Uit het kerkelijk leven.
Attestatie en Avondmaal - Wijziging examen Godsdienstonderwijzer - De Avondmaalsformule - DE wijze van Avondmaal vieren.
Attestatie en Avondmaal.
Ons zijn twee vragen gesteld en wel: mag iemand die in de gemeente Kleidorp woont z'n attestatie indienen in de gemeente Zandheuvel, om kerkelijk bij Zandheuvel gerekend te worden en daar kerkelijk te kunnen meeleven?
En de vraag, die er vlak naast ligt: mag iemand die in de gemeente Kleidorp woont in de naburige gemeente Zandheuvel ten Avondmaal gaan ?
Op beide vragen moeten we antwoorden: neen, dat kan en mag niet. Wanneer iemand verhuist, moet hij in de kerkelijke gemeente, waartoe hij behoort, z'n attestatie indienen. Een andere gemeente mag zoo'n attestatie niet aannemen en den naam of de namen niet inschrijven in de lidmatenregisters. Alle dingen moeten „eerlijk en met orde geschieden", zegt het kerkelijk stempel, waarmede alle kerkelijke wetten gewaarmerkt zijn!
ledere gemeente heeft een eigen huishouding en daar mag en kan niet aan getornd wonden. Iemand die binnen de kerkelijke gemeente Huizen woont, behoort niet bij Bussum en die te Vlissingen woont behoort niet bij Middelburg. Ieder mag in z'n eigen gemeente bijv. stemmen, maar niet in een andere gemeente. In eigen gemeente moet kerkelijke belasting betaald worden, in een andere gemeente kan en mag men u dan niet aanslaan.
Natuurlijk kan men iemand niet beletten in een andere gemeente te kerken. lemand die in Delfshaven woont, kan in kerkelijk Rotterdam, de godsdienstoefeningen bijwonen en omgekeerd. Maar in Rotterdam kan en mag zoo iemand niet als lid der gemeente beschouwd worden, wat b.v. bij stemlijst opmaken of plaatsen verhuren (als dat voor gemeenteleden is) in aanmerking moet worden genomen.
Dus wel kerken in een andere gemeente; dat kan niemand beletten; hoewel het — alle bizondere omstandigheden nu eens weggedacht — natuurlijk niet in de rechte lijn gaat, als iemand die te A woont, te B gaat kerken. Dat is feitelijk onordelijk en dus ongeoorloofd. Bij een gezond gereformeerd kerkelijk leven zou dat dan ook niet onopgemerkt kunnen voorbij gaan. De raad der Kerk zou hier tusschen moeten komen om te onderzoeken wat de oorzaak is en omdat een gereformeerd mensch niet graag onordelijke dingen doet (waartegen de Schrift zoo ernstig waarschuwt) zou het moeten worden nagelaten.
Maar in onze Hervormde Kerk liggen de dingen soms zoo wonderlijk door elkaar, dat het onder ons gemakkelijk kan voorkomen dat iemand die te Kleidorp woont in de gemeente Zandheuvel ter kerke gaat. Als het dan maar om „de Waarheid" gaat! Om de Waarheid Gods, in Zijn Woord geopenbaard. Want als het om andere dingen gaat, zijn „de loopers" gewoonlijk een soort menschen, die men gerust onder de lastige, wispelturige, twistzoekende menschen rekenen mag. En de gemeenten waar dat soort ruim vertegenwoordigd is, zijn nu niet bepaald te feliciteeren.
Dus de kwestie van attestatie indienen in eigen kerkelijke gemeente, begrijpt men nu wel.
Dat men, zoo noodig, in een andere gemeente ter kerk kan gaan, is ook duidelijk. Als het gaat om de Waarheid mag het en kan het een heerlijke vertroosting zijn indien men niet al te ver van huis het Woord recht mag hooren bedienen, in gezond-gereformeerden zin genomen.
Maar mag men nu ook te B. ten Avondmaal gaan ?
Neen — dat kan en mag eigenlijk niet.
Want men hoort te B. niet thuis. Daar staat men niet ingeschreven. Daar staat men ook niet onder kerkelijk opzicht en tucht. Men is geen lid van het kerkelijk-huisgezin te B.
Maar mag de Kerkeraad van B. het dan niet als een vrienddijkheid toelaten?
Neen — eigenlijk niet. Want men mag zich niet mengen in de aangelegenheden van een ander, ook niet van een andere gemeente; en dus moet iedere gemeente binnen haar eigen ressort blijven: de menschen van de gemeente A. hooren te A.; de menschen van de gemeente B. hooren te B.
Maar met den Doop dan? Daar zijn toch allerlei ontduikingsbepalingen gemaakt, opdat meneer A., die te Zandheuvel woont, te Kleidorp kan laten doopen en boer B., die te Stroobos woont, bij den dominé van Biezelingen z'n kleine kan laten doopen?
Ja — dat wijst er wel op, dat men met allerlei eigenaardige toestanden en verhoudingen in de verschillende gemeenten gerekend heeft in de reglementen, die gewaarmerkt zijn met de woorden: laten alle dingen eerlijk en met orde geschieden! (Regelde men alles maar eerlijk en ordelijk naar uitwijzen van Gods Woord en de belijdenis; zou dat niet no. 1 'moeten wezen en zouden dan alle andere dingen niet naar dien hoofdregel moeten geregeld worden?)
Dus voor het sacrament van den H. Doop allerlei uitzonderingsbepalingen, opdat men te A. van de gemeente B. kan profiteeren en te B. van de gemeente A.!
Maar zoo is het reglementair niet op dezelfde wijze in elkaar gezet wat betreft het Avondmaal. Van een bewijs van den Kerkeraad te A. om te B. te mogen aanzitten aan het Avondmaal, rept onze Reglementenbundel niet.
In één opzicht heeft men er in willen voorzien. Want van ouds heeft men gedacht aan de mogelijkheid, dat in een gemeente iemand zou kunnen wonen, die als een eenling tusschen de Hervormden huist; b.v. iemand die Doopsgezind is of Remonstant of Luthersch. Dat kan natuurlijk. Wij zelf hebben dat ervaren in een van onze vorige gemeenten.
Hoe moet men zich tegenover zoo iemand houden, die niet tot de Hervormde Kerk behoort, maar die eventueel toch in de Hervormde Kerk aan het Avondmaal wil mee aanzitten?
Daarvoor bestaat een oude Synodale Resolutie van 16 Juli 1817 „omtrent het toelaten van leden uit andere Protestantsche Kerkgenootschappen ten Avondmaal", welke aldus luidt: "Het Algemeen Christelijk Synode der Ned. Herv. Kerk heeft besloten: dat leden van andere Protestantsche Kerkgenootschappen, die dit begeeren mogten, indien er naar het oordeel van den Kerkeraad geene redenen ter contrarie bestaan, mits onergerlijk zijnde van leven en bewijs gevende van hun lidmaatschap, in de Hervormde Gemeente ten Avondmaal kunnen worden toegelaten".
Zoo kan dus door den Kerkeraad van A. iemand, die te A. woont, maar niet Hervormd is, tot het Avondmaal worden toegelaten, als zoo iemand onergerlijk van levenswijze is en bewijst dat hij lidmaat is van een ander Protestantsch Kerkgenootschap.
Nu zou men kunnen zeggen: mag nu de Kerkeraad van Kleidorp niet iemand, die te Zandheuvel woont, te Kleidorp aan het Avondmaal toelaten, als de Kerkeraad van Kleidorp weet, dat zoo iemand van onbesproken levenswandel is en lidmaat der Hervormde Kerk?
Een doodzonde achten wij het niet, als we ons b.v. denken, dat iemand die tot de gemeente Zandheuvel behoort drie kwartier moet loopen naar de kerk te Zandheuvel en vijftien minuten naar de kerk te Kleidorp. Als dan de bediening des Woords wellicht veelal of altijd te Kleidorp wordt bijgewoond en wellicht ook de kinderen te Kleidorp gedoopt worden (met attest van den Kerkeraad van Zandheuvel) dan zouden we zeggen: waarom mag zoo iemand ook niet te Kleidorp, zoo hij dat begeert, mee aanzitten aan den disch des Verbonds?
En gaat alles in goede harmonie — nu, dan kan er veel.
Maar — men voelt: reglementair kan en mag het niet.
En gaat het dus niet in goede harmonie (doordat er wellicht „bizondere oorzaken" in 't spel zijn, dat men niet in eigen gemeente kerkt, waardoor de onderlinge verhouding tusschen de dominé's van Kleidorp en Zandheuvel ook waarschijnlijk niet ideaal zal zijn) dan kan en mag het niet.
Terwijl men met goedwilligheid natuurlijk heel wat gedaan kan krijgen. Als er aannemelijke omstandigheden zijn, die tot het buitengewone drijven.
Doch overigens is wet en regel: elke gemeente heeft en houdt een eigen kerkelijk gezin, waarbij niemand zich met de zaken van een andere gemeente heeft in te laten.
De uitzonderingsbepalingen voor Doop en belijdenis-doen in een andere gemeente, laten we hier volgen:
Regl. voor de Kerkeraden. Derde afdeeling. Werkzaamheden des Kerkeraads. Art. 13 onder letter d: dat ook kinderen van ouders, die tot de kerkgemeente van eene andere plaats behooren niet gedoopt worden, dan na ontvangen schriftelijk bericht omtrent het zedelijk gedrag der ouders (d.i. in dit geval een bericht omtrent het zedelijk gedrag, niet een bericht aangaande godsdienstige gevoelens en leeringen), vooraf ingewonnen bij den Kerkeraad van de gemeente, waarin zij wonen en af te geven binnen veertien dagen, nadat de aanvrage daartoe zal zijn gedaan. Dit bericht wordt, indien het niet reeds bij de aanmelding tot den Doop wordt overgelegd, namens belanghebbenden gevraagd door den Kerkeraad van de gemeente, waar de toediening van den Doop verlangd wordt. Ontvangt die Kerkeraad binnen den gestelden termijn geen bericht, dan kan de aangevraagde Doop (dus na die veertien dagen!) voortgang hebben, onder verplichting om binnen acht dagen aan den Kerkeraad van de gemeente der woonplaats kennis te geven van de volbrachte handeling, opdat daarvan nauwkeurige aanteekening geschiede in de doopboeken der beide gemeenten".
Dat zijn dus de bepalingen in verband met den Doop, wanneer die door ouders van Kleidorp aangevraagd wordt aan den Kerkeraad van Zandheuvel. De Kerkeraad van Zandheuvd correspondeert dan met den Kerkeraad van Kleidorp, enz.
Nu wat „de aanneming van lidmaten" betreft, wanneer dat in een andere gemeente geschiedt. Daaromtrent zegt 't Regl. op het Godsdienstonderwijs, art. 40: „Elders woonachtigen worden tot de aanneming en bevestiging als lidmaten niet toegelaten dan na te hebben overgelegd een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door of vanwege den Kerkeraad der gemeente hunner woonplaats. Binnen vier weken na de indiening van het daartoe strekkend verzoek, wordt daarop beschikt, in geval van weigering, met schriftelijke opgave van redenen, hun gedrag betreffende. Dit verzoek geschiedt namens de belanghebbenden, door den Kerkeraad van de gemeente, waarin zij wenschen aangenomen en bevestigd te worden. Ontvangt die Kerkeraad binnen den gestelden termijn geen antwoord, dan geldt dit als bewijs, dat tegen de aanneming en bevestiging geen bezwaar bestaat. Van zoodanige aanneming en bevestiging wordt binnen acht dagen na de volbrachte handeling door of vanwege den Kerkeraad der gemeente, waar zij geschied is, schriftelijk kennis gegeven aan den Kerkeraad der gemeente in de woonplaats, opdat de aangenomen en bevestigde lidmaat als zoodanig in het lidmatenboek der gemeente worde ingeschreven".
Zoo kunnen dus menschen van Zandheuvel te Kleidorp worden aangenomen en bevestigd, maar moeten in Zandheuvel worden ingeschreven. De Kerkeraad van Zandheuvel mag die inschrijving niet weigeren (als alles formeel juist is toegegaan naar de reglementsbepalingen hier boven genoemd), want indien de Kerkeraad van Zandheuvel dat zou weigeren, loopt de Kerkeraad er vast en zeker tegen. In 1889 is in de Synode dit voorstel gedaan: „Heeft echter de Kerkeraad der gemeente bezwaar tegen die inschrijving, dan zendt hij genoemde kennisgeving terug aan den Kerkeraad, waar de aanneming heeft plaats gehad, met bericht, dat hij bezwaar heeft tegen die inschrijving.
In dat geval geeft de Kerkeraad, waar de aanneming heeft plaats gehad, aan de nieuwe lidmaten bericht van deze terugzending, met mededeeling, dat bij verhuizing hunne attestatiën bij hem aangevraagd moeten worden".
Dat was dus om orthodoxe Kerkeraden, die b.v. bezwaar hadden „moderne" lidmaten in te schrijven, tegemoet te komen. Maar dat voorstel is in de Synode verworpen „als te kort doende aan het recht der aangenomen en bevestigde lidmaten en aan de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht".
Dus — ieder moet ingeschreven worden in de gemeente waar hij thuis hoort.
Wijziging examen Godsdienstonderwijzer.
Wij kregen van een candidaat-godsdienstonderwijzer een brief over de voorgestelde wijziging in het examen. Dat voorstel van wijziging betreft art.15 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs. Daar wil men het volgende invoegen: „De examinandus moet blijk geven van een algemeene ontwikkeling, welke minstens overeenkomt met zulk eene, als bereikt is door hen, die een U.L.O. school met goed gevolg hebben doorloopen. Een U.L.O. diploma of een daarmede minstens gelijkstaand getuigenis stelt van het onderzoek naar de algemeene ontwikkeling vrij. Wat de moderne talen betreft, kan bij dit onderzoek met de kennis van twee naar keuze van den examinandus worden volstaan".
De bedoeling is duidelijk. Tot op dit oogenblik is alles wat voor het examen Godsdienstonderwijzer gevraagd wordt — niet veel. Twee jaar les nemen bij een dominé in bijbelsche geschiedenis, Kerkgeschiedenis, geloofs-en zedeleer, is alles. Waarbij dan nog een weinig kennis van de Nederlandsche taal gevraagd wordt; maar ook dat is o! zoo weinig. Niemand zal dan ook kunnen zeggen, dat de eischen voor dat examen zwaar zijn.
Maar, hoe aangenaam dit ook is voor den examinandus, het peil van ontwikkeling blijft zoodoende wel wat laag. Te laag veelal. Wat zich later dikwijls niet weinig wreekt. En daarom is men algemeen van oordeel, dat het voor de positie van de Godsdienstonder-wijzers beter is, als de eischen voor het examen wat naar boven worden gebracht en wat zwaarder worden gemaakt. Dat doet de ontwikkeling toenemen, wat geen overbodige weelde is bij een dergelijke betrekking.
Nu vraagt men ons: zullen zij, die nu reeds met de studie - bezig zijn (naar de bestaande methode) hiermee niet worden in de moeite gebracht?
Ons antwoord zou dit zijn: als dit voorstel wordt aangenomen op de Classicale Vergaderingen van dit jaar, hetwelk wij waarschijnlijk achten, dan zou het 15 Januari 1926 in werking treden.
Men kan in 1925 dus nog examen doen, indien men reeds een groot jaar bezig is met de studie (men moet dan in 1923 begonnen zijn). Is men pas in 1924 begonnen, dan zal het examen naar de nieuwe methode (U.L.O. opleiding, met kennis van moderne talen) moeten worden afgelegd. Tenzij voor hen, die in 1924 begonnen zijn (in de eerste helft van 1924) een uitzondering gemaakt wordt. Dan zouden die gedurende 1926 nog examen kunnen doen volgens de eenvoudige, oude methode.
De Avondmaalsformule.
Wij zijn gewoon, nu bijna 25 jaar, aan de Avondmaalstafel, na het breken van het brood, de volgende formule te gebruiken: „Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onzen Heere Jezus Christus gebroken is tot een volkomen verzoening van alle onze zonden"; en bij het geven van den drinkbeker: „Neemt, drinkt, gedenkt en gelooft, dat het bloed van onzen Heere Jezus Christus vergoten is tot een volkomen verzoening van alle onze zonden".
Meer dan eens is ons naar deze gewoonte gevraagd. En wellicht is er nog wel deze of gene, die er iets van weten wil. Daarom een enkel woord er over waartoe ,,De Heraut" van deze week te meer aanleiding geeft.
Daar staat een artikel over die formule van gedenken en gelooven (welke combinatie zoo mooi is, zoo echt gereformeerd) en de historische toelichting is zoo belangrijk, dat we het stuk hier afschrijven. Wellicht dat vooral predikanten het willen uitknippen en het willen bewaren, ingevoegd naast het bij hen in gebruik zijnde Avondmaalsformulier. Het is zoo prettig als we een historischen bodem onder onze voeten hebben bij onze liturgische handelingen en gewoonten.
Prof. dr. H. H. Kuyper, een kenner eerste klas wat deze kwestie, belangende onze liturgische geschriften betreft, schrijft dan in „De Heraut":
Er zijn menschen, die deze formule als een nieuwigheid beschouwen en daarin bovendien eene afwijking zien van de Heilige Schrift, waarin deze formule niet voorkomt. In „De Heraut'' van 13 en 20 Nov. 1898 (no. 1090, 1091) is hierover breed geschreven; nu een enkel woord er over. Deze woorden, die men vroeger 't „aanhangsel" noemde bij de eigenlijke sacramenteele woorden, ontleend aan 1 Cor. 10: 16 (het brood, dat wij breken, is de gemeenschap met het lichaam van Christus) komen reeds in de alleroudste liturgie onzer Kerken voor, n.l. in de liturgie door á Lasco voor de Hollandsche vluchtelingengemeente te Londen ontworpen en aangenamen. Ook onze Generale Synodes in de 16de eeuw hebben herhaaldelijk het gebruik dezer woorden bij het Avondmaal voorgeschreven, zoo de eerste Synode te Dordt 1574 (Art. 77); de tweede te Dordt 1578 (Art. 70) en de Synode van Middelburg 1581 (part. vr. 30).
Een nieuwigheid is deze formule dus zeker niet; ze is zoo oud als onze Geref. Kerken zelf. En uit Voetius blijkt, dat deze formule in zijn dagen nog algemeen in gebruik was. Het is alleen te wijten aan de eigenmachtigiheid der boekdrukkers, die bij het drukken der liturgie zich aan deze besluiten der Synode niet stoorden en deze formule weglieten, dat ze allengs buiten gebruik raakte en nu velen als een soort nieuwigheid toeschijnt. Maar in de officiëele uitgave der liturgie in 1611 op last der Zweedsche Kerken bezorgd, staat deze Avondmaalsformule wel en de Dordtsche Synode van 1618—'19 heeft deze uitgave met haar autoriteit bekrachtigd".
„Over de vraag hoe deze formule ontstaan is, welke beteekenis hare toevoeging aan de woorden uit 1 Cor. 10 vers 16 ontleend heeft, en waarom het gewenscht is, deze woorden bij het Avondmaal te gebruiken, zou nog zeer veel te zeggen zijn, maar dan zouden we grootendeels in herhaling moeten vervallen van wat we vroeger reeds schreven. Alleen willen we nog wel met een enkel woord antwoorden op het bezwaar, dat deze formule niet in de H. Schrift voorkomt. Dit is juist, maar een bepaalde sacramenteele formule om bij het Avondmaal te gebruiken, geeft de H. Sdhrift ons niet. De woorden, door Christus zelf bij het Avondmaal gesproken (en die bovendien door de verschillende Evangelisten en door Paulus in 1 Cor. 11: 24 in verschillenden vorm ons overgeleverd zijn) kunnen door ons niet als zoodanig gebruikt worden, want een predikant kan niet zeggen: neemt, eet, dit is mijn lidhaam, enz. Bij den Doop heeft men een vaststaande en voor allen geldende formule aan Matth. 28: 19 ontleend en deze formule is dan ook bij alle Christelijke Kerken in gebruik. Daaraan iets af te doen of toe te voegen, zou reeds daarom niet wenschelijk zijn. Maar bij het Avondmaal geeft de Schrift ons zulk een formule niet en de verschillende Christelijke Kerken wijken op dit punt van elkander af. De formule aan 1 Cor. 10: 16 ontleend, is door Paulus dan ook volstrekt niet bedoeld als een sacramenteele formule bij het Avondmaal te gebruiken, maar werd door onze Kerken alleen gekozen, omdat daarin zeer klaar en duidelijk werd uitgesproken, wat 't Avondmaal ons beteekent en verzegelt.
De daaraan later toegevoegde woorden, die men in de liturgische terminologie de distributieformule (bij de uitdeeling te gebruiken) noemt, dienen alleen om nog duidelijker te doen uitkomen, waartoe Christus het Avondmaal heeft ingesteld, nl. opdat we daarbij Zijn kruisdood, die eene verzoening is voor onze zonden, zouden gedenken. Daarom kunnen beide sacramenteele formules bij het Avondmaal niet worden gemist; de gemeenschap, die we bij het Avondmaal hebben met Christus' lichaam en bloed, en de herdenking van Zijn lijden en sterven voor ons, moeten beide tot hun recht komen. En al is de laatst genoemde formule niet rechtstreeks en niet letterlijk aan de Schrift ontleend, ze geeft volkomen juist den zin en de bedoeling weer van wat in de Evangeliën en bij Paulus ons staat aangegeven. Mocht onze lezer nu verder nog iets over deze formule willen lezen, dan mogen we hem wel verwijzen naar prof. Rutgers, Kerkelijke Adviezen Deel II, blz. 178—182".
Tot zoover prof. dr. H. H. Kuyper, die ook zijn eigen boek De Postacta had kunnen noemen, met verwijzing naar de blz. 391—412.
De wijze van Avondmaal vieren.
Er zijn plaatsen, waar de Avondmaalgangers, dicht bij den predikstoel gaan zitten in de gewone kerkbanken rondom den kansel staande, zooals de doopvaders gewoon zijn te doen. Soms is 't dan gewoonte, dat de diakenen de broodschalen, uit de hand van den predikant overnemend, ronddeelen aan de aanzittenden; eveneens de bekers. Meestentijds gaat het anders. Dan is er een Avondmaalstafel, liefst vóór den preekstoel aangericht, waarom heen de Avondmaalgangers zich scharen. Na 't breken van het brood worden de schalen van persoon tot persoon doorgeschoven; evenzoo gaat de drinkbeker van hand tot hand. Bij verschillende tafels, die na elkaar gebruikt worden, worden dan de broodschalen door de diakenen telkens weer bij den predikant gebracht, terwijl de bekers weer opnieuw met wijn worden gevuld; ook door de diakenen. Soms ook zorgen de ouderlingen voor de broodschotels en de diakenen voor de bekers. Men vraagt of dit eigenlijk geen werk is voor de ouderlingen, méér dan voor de diakenen? Wij gelooven, dat men gelijk heeft. Hier is werk voor de ouderlingen, méér dan voor de diakenen. Waarbij men niet foutief moet aanhalen wat in Hand. 6 staat, dat de diakenen zijn voor het „dienen der tafelen". Want daar in Hand. 6 wordt immers met „de tafelen" niet gedoeld op de Avondmaalsviering, maar op het bedienen der armen met de gaven die op de tafelen werden gelegd door de meer bevoorrechten der gemeente, bij de liefdemaaltijden als een offer daar achtergelaten voor de armen. In dat dienen der minvermogenden der gemeente moeten natuurlijk de diakenen en niet de ouderlingen of leeraars werkzaam zijn! Maar wat de Avondmaalsviering aangaat, staat het anders. Daar is meer werk voor de ouderlingen dan voor de diakenen. Hoewel het volstrekt niet verkeerd is, dat de diakenen hierbij mee behulpzaam zijn, ook al mee om oorzake van de gelden die straks in de offerbussen worden gevonden, voor of na de Avondmaalsviering door de aanzittenden daar in gegeven ten behoeve van de armen.
Het werk van de ouderlingen sluit evenwel meer aan bij het toezicht, dat bij de Avondmaalsviering gehouden moet worden, 't welk niet stoffelijk, maar geestelijk van aard is en aan de opzieners der gemeente is opgedragen en niet aan de broeders diakenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's