Staat en Maatschappij.
Nog erger gemaakt - De Plaatselijke Keuze
Nog erger gemaakt.
Eindelijk heeft de redactie van „Staat en Kerk", het orgaan van de Herv. (Geref.) Staatspartij, haar stilzwijgen verbroken en zich ten aanzien van onze beschuldiging van 5 December van vervalsching met betrekking tot een citaat uit de N. R. Crt. verantwoord.
Zes weken lang heeft het blad op onze aanklacht taal noch teeken laten hooren, totdat het opeens in het nummer van 16 Januari op hoogen toon de verdediging ter hand neemt.
Onze lezers zullen zich de kwestie, waarover het loopt, herinneren.
De redactie van „Staat en Kerk" nam in het nummer van 5 December 1924 een stuk uit de N. R. Crt. ter zake van eene redevoering van mr. Rutgers over, waaruit een belangrijke zinsnede was weggelaten.
Over deze vervalsching van een citaat spraken wij destijds onze afkeuring en tevens onze verontwaardiging uit.
Van eene redactie, onder leiding van ds. Gravemeijer van Amsterdam, die in den titel van zijn blad verwijst naar „de Wet en de Getuigenis", hadden wij zulk een handelwiize niet verwacht.
Het is intusschen wel merkwaardig, dat het stuk in „Staat en Kerk" van 5 December 1924 ongeteekend was opgenomen, terwijl thans de verdediging in het blad van 16 Januari de letters draagt van X te IJ.
Daaruit blijkt, dat de redactie van het orgaan de vervalsching van het citaat niet voor hare rekening heeft willen nemen en den schrijver verplicht heeft voor de vervalsching eigen verantwoordelijkheid te dragen.
Maar daarmede kan de hoofdredacteur van „Staat en Kerk" eigen positie niet redden.
Doch dit in het voorbijgaan.
Zooals wij reeds zeiden, voert X. zijn verdediging op hoogen toon. Hij speelt daarbij „de vermoorde onschuld".
De schrijver protesteert en zegt dan:
Van vervalsching is geen sprake. Uit de rede is niets „verdonkeremaand", om aan de lezers een „belangrijk punt uit de lijst van verdiensten" te onthouden. Wij laten ons door „ De Waarheidsvriend" niet voor-dicteeren, hoe lang een citaat moet zijn.
Ge hebt gelijk, mijnheer X., doch U een dergelijken eisch, welken wij lieten cursiveeren, te stellen, daaraan denkt „De Waarheidsvriend" niet. Hij wil U niet voor-dicteeren, wat U doen of laten moogt. U zijt daarin geheel vrij.
Maar wat „De Waarheidsvriend" wèl van U moet eischen, is, dat wanneer U een citaat gebruikt — groot of klein, al naar Uw believen — ge uit dit Citaat — want anders is het geen citaat meer en moogt ge het als zoodanig niet gebruiken — niet stiekum een zin weglaten. En dat deedt ge! Tegen deze onwaardige handeling ging onze aanklacht.
En daarvoor hadt ge Uw verontschuldiging moeten aanbieden.
Echter maakt U het thans nog erger.
Zal ds. Gravemeijer zich thans gaan uitspreken over de handelwijze van zijn medewerker in „Staat en Kerk"?
Wij wachten dit met groote belangsteling af.
De Plaatselijke Keuze.
Het doet ons leed, dat het voorstel-Rutgers terzake van de Plaatselijke Keuze geen meerderheid in de Eerste Kamer heeft kunnen vinden.
Hadden de vijf Christelijk Historische leden anders gestemd, dan zou het op zoo eminente wijze verdedigde voorstel in veilige haven zijn binnengebracht.
Het ging bij deze tegenstemmers — en misschien waren ook andere Eerste Kamerleden van éénzelfde gevoelen — ditmaal niet tegen den inhoud van het voorstel, maar de verwerping werd uitsluitend veroorzaakt om formeele redenen, buiten het ontwerp gelegen.
Dit nu valt dubbel te betreuren.
Zij, die tegen stemden, achtten het ontoelaatbaar dat binnen zoo korten tijd na een vroegere verwerping, de Eerste Kamer opnieuw voor het voorstel werd geplaatst.
Men zag daarin een blijk van gebrek aan eerbied voor dit Hooge College.
Ons lijkt, dat het toegeven aan overgevoeligheid door deze leden van de Eerste Kamer niet te verantwoorden is.
Eerstens, omdat voor het bezwaar, dat bij monde van den heer de Vos van Steenwijk, mede namens zijne politieke vrienden werd ontwikkeld, geen grond aanwezig was, wijl er sinds het tijdstip waarop de laatste maal een dergelijk voorstel betreffende de Plaatselijke Keuze in de Eerste Kamer aanhangig was, er groote verandering in de samenstelling van dat college had plaats gevonden.
Tengevolge van de verkiezing van de Eerste Kamerleden op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging, was deze tak van de volksvertegenwoordiiging zelfs geheel vernieuwd.
En in de tweede plaats om het groote belang van de zaak zelve: de mogelijkheid van het bestrijden van de drankzonde. Door het verwerpen van het voorstel-Rutgers triumfeerden de mannen van den drankhandd, die hun uiterste krachten hadden ingespannen om de overwinning te behalen op hen, die den strijd hebben aangebonden om de drankellende tegen te gaan.
Niet minder dan 945 Christelijke Arbeidersorganisaties, 1525 Kerkeraden, 845 Christelijke Jongemannenvereenigingen en 474 rechtsche Kiesvereenigingen, om van andere corporaties nog niet te spreken, hadden adhaesie aan het voorstel-Rutgers betuigd.
En dan te moeten ervaren, dat het voorstel tengevolge van de hoogheid van den Senaat werd verworpen, stemt inderdaad droevig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's