd op aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van een daglooner? " En, om niet meer te noemen, Israels gezalfde Koning zingt:
Veel wederwaardigheên,
Veel rampen zijn des vromen lot;
Maar uit die allen redt hem God;
Hij is zijn heil alleen.
Deze schriftuurlijke waarheden worden bevestigd door de ervaringen van het ware volk des Heeren. Wat een zee van zorg en kommer, smart en bittere omdervindingen begon het leven van den jongen Jozef te overstroomen, van af 't bange oogenblik, dat zijn broeders hem diefelijk ontstalen en als slaaf naar Egypte verkochten! Wat moet er niet door den armen Lazarus zijn doorworsteld in die dagen, toen hij lag voor de poort van den rijken man, en begeerde verzadigd te worden met de kruimkens, die er van de tafel van dezen egoïst neervielen! Zou Koning David niet menigmaal zijn bedstede doornat hebben met zijn tranen, ook wanneer hij dacht aan de zonden en ongerechtigheden, die hij vaak tevergeefs bestreed in het leven zijner eigen kinderen? Denk eens aan hem, wanneer hij, bij het vernemen van Absalom's doodstijding, bang heen en weer loopt, uitroepend: „Absalom, mijn zoon, ach, dat ik voor u, ik voor u, gestorven ware!"
Bange zorgen verdonkeren inzonderheid het leven van hen, die door genade den Heere vreezen, door het verkeerde, dat zij hebben te bestrijden in het eigen diep-zondige ik; die oude Adamsnatuur die, ook na ontvangen genade, hen geen oogenblik verlaat, zoolang ze nog op reis zijn in dit land der vreemdelingschappen.
Hoor Paulus zuchten: „Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam des doods!" Hoor David klagen: „Ik ben bekommerd vanwege mijne zonden!" Beluister het „Wee mij!" van de lippen en uit het hart van een Jesaja.
Denk eens aan al de aanvechtingen, benauwingen, verschrikkingen, die de leugenaar van den beginne schier dagelijks het volk des Heeren aandoet.
Bange zorgen worden door de zielen van Gods kinderen afgeworsteld, tengevolge van al wat verband houdt met hun strijden van den goeden strijd des geloofs en hun grijpen naar het eeuwige leven. O, wie er geen kennis aan heeft, kan er niet van meespreken, tenzij hij zondig nabazelt, wat hij anderen hoorde vertellen, of las in een of ander geschrift. Het ware volk van God krijt het soms met den dichter uit:
'k Zucht, daar kolk en afgrond loeit.
Daar 't gedruisch der waat'ren groeit.
Daar Uw golven, daar Uw baren
Mijn benauwde ziel vervaren.
Wanneer Gods kinderen voor hun ziel welgesteld mogen wezen, dan verstaan ze den Heiland, en kunnen met Hem meegaan, als Hij hen leert: „Zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen we eten, of wat zullen we drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? Want al deze dingen zoeken de Heidenen; want uw Hemelsche Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, en al deze dingen zuilen u toegeworpen worden. Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad".
Dan mogen ze al hun zorg en kommer in den Heere kwijt raken zoowel wat betreft de tijdelijke dingen, alsook het leven en het voedsel van hun ziel. Dan hebben ze het gemakkelijk en goed voor zichzelf en zouden ze niet gaarne zonder zorgen door het leven gaan. Ze weten dan, evenals de klok gewichten noodig heeft, zij ook kruisen noodig hebben, opdat het goddelooze vleesch er onder blijve. Evenals de palm groeit onder het gewicht van den steen, zoo tiert ook hun ziel het best, wanneer de Heere haar drukt en kastijdt. Dan gevoelen ze aan de hand, die slaat, dat het de hand is van hun Vader. Dan proeven ze honing aan de roede, en roepen met een ouden kruisdrager uit:
't Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.
Opdat ik dus Uw godd'lijk recht zou leeren;
Sinds heeft mijn hart voor hoovaardij gevreesd.
Van den nachtegaal wordt verteld, dat hij zijn schoonste lied zingt bij bezwangerd zwerk en in den doornenheg. Gods kinderen zongen de schoonste Hamaäloth-liederen, wanneer zij, al kruisdragend, den Weg betraden naar Jeruzalem.
En straks komt Vrouw Zorg afscheid nemen, en gaat het volk des Heeren daarheen, waar geen Job meer verbrijzeld neerzinkt op den aschhoop, waar geen David meer boetepsalmen uitklaagt, waar geen Jongeling van Naïn meer ter poorte dood uitgedragen wordt, maar waar al het verloste volk eeuwig den Koning in Zijn schoonheid zal aanschouwen!
Lezers, hoe staat het met onze ziel? Hebben wij reeds leeren weenen over onze zonden? Is ons hart reeds door den Heiligen Geest verbroken en verbrijzeld? Zijn we reeds wederom geboren geworden? Waarheen gaan we? Waar zouden we de oogen opslaan, wanneer de Heere heden ons opriep om voor Zijn vierschaar gedaagd te worden?
Ernstige en gewichtige vragen!
Mochten we er bij aanvang of vernieuwing eens recht werkzaam mee worden voor den Heere! Nu immers is het nog het heden. Als we straks niet bereid zijn, zal het te laat, voor eeuwig te laat voor ons blijven!
Mocht Gods Woord en Geest ons dan maar zóó ontdekken aan onze zonden, dat ze ons als een zware last te zwaar worden, en dat het zondekruis ons meer benauwt dan het zorgenkruis, en dat we nog aan deze zijde van het graf Hem leeren zoeken en viniden, Die Zijn bloed wilde storten voor een arm, ellendig, zondig en schuldig volk! Dan wacht ons na het kruis de kroon, en na de woestijn het zalig Kanaan !
O pelgrims, troost u onderwegen.
Al schijnt gij nog zoo ver van huis.
Het is zoo ver niet eens gelegen,
Aan 't einde volgt de rust na 't kruis.

Dan is de ziel de kooi ontvlogen,
Die haar onthield de vrije lucht.
En jarenlang heeft neergebogen.
Waarin zij veelmaals heeft gezucht.

Dan valt gij in een vollen zegen,
Uit al dit wereldsche gedruisch,
Door 't bloed van Jezus ons verkregen.
Uw Vader in Zijn armen thuis !

Poederooijen.                                            A.PRINS

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's