Staat en Maatschappij.
De stemplicht - Ongereformeerd werken
De stemplicht.
Ook ten aanzien van den stemplicht heeft de regeering thans een wetsontwerp bij de Tweede Kamer ingediend. De strekking van dit wetsontwerp is, om bij behoud van den stemplicht, de Strafrechtelijke sanctie op de naleving der wettelijke verplichting uit de wet te schrappen.
Op de vraag in hoeverre de eerbied voor de wet wordt ondermijnd, doordat in vele gevallen van niet-naleving van den stemplicht vervolging achterwege blijft, geeft de Minister van Binnenlandsche Zaken in de Memorie Van Toelichting een antwoord.
Dat dit antwoord de overtreding van het wettelijke voorschrift in een schel licht zou stellen, was wel te verwachten.
Belangrijk zijn daarvoor reeds de cijfers uit de hoofdstad des lands.
In Amsterdam bedroeg het aantal der kiezers, dat de taak, opgelegd bij de Kieswet, niet vervulde bij de Kamerverkiezing in 1922: 57810 en bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1923: 76677.
Natuurlijk maakte een aantal overtredingen van dezen omvang een vervolging der overtreders niet mogelijk.
Wel kwam het hier en daar in kleine gemeenten voor, dat de delinquenten voor den rechter werden gebracht, wat meer dan eens ten gevolge had dat straf werd opgelegd. Maar daardoor trad des te duidelijker de onbillijkheid en de ontoelaatbaarbeld van den toestand naar voren.
Terecht stelt de regeering daarom voor, om ter wille van den eerbied voor wettelijke voorschriften, de bepalingen, betreffende de strafrechtelijke sanctie op denaleving van den stemplicht uit de Kieswet te doen vervallen.
Niet duidelijk is het ons intusschen, waarom bij schrapping van deze voorschriften de regeering er ook maar niet is toe overgegaan om den geheelen stemplicht uit de Kieswet te doen verdwijnen.
De Minister beroept zich ter verdediging van zijn standpunt op een zedelijken plicht, dien de Overheid erkent, en dien zij blijft voorhouden aan hen, wien het kiesrecht is verleend, doch de regeering voegt aan deze uiteenzetting in één adem toe, dat waar elke sanctie van dien plicht thans achterwege wordt gelaten, ook niet langer sprake kan zijn van eenigen inbreuk op de gevoelens van hen, die het bestaan van dien plicht geheel of ten deele meenen te moeten ontkennen.
De logica van deze Ministerieele redeneering ontgaat ons.
Het lijkt ons toe, dat de regeering hier alle partijen, zoowel de voor-als de tegenstanders van den stemplicht, wil tevreden stellen.
De voorstanders van den stemplicht behouden den plicht; de tegenstanders van den stemplicht raken de sanctie van dien plicht kwijt.
Of de Minister met zijn ontwerp de eerste categorie zal hebben tevreden gesteld, betwijfelen wij, want met de poenale sanctie zal spoedig ook de stemplicht over boord gaan.
Misschien was 't van de Kamer maar wijs als zij de regeering een handje hielp om maar dadelijk den stemplicht — en dan voor goed — op te bergen.
Anders krijgen wij later nog zoo iets als eene herhaling van wat thans bij de Begrafeniswet plaats heeft, waarbij de lijkverbranding ongestoord haar gang kan gaan, omdat de strafrechtelijke sanctie gemist wordt.
Ter wille van de waarheid in de wetgeving en ook om der gevolgen wil, verdwijne de stemplicht uit de Kieswet.
Ongereformeerd werken.
De Henvormd (Geref.) Staatspartij heeft onlangs hare jaarvergadering gehouden.
Het orgaan van die partij geeft daarover een breed verslag.
In de morgensamenkomst sprak de Amsterdamsche predikant ds. Gravemeijer, en in de namiddagvergadering de predikant van dien zelfden naam uit 's Gravenhage.
Ter inleiding op het door ds. Gravemeijer van 's Gravenhage te houden referaat, getiteld: „Reorganisatie van de Ned. Herv. Kerk een nationaal belang", zongen de aanwezigen Gezang 156.
In dit referaat kregen het optreden van prof. Van Apeldoorn, de Conventsbeweging en de Gereformeerde Bond er geducht van langs.
Wat de Gereformeerde Bond betreft, vernamen wij uit het verslag van „Staat en Kerk" niet anders, dan dat de Gereformeerde Bond („Waarheidsvriend") ongereformeerd werkt. Waarin dat ongereformeerde uitkomt, wordt echter niet nader toegelicht.
Daarop kunnen wij ons dus niet verdedigen, maar wèl willen wij ds. Gravemeijer vragen:
1. Of het wel Gereformeerd is, als voormannen van de Hervormd (Geref.) Staatspartij hun kinderen te zenden naar de Openbare School, zonder te eischen dat het onderwijs op die school zij overeenkomstig de afgelegde belofte bij de toediening van den H. Doop aan hunne kinderen.
2°. Of het wel Gereformeerd is, als de leiders der Herv. (Geref.) Staatspartij ter wering van een Gereformeerd predikant in de Ned. Hervormde Gemeente te 's'Gravenhage, een ethisch predikant trachten gekozen te krijgen.
3°. Of het wel Gereformeerd is, als in de Hervormd (Geref.) Staatspartij niet noodige Zondagsarbeid wordt verricht, waardoor niet gehandeld wordt overeenkomstig het vierde gebod van de Eerste Tafel der Wet.
Wij zouden met deze vragen kunnen voortgaan, maar laten het voorloopig bij deze drie. Misschien wil ds. Gravemeijer in „Staat en Kerk" over een en ander wel eens zijn licht ontsteken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's