Uit het kerkelijk leven.
De inaugureele rede van Prof. Palache - De val des mensen en de sprekende slang - Het Zondvloed verhaal
De inaugureele rede van Prof. Palache.
Over de benoeming van den Joodgeleerde tot hoogleeraar in de letteren en in de theologie aan de stedelijke Universiteit te Amsterdam — met één stem meerdenheid benoemd door de leden van den Gemeenteraad! — is heel wat geschreven. Een Jood om onderwijs te geven aan a.s. predikanten in de uitlegging van het Oude Testament! 't Is ook wel wat vreemd. En geen wonder, dat ook velen uitzagen naar de oratie van dr. Palache, waarmee hij het hoogleeraarschap in het openbaar zou aanvaarden. Zou bij op bizonderheden ingaan, waar er zooveel over zijn benoeming te doen geweest is? Heeft men zelfs, uit het midden van de Luthersche Kerk, die er niet weinig door gedupeerd is ten opzichte van de a.s. Luthersche dominé's, niet een poging gedaan bij de Regeering om de benoeming door den Raad niet goedgekeurd te krijgen?
Heel veel bizonderheden heeft dr. Palache evenwel bij zijn intree op Maandag 26 Januari j.l. niet gezegd. Hij had trouwens reeds in de pers op een en ander, tegen hem aangevoerd en over hem geschreven, gereageerd. Hij wilde en zou niets anders zijn dan z'n voorgangers, zoo zei hij. En dat is uitgekomen, 't Is een oratie geweest als van een gewonen modernen dominé. En het zal ook wel moeilijk zijn veel verschil tusschen een vrijzinnigen Jood en een modern-teoloog van Christelijken naam te vinden. In hoofdlijn vrijwel 't zelfde. En zoo kon dr. Palache dan ook rustig zeggen „dat zijn onderwijs van dat van zijn voorganger, prof. Elhorst, niet wezenlijk zal verschillen".
't Blijft dus 't 'zelfde daar in Amsterdam.
Maar de Luthersche Synode, in meerderheid orthodox, had graag nu juist iets anders willen hebben. Daar hadden ze op gehoopt en zelfs reeds mee gerekend. Maar dat is nu mis, door de benoeming van de Amsterdamsche Gemeenteraadsleden.
Wel jammer.
Maar bij een dergelijke regeling van ons Hooger Onderwijs moet men op allerlei dingen bedacht zijn! Waarom wel eens naar andere wegen mocht worden uitgezien! Waarbij wij natuurlijk allereerst denken aan de theologische faculteit. Alle ding naar z'n aard!
De val des menschen en de sprekende slang.
De sprekende slang en de sprekende ezelin van Bileam zijn voorwerpen van aanhoudende zorg van tal van theologen en niet-theologen. Dr. Palache heeft het ook maar dadelijk gezegd, bij zijn optreden als professor, dat hij van een sprekende slang en een sprekende ezelin niet weten wil. Wat wij ook niet anders hadden verwacht. Maar het zijn niet alleen moderne theologen die hier ontkennen. Ook onder de reahtzinnigen, met name de ethischen, hooren we telkens dat deze dingen niet als historie zijn te nemen, en dat ook het verhaal van den val, in Genesis 3 beschreven, niet als geschiedenis bedoeld is, maar slechts een symbolische voorstelling en inkleeding.
Prof. Hepp, die een breede bespreking geeft van „Een ethische dogmatiek" van dr. J. Riemens te Leiden, in welk boek overigens veel te waardeeren valt, wijst in „De Reformatie" op bovenbedoeld verschijnsel en wel als volgt:
„Dr. Riemens geeft ook zijn opinie ten beste over het verhaal van den val. Genesis 3 mag volgens hem „niet op ééne lijn gesteld worden met historiebeschouwingen als b.v. in de boeken van Samuel of der Koningen". (blz. 54).
Waarom niet ?
Drie redenen-heeft hij daarvoor. De eerste is deze: Genesis 3 „doet denken aan het Babylonisch verhaal, monotheïstisch bewerkt". 'Dus wanneer een historisch Schriftgedeelte , doet denken" aan een stuk uit de profane litteratuur, is het niet historisch! Als iemand, dien ik ontmoet, mij „doet denken" aan een van de figuren, door Dickens geteekend, is hij niet historisch! Men ziet het onhoudbare van zulk een redeneering immers in?
Maar nu de tweede reden. De boom der kennis des goeds en des kwaads is „zoo maar niet gelijk te stellen met een appel-of pruimenboom". Ook de kracht van dit bewijs ontgaat ons. Wij zouden niet weten, waarom die boom geen gewone boom kan zijn geweest, al groeiden er wellicht andere vruchten aan dan appelen of pruimen. Hier voert dr. Riemens als bewijs aan, wat hij eerst nog bewijzen moet.
Eindelijk de derde reden. „De slang kan niet met een „gewone" slang worden gelijk gesteld, zooals trouwens de Gereformeerde exegese sinds Junius onder de slang den Satan verstaat, met beroep op Openb. 12: 13". Maar dan heeft dr. Riemens toch Junius en andere Gereformeerde theologen niet recht begrepen. Zij geloofden wel degelijk dat men in Genesis 3 met een „gewone" slang te doen heeft, maar dat die slang instrument werd van den duivel en dat de duivel door de slang sprak. Trouwens, de Gereformeerden zijn niet het eerst met dezen uitleg gekomen.
Dr. Riemens vervolgt: „Het verhaal draagt alle trekken van een profetisch getuigenis: 't heeft universeele strekking en ziet ons aller leven in het licht van God. Evenals in de Messiaansche profetieën de groote lijnen in de komst van den Messias historisch worden gerealiseerd, maar in de gedaante van het symbolische, zóó is ook, wanneer de profeet projecteert in het verleden", (blz. 54).
Ook hier weer een apodiktische uitspraak.
Welke grond bestaat er voor, dat een profeet het verleden precies eender ziet als de toekomst? De werkelijkheid van het heden is gebouwd op die in het verleden. Daarom kan ik mij van het verleden heel goed een voorstelling vormen, al is het niet tot in détails. Maar de toekomst zal werkelijkheden bevatten, die ik nu nog niet als mogelijkheden ontwaar. Verteden en toekomst staan daarom volstrekt niet gelijk !
Neen, ook hier speurt men weer de toegeeflijkheid tegenover het ongeloof, dat met het verhaal van schepping en zondeval spot.
De ethische is er op uit het voor den ongeloovige aanstootelijke aannemelijk te maken!
Daarvoor moet dan de „profetische" of „symbolische" exegese dienst doen. Maar Paulus beroept zich op Genesis 2 en 3 als zuivere historie. Hij waarschuwt de Corinthiërs: „Doch ik vrees, dat niet eenigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid, bedrogen heeft, alzoo uwe zinnen bedorven worden om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus Jezus is". (2 Cor. 11: 3). En aan Timotheüs schrijft hij: „Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest". (1 Tim. 2: 13, 14).
Paulus neemt het historisch verhaal, gelijk het daar voor hem ligt. Daarop bouwt hij zijn conclusie. En Paulus werd gedreven door den Heiligen Geest".
Tot zoover prof. Hepp, waarna dan nog iets gezegd wordt over hetgeen dr. Riemens in zijn dogmatiek (uitgave van G. F. Callenbach te Nijkerk) leert inzake de erfzonde.
Prof. Hepp zegt: „De erfzonde, gelijk de Kerk die van Augustinus' dagen af beleden heeft, wordt door hem geloochend. Hij spreekt dan ook liever van „erfzondigheid" (blz. 62). Daaronder verstaat dr. R. een algemeenen toestand van zondigheid waarin de mensch verkeert (blz. 65). Om de erfzondigheid op zichzelf gaat niemand verloren. Erfzondigheid maakt den mensch alleen schuldig „omdat de mensch persoonlijk tot daadwerkelijke zonden overgaat" (blz. 65). „Wij zullen niet geoordeeld worden naar onze erfzondigheid, maar naar onze werken", (blz. 63—64).
Het sterkst keert dr. R. zich tegen de leer van de erfschuld. „De leer van een (uiterlijk) toegerekende zonde van Adam gaat buiten het religieus bewustzijn om" (blz. 68).
Dan toch zeker van het religieus bewustzijn van dr. Riemens c.s.?
Want het zal toch moeilijk gaan om over het religieus bewustzijn van alle christenen te oordeelen!
En zeker vergist hij zich in hen, die voor hun religieus bewustzijn de stof putten uit Gods Woord.
Prof. Hepp zegt volledigheidshalve ten besluite: Men meene niet, dat in dit hoofdstuk van dr. R. dogmatiek over den mensch (de zonde) niets goeds staat. Dr. R. stelt den mensoh zedelijk verantwoordelijk, spreekt uit, dat zonde schuld is; wil niet weten van zonde als een „nog-niet" enz. Gaarne nemen we dit ook voor onze rekening. Toch mogen we niet verbergen, dat dit hoofdstuk ons verwarder lijkt dan een van de vorige. En vooral de argumentatie stelt teleur".
Wellicht komen wij op deze „ethische dogmatiek" — wat een zeldzaam iets is, zooals men weet — nog wel eens terug, om er hier en daar wat uit te halen dat het ethische kan typeeren, in onderscheiding van het gereformeende.
Het Zondvloed-verhaal.
Met den zondvloed en met de ark van Noach is al heel wat gespot. Allerlei verhalen en vergelijkingen zijn uitgedacht om er een belachelijke zaak van te maken. Pas heeft de Haagsche Post er zich nog aan schuldig gemaakt en ds. James, van Delfshaven, vond daar oorzaak in, om in de Rott. Kerkbode ook zijn gedachten aangaande het Bijbelsch zondvloedverhaal kenbaar te maken, 't welk geschiedde in een toon als: „menschen die gestudeerd hebben, gelooven dat niet meer".
Gelukkig als men tegenwoordig, onder de intellectueelen hoort; dan is men een Piet en dan mag men meepraten!
Intusschen blijkt het zondvloedverhaal uit den Bijbel de aandacht trekken; de geesten houden er zich mee bezig; ook geleerden peinzen er over en bekennen, dat men hier, wat de Schrift zegt, toch zoo maar niet over boord kan werpen. Want wel hield men het dikwijls voor een sage of volksoverlevering; voor een mythe of godsdienstige legende; hoogstens als 'n sterk overdreven voorstelling van een vloedgolf, welke over de vlakte van Mesopotamië is gekomen van uit de Perzische golf; maar men voelde toch telkens, dat men deze zaak zoo niet als een „kleinigheid" mocht negeeren; want daarvoor kwam het verhaal veel te sterk uit bij de verschillende volkeren, die er overal iets van bewaarden in hun verhalen van godsdienstigen aard. Zoo iets kan geen louter verzinsel zijn, maar moet steunen op een historisch feit.
Allerlei onderzoekingen heeft men dan ook telkens ingesteld om dezen ontzettenden watervloed, waarvan de Schrift melding maakt als een historisch feit van groote beteekenis, te kunnen verklaren. Ook zij die geen vereerders zijn van de H. Schrift kwamen telkens met allerlei aandragen. En volgens de bladen — het is „De Heraut" die het ons meedeelt — komen enkele Duitsche geleerden nu weer aandragen, met eene nieuwe verklaring van het zondvloedverhaal, wat hierop neerkomt: Oorspronkelijk zou, naar hun meening, onze aarde (evenals ook andere planeten van ons zonnestelsel) meer dan één maan hebben gehad. Eén van die manen zou dan door de aantrekkingskracht der aarde uit haar oorspronkelijke baan zijn gebracht en zou te dicht bij de aarde zijn gekomen.
Nu weten we uit eb en vloed, dat de maan grooten invloed heeft op de wateren der zeeën. En zoo zou bij die maan, welke te dicht bij onze aarde gekomen is, die invloed op de wateren nog in veel sterkere mate zijn uitgekomen; en de wateren zouden zich hoe langer hoe meer tot een reusachtige hoogte hebben opgestapeld om den evenaar, terwijl de zeeën hoe langer hoe meer droog liepen. Uit dit droogloopen der zeeën zou dan verklaard moeten worden — aldus de meening van deze Duitsche geleerden — het ongeloof van Noachs tijdgenooten. Hun lachen om Noachs prediking had immers dezen grond: de zeeën liepen leeg en hoe zouden nu allen kunnen verdrinken in een vloed, als de wateren niet stegen, maar verliepen?!
De zondvloed zelf zou nu gekomen zijn, doordat deze uit haar baan gebrachte maan toen door die water-opeen-hooping nog dichter bij de aarde kwam —men meent dit op natuurkundige wijze te kunnen bewijzen — en toen niet op de aarde is gevallen, maar plotseling uiteen gesprongen is.
Haar aantrekkingskracht op de wateren was daarmee gebroken en de watermassa om den evenaar stortte inéén, en door dien ontzaglijken waterval zou toen al het vasteland zijn overstroomd en zouden de mensahen allen verzwolgen zijn.
De geopende fonteinen des grooten afgronds en de sluizen des hemels, die geopend werden volgens Genesis 7, zouden in dit feit hun verklaring vinden. Met afgrond is dan de oceaan bedoeld en de van boven af zich neerstortende watermassa's zouden de sluizen des hemels voorstellen".
De juistheid dezer voorstelling gaan wij niet beoordeelen. Dat God de Heere zich bij groote gebeurtenissen van middelen bedient, bewijze de sterke Oostenwind bij Israels doortocht door de Schelfzee.
Doch de H.-Schrift zwijgt meer over de middelen, waarvan God de Almachtige zich bedient, om intusschen Zijn majesteit te openbaren en die te verheerlijken.
Het interessante van bovenstaande, gevoegd bij het feit, dat geleerden zich nog steeds met de wonderen der Heilige Schrift bezig houden, deed ons besluiten onze lezers over deze zaak in te lichten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's