De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

15 minuten leestijd

Geestelijke stroomingen (9) - Gereformeerde prediking

Geestelijke stroomingen
Wij kunnen betrekkelijk rustig de triumfen van het Boeddhisme, waarvan 't hoogtepunt, naar we meenen, achter ons ligt, gadeslaan. Want wij weten als christenen, dat de Heere regeert en dat Zijn Woord bestaat tot in eeuwigheid; dat alle leugen-en dwaalleer die Waarheid Gods niet zal kunnen te niet maken; dat naast en boven den Naam van onzen Heiland en Zaligmaker geen andere naam gesteld kan worden, met eenig succes tot overwinninig.
Dat neemt echter niet weg, dat vooral in onze dagen, waar de Schriftkennis zoo gering is en men veelal afgaat op mooie woorden en leeft bij gevoelsaandoeningen, heel veel schade onder de menschen kan worden aangericht met allerlei schijn-schoone philosophische redeneeringen en het is gebiedende eisch, om het licht der Heilige Schrift te laten schijnen over wat aan de markt wordt gebracht als kostelijke kleinoodiën, die intusschen niets waard zijn, vol leugen en bedrog.
Laat ons daarom in dit slotartikel nog eens kort de leeringen van het Boeddhisme en de leer der H. Schrift naast elkaar leggen, om ze hier en daar met elkander te vergelijken, 't Kan z'n nut hebben tot beter begrip van een en ander en tot waardeering van 't geen het Christendom belijdt en tot verwerping van wat, uit het Oosten, als oud-heidensche schatten nu hier en daar worden rondgedragen.
In het Boeddhisme vinden we als leeringen: Een persoonlijk God is er niet; van schepping en Godsregeering weet het niet; werelden ontstaan en werelden vergaan; alle leven is lijden en alle nieuw leven is nieuw lijden; door reïncarnatie komt de mensch telkens weer in het leven, dat heden is; niet God regeert, maar de causaliteitswet: 't een is het noodzakelijk gevolg van het ander, 't kwade brengt kwaad mee, 't goede heeft het goede tot gevolg; en nu is het hoogste kwaad om te leven, 't hoogste goed is om van alle begeerte verlost te worden en opgenomen te worden in het eeuwig niet-zijn, in het Nirwana; het eeuwig onbegrensde, waarvan nader geen positieve beschrijving mogelijk is.
Geen God, die wonderen doet, die volmaakt wijs en goed is, volkomen zelfbewust het lot der wereld regelt, het pad der menschen afbakent en stuurt; die zorgt voor al wat leeft en voorziet in al het noodige. Geen God en Vader van onzen Heere Jezus Ohristus, die in Zijnen lieven Zoon een volkomen Zaligmaker gaf, opdat een iegelijk die in Hem gelooft het eeuwige leven zal beërven. Geen Vader in den hemel, die met teedere zorg waakt over Zijn kinderen; die al het schepsel alzóó in Zijn hand heeft, dat het tegen Zijnen wil zich noch roeren noch bewegen kan; die al 't kwaad van de Zijnen kan weren en alles voor hen ten beste keert.
Slechts noodlot kent de Boeddhist; een zedelijke wereldorde, zonder een persoonlijk wetgever. Alles rolt als een kluwen af tot den laatsten draad, waarbij de mensch kwaad en ellende over zich haalt door zijn begeeren naar 't leven en waarbij de mensch verlost wordt als hij zóóver in kennis is opgeklommen dat hij los van het leven is geworden, om begeerloos in te gaan in de eeuwige vergetelheid van het Nirwana. De mensch is slechts een schakel van het geheel; om straks te verdwijnen en plaats te maken voor anderen. En de leer van het Karma is de leer van het moeten en zijn; van 't worden en vergaan. „'Heeft" — zoo zegt de Boeddhistische Catechismus — „onze verdienste de overhand, dan worden wij in een hoogere orde van wezens of als mensch onder gunstige omstandigheden wedergeboren; maar hebben wij zware schuld op ons geladen, dan is het noodwendig gevolg eene wedergeboorte in lageren vorm en rijk aan lijden".
Zoo is „het Karma" (de Boeddhistische grond-leerregel) het vaste en blijvende element in de wereld der vergankelijkheid: het eene komt voort uit het andere; 't is worden en vergaan. Het is eenerzijds God en schepper van den mensch, want het maakt alles zooals het wordt; anderzijds is het schepping van den mensch, want het wordt, zooals de mensch het wil.
Daarbij is het Nirwana — de Boeddhistische „hemel", een eeuwig negatief iets; een toestand van niet-zijn, grenzeloos en zonder beschrijving; héél iets anders dan de hemel, waarvan de christen spreekt, waar het zalig leven zijn zal om altijd bij God te wezen en vervuld te worden met het hoogste goed.
Van een vloek en van lijden, dat in 't wereldleven is ingekomen door de zonde en waarvan verlossing is in Christus, weet de Boeddhist niet. Van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal, ook niet.
Dat al het lijden tot heiliging en zaligheid moet medewerken, met een roemen in de verdrukking, zooals de ware christen dat kent, weet de Boeddhist niet. Die weet alleen, dat de mensch heel zijn leven onderworpen is aan lijden, zorg, moeite, koude, hitte, slangenbeet, krankheid, enz., waarbij de mensch nooit tevreden, nooit gelukkig kan zijn, dan wanneer hij zóó van het leven losgemaakt wordt, dat hij wegzinkt of wegdampt in het eeuwig niet-zijn.
Oorspronkelijk krachtig en vol levensmoed zijn de Indische volkeren in het vochtige en heete, door de natuur rijk gezegende, tropenland langzamerhand weggezonken in verzadigde rust en in traag genieten, en zich afkeerend van den arbeid drukte 't leed van 't kastenwezen en kwam het doodend stelsel van het Brahmanisme alle veerkracht en levenslust wegnemen. Dat werd de voedingsbodem voor de leeringen van den Boeddha, den Verlichte, die sprak van leven is lijden en die verkondigde, dat de verlossing is: om bevrijd te worden van alle en elke begeerte naar leven. De levensdrang zelf, zoo leerde hij, is slecht; en het hoogste heil is de vernietiging van den wil om te leven. De uitblussching van het leven in het Nirwana is de eenig veilige haven waar rust is te vinden.
De liefdesband tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, kent de Boeddhist eigenlijk niet. 't Is geen goede daad. En wel zijn er regels, dat de kinderen de ouders moeten eeren, maar alleen omdat zij hen gevoed hebben. En Boeddha verliet trouweloos zijn jonge vrouw en jeugdig kind; 'n voorbeeld gevend voor allen, die „boeddha" of verlicht, wijs, willen worden!
Boeddha's godsdienst is dus egoïsme: het leven is lijden en nu moet alles gedaan worden om van het lijden verlost te worden, wat een egoïstischen trek brengt in den godsdienst van den Boeddhist. Het „ik" staat in het middelpunt bij alles en 't gaat alles om het „ik" verlost te krijgen van de keten der wedergeboorte, d.i. om niet weer in het leven terug te moeten keeren; maar óp te gaan in het Nirwana.
Medelijden heeft de Boeddhist met al de lijders, die tobben onder den last van het leed. De weg van verlossing is, er boven verheven te raken, het onverschillig te dragen en af te sterven aan alle begeerte om te leven. Zooals de lamp uitgaat als er geen olie meer bijgegoten wordt, zoo gaat de mensch op in het Nirwâna, als hij van alle gevoel voor en alle begeerte naar het leven bevrijd is geworden. Het leven is maar schijn, en het hoogste is op te gaan in 't Nirwana.
Bij het Boeddhisme is de mensch dus zijn eigen God; hij moet voor zichzelf zorgen; heeft alles in eigen hand; is ook z'n eigen verlosser — en zonder idealen voor het leven te hebben, is voor den Boeddhist het hoogste goed om zich weg te mediteeren naar het eeuwig grenzenloos niet-zijin.
Hoe héél anders is het leven, de strijd, het ideaal van den christen!
„Want het leven is mij Christus en het sterven gewin" (Filip. 1 : 21).
„Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden" (Rom. 8 : 28).
„Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag" (2 Cor. 4 : 8—10, 16).
Helden, geloofshelden als ons in Hebr. 11 geteekend worden „die door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen hebben", kent het Boeddhisme niet.
Boeddha troost den ongelukkigen mensch, die zat van het leven is, met de vernietiging des levens; maar Christus troost den armen en den om zijne zonde treurenden zondaar met Zichzelf, met Zijn aangebracht heil en geeft hem den vollen vrede en het eeuwige leven, in den weg des geloofs. Hij doet den levensroep hooren op het kerkhof dezes levens: „Ik ben de opstanding en het leven, die in Mij gelooft, zal leven" (Joh. 11 : 25). Door de tranen heen kan de christen roemen: „De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken"; en: „de dood en de hel zijn overwonnen" — en: „God zal mij opnemen in Zijne heerlijkheid". Terwijl van den Boeddhist geldt: „geen hoop hebbende en zonder God in de wereld" (Ef. 2: 12); niets bezittend dan; zelfverlossing, met een toekomst die slechts mist en nevel Is.
Het Boelddhisme is een godsdienst zonder God, zonder Middelaar en Schuld verzoener, zonder gebed. De Boeddhist verheft zichzelf in de plaats van God en wordt ook straks een soort god. 't Is een godsdienst, waarbij de mensch het middelpunt is en blijft; liefde tot zichzelf drijft alles.
De liefde, de verdraagzaamheid, het medelijden — is ten slotte onverschilligheid voor het leven; het wil niets vasthouden wat de verlossing uit het leven zou kunnen tegenstaan; het bemoeit zich liefst nergens mee, dat eenige levenskracht en levensenergie kan opwekken. Zich wreken, haat koesteren, vergelding enz. laat men glippen, om niet aan 't leven te blijven hangen. Men wil nergens door opgehouden worden op den weg naar het Nirwâna. „Tegen allen die mij smart aandoen of die mij vreugde bereiden, ben ik even gelijk gezind", sprak een Boeddhist. „Toegenegenheid en haat ken ik niet. In vreugde en in leed, in eer en in oneer, ben ik ongevoelig; overal ben ik gelijk".
Het einddoel voor den Boeddhist is niet het goede, maar boven goed en kwaad verheven te mogen zijn! Het doel is niet iets schoons te bereiken, maar om: bevrijd te worden van een waardeloos iets, d.i. het leven. En hierin heeft de Boeddhist niemand liever dan zichzelf; hij doet alles, om zelf eeuwig uit het leven te mogen verdwijnen en wenscht dat anderen toe.
Kan de mensch het hoogste doel niet bereiken, n.l. om te komen tot die wijsheid, om niets meer te begeeren, te midden van de huiselijke verhoudingen, dan moet hij zich van een deel van zijn bezit ontdoen, een kring van zijne verwanten verlaten, zich het haar en den baard afscheren, zich met oranje-gekleurde kleederen bedekken en in den monnikenstand gaan. Dan moet hij daar een vrijwillig beperkt leven leiden naar de regels van de orde der geheiligden. Daar omgeeft hem heiligheid in woorden en daden; daar wordt hij zich met volkomen reine spijzen; daar is zijn gedrag goed; daar zijn de poorten zijner zinnen wèlbewaard; daar kan hij zich gelukkig gevoelen.
Zoo is het Boeddhisme oorspronkeiijk ook een monnikengodsdienst. De monniken speenden zich vrijwillig van alle bezit, van het huwelijk en van een vaste woonplaats. Hun vrouw noemden zij hunne voormalige vrouw. Hun brood bedelden zij. Zij mochten geen werk doen. Behalve den dagelijkschen bedeltocht bestonden hunne werkzaamheden in geestelijke oefeningen, in de studie en in het afschrijven van heilige boeken.
Het Christendom is van andere gevoelens en neemt tegen deze leer, die het leven veracht en doet ontvluchten, positie. De christelijke ethiek staat vierkant tegenover de leer van Boeddha. Het Christendom treedt niet vijandig tegen de wereld op en vermengt zich ook niet met haar; het haat haar noch vergoodt haar; is daarom noch onzijdig optimistisch, noch eenzijdig pessimistisch; 't heeft een goddelijke taak om te zijn een lichtend licht en een zoutend zout, daarbij, op grond van de verlossing in Christus aan den geloovige in den mond leggend: „Alles is uwe" (1 Cor. 3 : 21).
Heerlijk steekt boven Boeddha uit de Christus Gods, die in Nazareth's Synagoge sprak: „De Geest des Heeren is op mij, daarom heeft Hij mij gezalfd; Hij heeft mij gezonden om den armen het evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van harte; om den gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezicht, om de verslagenen henen te zenden in de vrijheid; om te prediken, het aangename jaar des Heeren". (Lucas 4 : 18, 19).
Wat velen in de armen van het Boeddhisme drijft is de algemeene afval van God, de breuke met 't historisch Christendom, de zelfoverschatting van den mensch en het neerdrukkend gevoel van ellende en smart, waaruit men zichzelf niet kan bevrijden. En dan werpt men zich op Boeddhisme, Theosophie, Spiritisme enz. enz., inplaats dat men luistert naar de stemme van den Heiland, die spreekt van des menschen verlorenheid en vloek, van zijn zonde en schuld, om dan te zeggen: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven".
Voor Gods zaak behoeven we niet te vreezen en Jezus Christus is een eeuwig Koning.
Zalig, die niet op dwaalwegen wandelt, maar Jezus' discipel mag zijn, belijdende: Heere, tot wien zouden we anders henengaan, dan tot U; Gij hebt de woorden des eeuwigen levens!

Gereformeerde prediking.
Wij hebben onlangs een stukje, uitknipsel uit „Het Handelslad", overgenomen op verzoek van een die in onzen Bond belang stelt, in welk courantenbericht werd melding gemaakt van een zonderlinge preek, die twee uur en drie kwartier geduurd heeft en gehouden is geworden in een niet genoemde gemeente van ons Vaderland. Er werd bijgevoegd — en daar was het ons natuurlijk voor een groot deel om te doen — dat die zonderling en lang preekende dominé er een „van den Gereformeerden Bond was".
Wij konden niet gelooven, dat het bericht heelemaal juist was; wel ietwat overdreven en aangedikt wellicht; waarbij we te kennen gaven, dat zeker geen van de Gereformeerde Bonds dominé's gewoon is om zóó te preeken!
Op onze vragen: zijn er zoo? en zoo ja, zou men dan man en paard willen noemen? hebben wij geen antwoord ontvangen, daar „Het Handelsblad'", voor zoover wij weten, er niet op ingegaan is. Maar onderscheidene brieven hebben ons toch wel op de hoogte gesteld. En dan is het nu wel duidelijk, dat door den correspondent van „Het Handelsblad", misschien wel een dominé gedoeld is op ds. Koster, van Montfoort, die te Eemnes-Binnen op uitnoodiging van voorstanders der Gereform. Waarheid in de Ned. Hervormde Kerk aldaar, een beurt heeft vervuld.
De getuigenissen in de verschillende brieven, ons geschreven, zijn wel wat verschillend. Maar in de hoofdzaak zijn ze 't zonder onderscheid ééns. Ds. Koster heeft werkelijk twee uur en drie kwartier, van 's avonds 7 tot kwart vóór 10, gepreekt en heeft den trein daardoor gemist. Wij voor ons vinden dat preeken van twee uur en drie kwartier buiten de perken. Noch de prediker noch de hoorders kunnen dat verwerken. En het is een gewoon verschijnsel, dat de lengte van een preek niet evenredig is aan den inhoud.
Daarom zouden wij wel den vriendelijken raad willen geven aan alle dominé's: doe zulke dingen niet; maar laat ook dit met orde en met verstand geschieden.
Wat vorm en inhoud van de preek betreft geven de schrijvers van de brieven — die allen de Gereformeerde Waarheid liefhebben en ook ds. Koster gaarne de hand boven 't hoofd houden — óók éénerlei getuigenis. Tekstkeuze en onderwerp gaven aanleiding tot sommige zonderlnige uitdrukkingen en voorstellingen. Gesproken werd over 1 Kon. 3: 16—28, en dus over Salomo's eerste recht, waarbij over de twee vrouwen gesproken werd als over hoeren, enz. „Ds. K. gaf wel enige uitdrukkingen van den kansel, die nu niet alle dagen worden gebezigd", schrijft een. „Ds. K. is in zijn preeken zeer lijdelijk; en met andere kerkgangers was ik het eens, dat het niet gezond-Gereformeerd was; het onderwerp, zooals het behandeld werd, kon onze algeheele goedkeuring niet wegdragen. Ds. K. behandelde de twee vrouwen die met het levende en met het doode kind voor Salomo kwamen, als de Kerk met den levenden Christus en als den ouden Adam, waarbij geschetst werd, dat veel wereldlingen met een gestolen Jezus rondloopen enz.; een waarheid, die wel wat zonderling en m.i. onschriftuurlijk behandeld werd". Dezelfde briefschrijver voegt er aan toe: „Het viel mij bij het leezen van uw artikel op, hoe de menschen er aanstonds bij zijn om van den Gereformeerden Bond te zeggen, dat die het gedaan heeft; want hoe de zaak overigens staat, ik meen te weten, dat ds. Koster niét eens lid van den Gereformeerden Bond is; toch krijgt de Bond de schuld !"
Zoo is het.
Natuurlijk spijt het ons, wie de dominé ook is, of hij van de Hervormde, van de Gereformeerde of van de Christelijk Gereformeerde Kerk is, als de prediker zich gaat toeleggen op allerlei vreemde voorstellingen en zonderlinge woorden; op een valsche lijdelijkheids-leer en op schriftuurlijke beschouwingen. De Schrift is toch veel te rijk en veel te heerlijk om tot zulke dingen onze toevlucht te nemen.
En daarom, wie het is, die is het, maar die z'n kracht gaat zoeken in preeken van twee uur en drie kwartier en in allerlei sterksprekende voorstellingen, met gansch eigenaardige woordkeus, die is er geheel en al naast en heeft wel toe te zien, dat de Gereformeerde Waarheid daardoor niet mee bespot wordt en allerlei leeringen worden ingevoeld, die toch niet tot de gezonde. Schriftuurlijke leer kunnen en mogen gerekend worden.
Gelukkig dat wij wat de opleiding van onze aanstaande herders en leeraars betreft, nu, door de bizondere colleges van prof. Visscher te Utrecht weer een stapje verder in de goede richting zijn gekomen. Want van die opleiding aan de Hoogeschool hangt toch zooveel af! Als die slecht is, dan groeit het zoo makkelijk scheef bij de dominé's, vooral als ze aanleg hebben tot een eigenaardige manier van preeken, wat de menschen — althans sommigen — wel mooi vinden, maar toch inderdaad beneden het behoorlijk peil is dan. Daarom achten wij het een groot voorrecht, dat wij een betere opleiding hebben gekregen en wij hopen, dat het, onder den zegen Gods, velen nog tot voordeel mag zijn, straks ook menige gemeente tot heil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's