De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing

1 Timotheüs (36)

5 minuten leestijd

1 Timotheüs 3 vers 14 en-15: Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen; maar zoo ik vertoef, opdat gij moogt weten hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid.

1 Timotheüs 3: 14 en 15
Het huis Gods, de gemeente des Ievenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. De apostel heeft dus aan Timotheüs vele voorschriften gegeven, opdat niet alleen deze, maar ook alle ambtsdragers zouden weten hoe zij zich in het huis Gods moesten gedragen. In het woordje „men" heeft de apostel het oog ook op anderen. Het huis Gods. Zoo wordt de gemeente van Efeze genoemd. Denk hierbij dus niet slechts aan het huis, waarin men vergaderde. Neen, de gemeente in haar geheel wordt hier bedoeld. Zij wordt eene woonstede Gods genoemd. Klaarblijkelijk stond hier de oude tempel van Jeruzalem den apostel voor den geest. Daarin woonde God op bijzondere wijze. Nu woont ook de Heere met Zijn Geest in Zijn volk. Zij vormen het huis Gods. Versta wèl, hier blijven wij steeds denken aan de gemeente in haar geheelheid, in haar gecompliceerd karakter. Gij moet de onderscheiding maken van onzichtbare en zichtbare zijde der Kerk, maar haar éénheid blijft, zooals die van ziel en lichaam! Zeker, gij moet evenzeer onderscheiden tusschen organisme en instituut. Alle geloovigen vormen, hoe gescheiden zij ook leven, een levend geheel, als één plant opgroeiend uit den levenden Christus. De Kerk is een orgaan. Maar zij is ook een instituut, wat betreft haar ambten, de dienst des Woords en die der Sacramenten. Dit is er onafscheidelijk aan verbonden, zooals ons lichaam aan onze ziel verbonden is. Nu stem ik toe, dat dit Schriftuurlijke Kerkbegrip zeer samengesteld is. Maar daarmede moeten wij het hier op aarde doen. Ons is het niet gegeven de scheiding te voltrekken tusschen wat den Christus is ingelijfd en wat niet door het geloof met Hem vereenigd is. Zoodra wij de samenstelling uit elkander werpen, vallen wij óf in dor kerkisme of in ziekelijk mysticisme. De Kerk, zooals de Schrift daarvan spreekt in haar gecompliceerde éénheid, heet het huis Gods, de woonstede Gods in den Geest.
Dit Schriftuurlijke kerkbegrip geeft een bemoedigende en verheffende gedachte, voor alle werkzaamheid der ambtsdragers. Stel u voor, dat zij bij zooveel werk dat zij verrichten, steeds moesten denken: nu werk ik zoo goed als altijd buiten het huis Gods, ik kom bijna altijd slechts in aanraking met onbekeerden, met menschen, die geen geestelijk leven kennen! Ja, dat is een neerdrukkende gedachte. En zij, die zich door het ziekelijke kerkbegrip laten leiden, die in hun idee de samenstelling uit elkander hebben geworpen, hebben het hiermede dan ook soms zeer moeilijk. Ik weet van ambtsdragers, die zich maar zoo weinig mogelijk in hun ambtelijk werk bemoeien met hen, die zij onbekeerd noemen. Zij doen b.v. geen huisbezoek. Niet uit traagheid, maar uit overtuiging. Zij gaan van de overtuiging uit dat „die onbekeerden" er eigenlijk niet bij behooren. Zij willen alleen maar omgaan met de ware geloovigen. Het is in sommige gemeenten zelfs zóó gesteld, dat „die onbekeerden" zelf dit goedkeuren. Als de dominé maar gedurig zijn bezoeken brengt bij enkele hoog aangeschreven geloovigen, is het al meer dan goed. Dominé is een vriend van Gods volk, zegt men dan. Maar merkt er nu op, dat dan zoowel de leeraar als de gemeente zich door een onschriftuurlijke beschouwing laten leiden en elkander daarin sterken. De doopleden en zij die belijdenis deden behooren er wel degelijk bij. Of men moet er maar over heen lezen wat de eerste vraag van het doopsformulier zegt: als lidmaten van Christus' gemeente behooren onze kinderen gedoopt te worden. M.a.w. zij behooren bij het huis Gods. Nu laat ik de vraag maar rusten of al „die onbekeerden" ook waarlijk zijn, waarvoor zij zoo gemakkelijk, als in één blik, worden aangezien. Maar een leeraar moet in het geheele huis Gods verkeeren, met de gemeente in haar geheelheid zich ijverig bemoeien. Dat behoeft hem niet neer te drukken. Daar ligt iets verheffends en bemoedigends in als wij daarin Gods Woord aan onze zijde hebben bij de gedachte: ik verkeer in het huis Gods.
Ik stem u wel toe, dat dit vasthouden aan het samengestelde karakter van het huis Gods het ons niet gemakkelijk maakt. Wij zijn er niet „klaar" mee. Het is een worstelende gedachte, een waarheid die ons moeite geeft. Zij, die, als zij het over de Kerk hebben, alleen de onzichtbare zijde bedoelen, hebben 't veel gemakkelijker, 't is bij hen al lang klaar. Zij hebben met hun voorstelling geen moeite meer. Het „ware volk" is bij hen de Kerk. En daarmede is 't uit. De anderen zijn zooveel als heidenen, „gedoopte heidenen" natuurlijk; onder hen moet slechts zendingswerk verricht worden. Deze voorstelling is op zichzelf zeer gemakkelijk en omdat de menschen over het algemeen zich niet gaarne tot denken zetten over geestelijke dingen, gaat deze beschouwing er vaak ook gretig in. Maar zetten zij zich tot nauwkeurig onderzoek der H. Sdhrift, en het is te hopen dat in onze dagen de ambtsdragers, de leidslieden, dat in het bijzonder doen, dan komt de moeilijkheid. Dan wordt ook de Schriftuurlijke gedachte over de Kerk een worstelende gedachte, die naar klaarheid en waarheid zoekt. Goed, laat ons het hiermee dan maar doen. Wij blijven heel de gemeente noemen het huis Gods. Wij halen er niet enkelen uit om te zeggen: zij zijn het. Wij laten de scheiding aan God over. En dan hebben wij de Heilige Schrift aan onze zijde, het formulier van den doop en heel de levensbeschouwing onzer Gereformeerde Vaderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's