De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Roepingsbesef.

9 minuten leestijd

Wist gij niet, dat Ik moest zijn in de dingen Mijns Vader?Lukas 2 vers 49b.

Roepingsbesef.
De Heilige Schrift bevat uitspraken van machtigen inhoud. De schrijver, die naar de pen grijpt om de rijke gedachte daarin te vertolken, aarzelt een oogenblik, bewust van zijn onmacht om een dergelijk Schriftwoord in zijn volle lengte, breedte en diepte uit te meten. Zulk een Schriftwoord werd hierboven geplaatst. Alle verklaring van dit majestueuze woord is slechts eene gebrekkige poging den schoonen inhoud weder te geven.
Voor den eersten keer ging Jezus op naar Jeruzalem. Op twaalfjarigen leeftijd trokken de jeugdige knapen, als zonen der wet met hun ouders op naar het heiligdom. Wie kan uitdrukken, wat er omgegaan is in het hart van dezen vromen Knaap, toen hij voor het eerst zijns levens met de heilige dingen van Sions tempel in aanraking kwam?
Met welk eene verrukking zal Zijn oog hebben gestaard op de offeranden, die spraken van verzoening met den Heilige Israëls!
Hoe kostelijk was voor hem al de arbeid der priesters, de middelaars tusschen den heiligen God en het schuldige volk!
De diepe beteekenis der heilige dingen werd door hem verstaan, daar hij ze in verband mocht brengen met het werk, dat eenmaal door hem tot stand zou worden gebracht.
Als eindelijk de laatste Paaschjubel verstomd is, trekken de scharen huiswaarts. Alzoo ook Jozef met Maria. Maar, o schrik, onderweg wordt de jeugdige Knaap gemist. IJlings de terugtocht aanvaard en Jeruzalem in angstige spanning doorzocht, totdat eindelijk door de hoogst verontruste moeder Jezus gevonden werd, zittende te midden van de leeraren der wet. Daar genoot Hij van het onderricht dezer wijze mannen, die door beantwoording Zijner vragen Hem dieper inleiden in de heerlijke en zalige beteekenis van den schaduwdienst op Sion.
Maria kon niet zwijgen. Haar verkropt gemoed ontlastte zich in het berispende woord: „Kind, waarom hebt gij ons zóó gedaan? Zie, uw vader en ik hebben U met angst gezocht".
En daarop laat Jezus waardig, maar met alle beslistheid volgen: „Wat is het, dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?"
Deze vraag heeft voor Maria een beschamenden klank. Hoe kon Zijn moeder toch zoo lang zoeken, daar zij weten moest dat Hij behoorde te zijn in de dingen Zijns Vaders?
De jeugdige Knaap besefte beter Zijne roeping dan deze Maria, die toch zulk eene rijke openbaring Gods had genoten. Was toch al de openbaring Gods aan haar niet daarop gericht, dat zij Zijne taak zou verstaan? Was Zijn komst als die van den Messias der Schriften niet ingeluid door het woord van den engel Gabriel?
Had Efratha's boodschapper Hem niet aangekondigd als den Zaligmaker van 's Heeren volk? Had Simeon, onder de bezieling des Heiligen Geestes, Hem niet bezongen als der heidenen licht?
Wist zij dan nog niet de geheel eenige beteekenis van dit haar Kind, op zulk eene buitengewone wijze tot aanzijn gekomen?
Diepe beschaming ligt er voor Maria in deze vraag.
De jonge Knaap beseft het beter dan zij, dat Hij hooger roeping heeft dan voor het gezinsleven. Hij moet haar, de oudere, toelichten het woord van Simeon, dat losmaking van den natuurlijken band haar zaligheid zou uitmaken.
Diepe beschaming ligt er ook voor ons in deze vraag. Vooreerst voor de jongeren. Ach, de dingen des natuurlijken levens trekken zoó machtig. Het „zijn in de dingen der wereld" wordt bij zooveel jeugdige menschen gevonden. Och, dat vele jeugdigen Christus' voetstappen mochten leeren drukken!
Hoeveel ouderen zijn er ook, die vervuld zijn met de dingen van het stof. Zooveel zomers en winters zijn reeds over hun hoofd gegaan en nog zoeken zij steeds de vergankelijke dingen dezer aarde. Geen verheffing kenmerkt hun leven! Zoo oud geworden en nog geen besef, dat het leven in hooger teeken moet staan!
Ook Gods kinderen behooren de uitspraak van den jeugdigen Jezus met beschaamdheid des aangezichts te beluisteren. Wedergeboren tot een hooger doel, geroepen tot het hemelleven, is er vaak weinig roepingsbesef.
Daarover rijze de klacht op! Want alleen uit een krachtig roepingsbesef wordt de verheerlijking van Gods heiligen Naam geboren.
Wat een bron van vertroosting biedt deze inhoudvolle vraag voor een ieder, die ontdekt heeft dat hij mist het zijn in de goddelijke dingen.
Als Jezus hier op aarde verschijnt, treedt Hij op als Plaatsbekleeder Zijner Kerk. In dit feit ligt de vertroosting van Gods Gemeente.
Adams schepping was wel uit het stof der aarde, maar begiftigd met den Geest des levens, ontving hij de macht om de dingen der aarde te richten tot de glorie Gods. In zijne recht-opgaande houding symboliseerde hij de gedachte, bezig te zijn in de dingen zijns Vaders, den Oorsprong zijns levens.
In zijn val ontglipte hem deze kroon der eere. Adam zonk neder tot de dingen des stofs en het vloekvonnis gold voortaan van den gevallen mensch: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren".
En ziet, nu staat Jezus, mensch als wij, in den aanvang Zijns levens. In Gods heiligen tempel. Het bewuste leven begint krachtig bij hem te ontwaken en dan klinkt het: „Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders". Hij nam Adams taak, die geroepen was God te verheerlijken, weder op Zich, opdat Hij, als het hoofd eener nieuwe menschheid, hemelzin verwerven zou, Gods volk ten sieraad.
Zijn klare bewustheid, geroepen te zijn tot het Middelaarswenk; het moeten zijn in 's Vaders dingen, biedt troost voor een volk, dat van nature die hoogte nimmer bereiken kan. Dat „moeten" is de redding voor alle Jona's, die beproeven zich aan hunne roeping te ontworstelen.
Met gulden letteren las Hij den inhoud van Zijn levensprogram: „zijn in de dingen Zijns Vaders". Deze woorden vormen het kort begrip van het rijke leven van Jezus. Al Zijn pogen was gericht op het vervullen van dit woord. Al Zijne handelingen werden door dit beginsel gedreven en beheerscht.
Daarom verhief Hij Zijn stem met macht, leerende het welbehagen Gods voor zondaren. Daarom omreisde Hij rusteloos geheel Palestina met 't woord der prediking.
Daarom werd Hij niet moede de hand uit te strekken tot ellendigen en op te richten al wat verslagen en verbroken was, wetende, dat het de dingen Zijns Vaders waren, die Hij uitvoerde.
Begrijpt gij nu, hoe Hij het tegenspreken van zondaren verdragen kon?
Begrijpt gij nu, hoe Hij de lasteringen en versmaadheden dulden kon?
Begrijpt gij nu, hoe Hij in het bitter kruislijden de hevigste smarten verdroeg en niet rustte voor Hij den drinkbeker van Gods gramschap tot den bodem geledigd had?
In al dat lijden zag Hij de dingen Zijns Vaders. En in krachtig roepingsbesef betrad Hij met blijmoedigheid den weg der gehoorzaamheid.
Dat eerste woord, door Jezus gesproken, is een bron van troost en licht voor al Gods kinderen. Dit woord beheerscht niet alleen het leven van Christus op aarde, maar zelfs Zijn arbeid in den hemel.
Wie dat woord recht verstaan mag, kan moedig voorwaarts trekken in deze levenswoestijn.
De Kerk heeft te strijden met allerlei boozen vijand. Bang kan de worsteling zijn, zwaar kan de strijd wezen. Vaak dringt zich de gedachte op, dat de nederlaag zeker is. Totdat het oog het aanvangswoord van Jezus' leven lezen mag. Is Hij niet de Koning, die blijft in de dingen Zijns Vaders? Leeft Hij niet om Zijne Kerk blijvend te beschermen? Staat Hij met Zijne madht niet in voor de eindelijke zaligheid der Zijnen? Het zonde-besef drukt Gods kind neder. Steeds blijft de zonde-bezoedeling; immer behoort de zonde-klacht en het smeekgebed om vergeving op te rijzen. Het kan zoo bang zijn in de zondesmart, zoodat Gods kind meent nooit te zullen verlost worden. De Kaïns-klacht „mijne zonden zijn te groot", klinkt dwaselijk uit den mond van Gods kind op.
Hoe rijk is de troost van het woord van den twaalfjarigen Jezus! De Priester naar Melchizédek's ordening beseft Zijn goddelijke taak. Rusteloos rijst Zijne machtige voorbede op tot verzoening der schuld. Bewust van Zijn priestertaak neemt Hij de Zijnen op in Zijn kostelijke voorbede.
„Ik ben een vreemdeling op de aarde", zucht Gods kind. Hij leert zich een zwerveling kennen. Nergens thuis is de christen, omdat zijn burgerschap boven ligt. Maar ach, hoe zal hij eenmaal ingaan in het Vaderhuis?
Gelukkig, wanneer ons oog Christus mag zien. Niet in ons betrachten, niet in ons strijden, zelfs niet in ons zuchten ligt het heil. Jezus is ook nu bezig in de dingen Zijns Vaders. Zijn taak is Gods Kerk eenmaal in te leiden in het Vaderhuis met de vele woningen.
Krachtig was het roepingsbesef bij den twaalfjarigen Jezus. Hoe sterk is Hij, die nu in den hemel gezeten is, zich bewust van Zijne veelomvattende taak!
Gelukkig, wanneer wij, bewust van onze onmacht en schuld, ons leeren vastklemmen aan Hem, Wiens spijze is den wil Zijns Vaders te volbrengen!
Jezus' woord zij en blijve het ideaal voor de Kerk des Heeren.
Als Hij op twaalfjarigen leeftijd zich geroepen wist Gods werk te werken, moet een ieder die Zijn navolger wenscht te zijn, dit woord tot het zijne maken.
Natuurlijk kan dit nooit geschieden door eigen kracht. Alleen, wanneer wij door inplanting in Christus, Zijn leven deelachtig worden, is er sprake van een zijn in de dingen Gods.
Niet eigen dingen mogen gezocht worden. Gods kind zal moeten leeren zichzelf met al het zijne kwijt te raken. Dan pas is er sprake van een zijn in de dingen Gods. Het leven van Gods kind zij in hoogere sfeer, in de sfeer des hemels.
Zijn in de dingen Gods beteekent: een afsterven van de zonde; een volgen van Jezus tot in den dood des kruises.
Zijn in de dingen Gods beteekent een zalige omgang en gemeenschap met den hoogen God.
Zijn in de dingen Gods beteekent een openbaring der goddelijke liefde in het midden van een wereld, die verzonken ligt in de sfeer van grenzenloozen haat.
De vraag van Jezus strekke tot navolging! Zij Gods Kerk slechts doordrongen van het feit, dat dit woord pas volmaakt vervuld wordt hierboven. In den tempel op den Hemelschen Sion zullen Gods kinderen Jezus' beeld gelijkvormig zijn. In hun juichen met eeuwigen jubel zullen zij openbaren: te zijn in de dingen huns Vaders.
Een machtig woord der Schrift hield onze aandacht bezig.
Wekke de overdenking daarvan beschaming!
Biede deze tevens rijke vertroosting.
Prikkele ze ook tot rechte betrachting en navolging !
De kracht van Jezus' uitspraak ligt in het kleine woord: mijn.
Dat is de zenuw van dezen tekst. Door het innig-beleefde zielscontact tusschen Hem en Zijn Vader was Zijn roepingsbesef zoo krachtig.
Versta het, o kind Gods, dat in het „mijnen Gods" niet slechts uw zieleweelde, maar ook de diepgevoelde roeping van uw levenstaak ligt.
Rotterdam                                               J. DE BRUIN
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's