Stichtelijke overdenking.
Die man
''Toen zeide Nathan tot David: gij zijt die man". 2 Samuël 12: 7a.
Die man.
Een zwarte bladzijde in het leven van David, hetgeen ons in 2 Samuel 11 en 12 wordt meegedeeld.
Hij, de man naar God's harte — een doodslager. Hij, de door den Heere tot koning gezalfde — een overspeler.
Deze ontzettende geschiedenis lezende, zijn we geneigd uit te roepen: Hoe is dat mogelijk?
Hoe dat mogelijk is? Och, het is de oude geschiedenis, die altijd weer nieuw is. Zoo iets wordt een mensch niet ineens, 't Gaat alles geleidelijk. Maar als het ook eenmaal aan het gaan is, dan wordt het een hellend vlak, waar geen tegenhouden meer aan is.
Dat hellend vlak nam bij David een aanvang met zijn ledig zijn, zijn thuis zitten. En de wereld weet al dat zulks zoo verkeerd kan werken, 't welk zij heeft vastgelegd in het bekende spreekwoord: ledigheid is des duivels oorkussen.
Geen arbeid, geen inspanning van lichaam en geest tot hetgeen nuttig en eerbaar is, ledigheid waarvan toch vervulling gezocht wordt. En als dan de mensch met zijn tijd geen raad weet, dan weet de duivel er wel raad mee, en hij wordt als een welkome raadgever ontvangen. En dan begint het afglijden op het afhellend vlak der zonde. Zie het bij David: zien, begeeren, overspel, moord. Van het schijnbaar onschuldige tot het meest ontzettende: een moord begaan om een vrouw te kunnen bezitten. Daar komt het zoo duidelijk naar voren: „Wie de zonde doet, is een dienstknecht der zonde".
Maar, zal iemand zeggen, David behoorde toch tot het volk des Heeren? Hoe is het dan toch mogelijk dat hij tot dit ontzettend kwaad gekomen is?
Ach, mijn lezer, wat is het volk des Heeren? Zijn het dan geen menschen? Staan zij niet even goed, ja, duizendmaal meer dan onbekeerden, bloot aan de aanvallen van den Booze en de listige omleidingen des duivels? Staat er dan tevergeefs geschreven: „doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels"? Zeide de Heere Jezus niet zoo ernstig waarschuwend tot Zijne discipelen, begenadigden: „Simon, Simon, de Satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe"?
Ja, als de Heere hen niet bewaart, komen ook zij nog tot de zwaarste overtredingen. Wanneer zij een oogenblik aan zichzelf worden overgelaten, dan vallen zij in de zonde. Dan komen ze er toe zwaar en menigmaal te overtreden tegen dien Heere, aan Wien ze alles verschuldigd zijn. Tot David zal straks de Heere door den mond van den profeet Nathan spreken: „Ik heb u tot koning gazalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered, en Ik heb u uws heeren huis gegeven, ja Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven".
Is dat weinig? En moet dat vele goede aldus beantwoord worden? Gezalfd, gegeven, gered, dat kan de Heere immers nog spreken tot al de Zijnen. Maar alle goede gaven, ja volmaakte giften, veelal beantwoord met ondankbaarheid; was het nog maar alleen ondankbaarbeid. Neen, beantwoord met zonden en overtredingen.
Hoe vreeselijk voor hen zelf. Maar ook wat een smaad en oneer voor den Naam des Heeren.
Maar helaas, daar is geen verootmoediging, geen vernedering, geen zelfaanklacht, geen roepen, geen smeeken en bedelen om genade. O neen, geen denken aan. Het doel der zonde moet bereikt. Als Uria gedood is, dan lezen we dat David eerst nog wacht tot voor Bathseba de rouw was overgegaan; maar toen zond bij heen en nam haar in zijn huis.
Er wordt nog wel gevraagd: Wat zouden de menschen er van zeggen: Hoe oneerbaar, niet eerst de dagen van den rouw afwachten. Maar wat de Heere er van zegt, Hij, Wiens oog over alles gaat, neen, daar wordt niet naar gevraagd. Daar moet eerst van 's Heeren wege een boodschap komen tot den overtreder om oog en hart te openen voor de grootheid der zonde en schuld.
Die boodschap komt tot David. De Heere zendt Nathan tot hem. En de gelijkenis die deze voor de ooren van David uitspreekt, spreekt voor zichzelve. Een rijke man had vele schapen en runderen. En een arme man had slechts een eenig klein ooilam. Toen ontstal de rijke man het ooilam aan den armen man en doodde het.
Geen wonder dat David in toorn ontstak en hij zeide tot Nathan: „Zoo waarachtig als de Heere leeft, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods".
Of David onder het spreken van Nathan reeds begreep, waar deze heen wilde? We weten het niet; het staat er niet bij. Maar in elk geval heeft dan toch zijn arglistig hart spoedig een middel gevonden om dit onaangenaam denkbeeld te doen wijken en de beschuldigende stem te doen zwijgen. Juist de toorn, die schijnbaar zoo heilig is, zijn toorn tegen den meedoogenloozen rijke, wijst hem den weg tot de vlucht, voor zich zelven.
O ja, hij ontstak in toorn, maar die toorn kan juist zoo goed dienst doen om zichzelf met zijn eigen booze gruwelstukken er achter te verbergen.
Wat kan in het algemeen iemand gemakkelijk rechter zijn over anderen. Laat maar eens een of ander boos gerucht over een persoon de ronde doen. Dan wordt de vermeende overtreding o zoo breed uitgemeten. Schande wordt er over uitgeroepen. 't Zelfde als het woord van den moordenaar-overspeler David: de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods.
Of laat eens een moordenaar gegrepen worden en voor den rechter geleid en er afkomen met tien of twaalf jaren gevangenisstraf. Wat kan men dan in toorn ontsteken en verontwaardigd uitroepen: ze moesten veel zwaarder gestraft worden, 't moest levenslang, 't moest de doodstraf zijn. 't Zelfde als het woord van den moordenaar-overspeler David: de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods.
Of laten we eens lezen alles wat men den Heere Jezus heeft aangedaan in Zijn verraad, verloochening, lijden en sterven. O, als men daar eens bij tegenwoordig geweest was, die huichelaars, die moordenaars! 't Zelfde als 't woord van den moordenaar-overspeler David: de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods.
De weegschaal der gerechtigheid is zoo spoedig ter hand genomen en het vernietigend vonnis is zoo gemakkelijk uit te spreken.
Maar de boodschap in den Naam des Heeren is nog niet ten volle gebracht. „Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man".
Die enkele woordjes maken alles ineens anders. In dat oogenblik zal David den grond onder zijne voeten hebben voelen wegzinken. Want wat blijft er nog over voor een man Gods, voor een gezalfde des Heeren, wanneer zijn eer, zijn deugd, zijn gerechtigheid, zijn vroomheid in het heilige vuur Gods eensklaps verbranden en vergaan?
„Gij zijt die man". Daarin bestaat het geheele vonnis. Alles wat Nathan verder zegt is slechts uitbreiding van dit vreeselijk vonnis, is slechts de aankondighig van den vloek, die op het misdrijf volgt.
„Gij zijt die man ". Nu dringt het door tot in zijne ziel, want straks roept hij het uit: Ik heb gezondigd tegen den Heere.
Nu is hij gelijk aan dien rijke, die het ooilam van den arme gedood heeft. O, neen, veel slechter, veel boozer, veel goddeloozer. Hij heeft geen dier ontstolen, maar een mensch; hij heeft geen dier gedood, maar zijn medeschepsel.
Dat heeft hij gedaan. Hij is die man. En als hij zelf reeds het doodvonnis heeft uitgeroepen over dien rijke, wat moet dan met hem zelf wel gebeuren, aan zooveel zwaardere zonden schuldig?
Ontzettend, als ons zoo onze zonden voor oogen gehouden worden. En toch, gelukkig die mensch, wien dat van des Heeren wege ten deel valt.
Gelukkig die dat „gij zijt die man", als een persoonlijke toespraak van God tot de ziel heeft vernomen.
Ontzettend dat vonnis en toch heilzaam, want het kan in den weg der bekeering straks leiden tot de schuldverzoening in Jezus Christus.
Want zal het daartoe komen, dan moet de hoogmoed des harten gebroken worden, dan moet de mensch sterven aan zijn eigengerechtigheid en waanwijsheid. Dan moet het „de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods", worden toegepast op zichzelf.
Dan moet het Woord des Heeren: „gij zijt die man" toestemmend worden beantwoord en leiden tot de betuiging des harten: ik heb gezondigd tegen den Heere.
Maar daar is wat toe nodig, aleer het zoover komt. Over een ander het vonnis uitspreken, we hoorden 't reeds, dat is zoo spoedig gebeurd, maar nu over onszelf. Gij, zegt Nathan, gij zijt die man.
Den Heere is smaadheid aangedaan. Ook door u, gij zijt die man.
Alle geboden des Heeren overtreden. Ook door u, gij zijt die man.
Ook door u, gij zijt die man. De Zone Gods, Jezus Christus aan het kruis genageld. Ook door u, gij zijt die man. De man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods. Ook gij, gij zijt die man.
Bange worsteling der ziel. Dat alles te moeten hooren en toestemmen. Want er is geen ontkennen aan.
O ja, een algemeen praten over de zonden, ook nog wel over eigen zonden, dat is zoo gemakkelijk. Maar als van 's Heeren wege de boodschap komt: gij zijt die man en de nadruk wordt gelegd op dat gij, dan is het meer dan een praten over de zonde en door al dat praten die zonden eigenlijk nog willende wegdoezelen, dan wordt het een kennen van de zonde in al haar grootheid.
Dan is het niet eens meer de vraag der discipelen: „Heere, ben ik het?" Maar dan is het: Heere, ik ben die man, ik ben in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren.
„Ik heb tegen U, o Heer, zwaar en menigmaal misdreven".
Bange toestand der ziel, dat bij aanvang of bij vernieuwing leeren kennen hoe groot onze zonde en ellende is, door den Geest der ontdekking met die vreeselijke boodschap: gij zijt die man.
Hopeloos, indien er niet was een andere Man. Een „Man van Smarten", die door Zijn lijden en sterven de eenige toevlucht is geworden voor menschenzielen. Zalig als de Heilige Geest de ontdekte ziel Jezus Christus wil tegemoet voeren. Als dan de vraag van het geprangde hart is: Is er eenig middel om de straf te ontgaan en weder tot genade te komen; wie zal redden, verlossen, behouden uit zoo grooten nood? Dan is het antwoord der ziel zelve, zij het ook „staande van verre": Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Dan wordt het weer: „Gij zijt die Man". Maar nu in omgekeerden zin dan zooeven. Straks was het 't woord van den beschuldiger tegenover den zondaar. — Nu het woord van den zondaar tot den eenigen Behouder.
Straks was het om te leiden tot zelfbeschuldiging en vernedering en verootmoediging. — Nu om in te roepen genade en erbarming.
Straks tot de ziel om te overtuigen van zonde. — Nu uitgaande van de ziel om verlost en verzoend te worden van de schuld.
Zalig, als die Man ten slotte aanneemt in ontferming en de zonden, al waren ze rood als karmozijn, maakt als witte wol; al waren ze rood als scharlaken, maakt wit als de sneeuw.
„Gods offers zijn een gansch verbroken geest,
Door schuIdbesef getroffen, en verslagen
Dit offer kan Uw heilig oog behagen;
't Is nooit, o God! van U veracht geweest".
Lexmond. GOVERTS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's