De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

9 minuten leestijd

Geestelijke stromngen - Kan het nog dwazer?

Geestelijke stroomingen (7)

Het gebod geen enkel levend wezen te dooden hangt natuurlijk samen met de leer der reïncarnatie. Want het dier is vroeger een mensch geweest en moet weer een mensch worden; daarom moet men de dieren zachtkens behandelen. Boeddha verhaalt zelf meermalen van zijn vroegere bestaansvormen; hij was een witte haas geweest, een zwarte stier, een oliphant, enz.
Eigenlijk zou met dit verbod van dieren te dooden moeten samengaan: het niet gebruiken van vleesch. Maar daar wordt in de Boeddhistische landen weinig de hand aan gehouden. Overigens is er groote zorg voor beesten; er zijn toevluchtsoorden voor onbeheerde dieren; hospitalen, verplegingsdienst voor zieke ratten en katten; terwijl tot de uitrusting van een monnik behoort een zeefje, om het water te zuiveren, ten einde geen diertje mee op te drinken!
Het Boeddhisme is in werkelijkheid geen godsdienst. Het is een leer zonder god en zonder gebed. Zelfverlossing is 't parool. In de eigen kracht ligt 's menschen hoop en met alle schijn-barmhartigheid leeft tenslotte een Boeddhistische heilige niet dan voor zichzelf en kan de gansche in ellende verzonken wereld hem niet uit zijn zalige mijmering opwekken. 't Zaligst is als alles vergaat en in 't niet verdwijnt!
In den grond der zaak is de leer van het Boeddhisme godsdienstloos; zij is zuiver menschelijk en erkent geen bovennatuurlijke kracht, die den mensch zou moeten te hulp komen in het streven naar de volmaaktheid. Maar in deze is het Boeddhisme altijd zéér tolerant, verdraagzaam geweest, waarom er ook zooveel menschen en volkeren „Boeddhistisch" genoemd worden, die eigenlijk toch niet zuiver Boeddhistisch zijn. Met dat al moet men van het echte Boeddhisme blijven zeggen: 't is geen godsdienst want als de mensch verlost zal worden van het lijden, zal hij zichzelven moeten verlossen; waarbij de mensch over z'n eigen heden en toekomst te beslissen heeft. Daarbij zijn de wereld en het heil der verlossing voor den Boeddhist tegenstellingen, zoodat invloed uit te oefenen op het maatschappelijk leven eigenlijk heelemaal niet op de lijn van het Boeddhisme ligt; veeleer is er wereldverzaking en wereldontvluchting. Wie naar verlossing streeft, verzaakt de wereld, treedt uit haar uit; ze is hem een hindernis op den weg des heils. Het ideaal is niet het goede te doen op eenig gebied, maar zóó volmaakt afgestorven te zijn van alle wensch en begeerte, dat alle doen wegvalt; hoogstens blijft er een kleurloos en waardeloos handelen van noch-goed noch-kwaad over. Het Boeddhisme is dan ook in den grond der zaak een vijand der beschaving. De volkeren, onder welke het Boeddhisme heerschend is, staan verre achter in ontwikkeling bij Europa of Amerika. Het Boeddhisme heeft de energie der volkeren verslapt. Het Boeddhisme is geen zuurdeesem, dat 't geheel doorzuurt, het volgt den gang der wereldgeschiedenis, maar leidt dien niet. Behalve het primitieve onderwijs en de hulp bij het bezweren van booze geesten en dergelijke practijken, hebben de Boeddhistische monniken voor het volk niets gedaan. Het bedelkleed en de bedelnap hebben dikwijls gediend om luiheid en het leven op anderer kosten daarachter te verbergen. Wat Azië geworden is en wat het beteekent, heeft het niet aan het Boeddhisme te danken. En ook Europa heeft van het Boeddhisme, wat dat betreft, niets te verwachten; het doodt door zijn leer de energie en rooft de vreugde in den arbeid. De echte Boeddhisten zijn lieden, die een bespiegelend leven leiden als kluizenaars, asceten, rondtrekkende bezitlooze wereldverzakers.
Het Boeddhisme dat eigenlijk atheïstisch is, laat door z'n verdraagzaamheid weer van alle kanten aan alle goden vrijheid om binnen te komen en voegt zich naar allerlei cultus of eeredienst, waarbij ten slotte toch de mensch het een en het al is.
Dat het Boeddhisme zelve eigenlijk atheïstisch is, blijkt uit allerlei. De Heilige Schrift leert, ons een eeuwig en almachtig God, die naar Zijn souvereinen wil heel de wereld uit het niet-zijn tot aanzijn riep, waarbij de schepping van den Schepper in wezen is onderscheiden. Maar Boeddha gelooft niet aan een persoonlijk God. De Boeddhistische Catechismus zegt : „Een persoonlijk God-Schepper is slechts een vinding van de onwetendheid der menschen. De Boeddhisten verwerpen ten eenenmale het geloof aan een persoonlijk God en houden de leer van de schepping uit niets voor een dwaling". (Zie : „De leer van Boeddha", uit het Duitsch vertaald door en met een voorwoord van mr. S. van Houten; 2de dr. 1897, blz. 74).
Het Godsbegrip is aan het Boeddhisme vreemd. Wel is de spreekwijze om van goden te gewagen, maar er wordt heel iets anders onder verstaan, dan gewoonlijk het geval is. De goden zijn maar begrippen tot opluistering; en ze staan in elk geval ver beneden Boeddha. Toen deze eens in een tempel kwam, verhieven de godenbeelden zich van hun voetstukken en bogen zich voor hem neder! Waarbij zijn zelfgetuigenis bekend is: „Ik heb geen leermeester, niemand is met mij te vergelijken. In de wereld en in de hemelen is er niemand mij gelijk".
De godenvereering is dan ook een hulde brengen aan die Groote Wezens, die den kennisweg ter zaligheid aan de in den nacht der onwetendheid verkeerende schepselen hebben gewezen, m.a w. vereering van den laatst verschenen Boeddha en van z'n voorgangers. (Prof. Speyer, blz. 27). De meest typische en tevens oudste vorm van dien eeredienst bestond in de heiliging van relieken en in de vereering daarvan. Zoo werden b.v. haren en nagels van een Boeddha of van een van diens voornaamste discipelen tot heilige zaken voor den geloovigen Boeddhist en achtte men het een groot voorrecht zulk een overblijfsel of gedachtenis te bezitten. Maar bovenal heilig waren de beenderen en de asch, die na de verbranding van het lijk van zulk een verheven wezen overbleven: waarbij natuurlijk het allerheiligste was wat van den grooten Boeddha, die op 80-jarigen leeftijd bij volle bewustzijn naar het Nirwâna was heengegaan, na de verbranding van zijn stoffelijk omhulsel was overgebleven.
Voor zulke relieken of heilige overblijfselen werden bouwwerken opgericht die den naam van stupa dragen. Deze hebben een zeer bijzonderen vorm, die ze aanstonds als Boeddhistisch kenmerkt. Ze zijn altijd koepelvormig, rustend op een aantal naar boven toe kleiner wordende terrassen; de koepel gekroond door eene spits, welke spits veelal versierd is met zonneschermen, wimpels, allerlei figuren of ornamenten. Er zijn drieërlei stupas: 1. die overblijfsels van het lichaam van den heilige omsluiten; 2. die voorwerpen bevatten, door hem tijdens zijn leven gebruikt, als zijn nap of kleedingstukken door hem gedragen; 3. die opgericht zijn op de eene of andere plaats van een gewichtige gebeurtenis in zijn leven. Waar het Boeddhisme bloeit vindt men zulke stupas in menigte. Een van de grootste en schoonste stupas, die bewaard zijn, is de vermaarde Boro Boedoer op Java, een Boeddhistisch bouwwerk van grooten omvang, dat op zijn terrassen een verbijsterend groot aantal van beelden en beeldgroepen bevat.
De traditie wil, dat Boeddha den stoot gegeven heeft tot den bouw van die wonderlijke tempels. Aan twee kooplieden, zijn eerste volgelingen, gaf hij wat haren en nagels, met aanwijzing, hoe zij die moesten bewaren en eeren. De stupa of tempel, die ze zal bevatten, zeide hij, moet aldus gebouwd worden. Hij nam zijne drie kleedingstukken (een Boeddhist draagt altijd drie kleedingstukken) vouwde ze op, legde eerst het grootste op den grond, daar boven het middelgroote, daar boven het kleinste; zette zijn bedelnap onderstboven op dat laatste vierkant en op alles zijn staf, daarmede aanduidend, dat de koepelvormige hoofdmassa van den stupa of tempel moet komen te staan op een aantal naar boven toe kleiner wordende terrassen en dat de koepel bekroond moet worden door eene spits!
Behalve de vereering door allerlei giften van bloemen, het branden van lampen, prevelen van gebeden enz., heeft een geloovig Boeddhist ook heilige dagen in acht te nemen en wel vier in elke maan-maand; vooral de dagen van de nieuwe en de volle maan. Dan wordt gevast en de wet gepredikt; en in de kloosters wordt gebiecht.
Behalve de sabbath-dagen kent de feestkalender nog een aantal andere op gezette tijden terugkeerende godsdienstige feesten.
Voor de geestelijkheid is studie van heilige teksten een verdienstelijk werk. De boeken, waarin zij zijn opgeschreven en gedrukt, gelden als heilige voorwerpen. Het omschrijven er van is ook iets dat geacht wordt in het hiernamaals ten goede te komen.
(Wordt voortgezet).

Kan het nog dwazer?
We lazen dezer dagen het volgende bericht over de „kerkelijke kwestie te Ouddorp":
„Door den Kerkeraad der Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp (Z.-H.) is aan den heer F. B. Kooijman, die aldaar als predikant fungeert, de mededeeling gedaan, dat hij niet langer in  de godsdienstoefeningen mag voorgaan en ook de pastorie moet ontruimen. Ook zal hem niet langer tractement worden uitbetaald.
Zooals bekend, is de heer Kooijman geen lid der Doopsgezinde Gemeente, wijl hij niet den door die Kerkelijke gemeenschap erkenden Doop ontving. Evenmin verkreeg hij het radicaal om als predikant in de Doopsgezinde Gemeenten op te treden. Hij is destijds te Ouddorp dan ook niet in het ambt bevestigd, — ds. G. Hofstede te Blokzijl, heeft geweigerd als bevestiger op te treden — maar is begonnen zonder die bevestiging als voorganger de godsdienstoefeningen te leiden.
De heer Kooijman is voornemens den Kerkeraad in rechten te vervolgen.
Voorts vernemen we nog, dat de heer Kooijman pogingen aangewend heeft om ter plaatse een oud schoolgebouw te huren, teneinde er godsdienstoefeningen te leiden en te komen tot stichting eener Vrije Gemeente".
Toen we dit bericht gelezen hadden, vroegen we onszelf af: Kan het nog dwazer ?
Want gelijk we vroeger reeds hebben gemeld, is die mijnheer Kooijman, die voor een paar jaar de acte godsdienstonderwijzer haalde, na de Godsdienstschool te hebben afgeloopen, een wonderlijk man. Wonderlijk is hij van Rotterdam naar een van de Noordelijke eilanden gegaan; onder weinig sympathieke omstandigheden; en wonderlijker nog is hij plotseling Doopsgezind predikant (?) geworden te Ouddorp; om nu weer op wonderlijke manier aan die geschiedenis een nieuw stuk toe te voegen, door maar ergens een lokaal te huren en te gaan preeken.
Zouden er nu werkelijk nog menschen zijn, die naar zoo'n man willen luisteren, bij zoo'n man willen kerken en met zoo'n man door dik en door dun willen meegaan?
't Is maar makkelijk toch, als men dominé wil spelen: men huurt maar een lokaal en het is klaar.
Maar het is tegelijk een bewijs, dat er een wonderlijke ziekte onder ons volk gevonden wordt. Een ziekte, waarvoor de Apostel reeds waarschuwde en die nu, in onze dagen, vele slachtoffers maakt.
Zou er geen geneesmiddel te vinden zijn, om zulke dingen tegen te gaan ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's