De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

De verzoeking in de woestijn

13 minuten leestijd

Toen werd Jezus van den Geest  weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel, enz.Mattheüs 4 vers 1-11.

De verzoeking in de woestijn.
„Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelke Ik mijn welbehagen heb". Zoo klonk het van den hemel bij den Doop van Christus door Johannes in den Jordaan.
De Vader zelve gaf getuigenis van Zijnen Zoon en de Heilige Geest verzegelde dat, door in zichtbare gedaante op Hem te komen.
Wie dat ook vernomen moge hebben, daar is er een, die daarop wel acht geslagen heeft. Dat heeft hem wat te zeggen. Dat beteekent voor hem, dat nu de worsteling is aangevangen, die er op gericht is om hem en zijn rijk ten onder te brengen. Maar Satan — hij toch is het, die dat getuigenis vernam — zal den strijd niet ontwijken. In zijn driesten overmoed zal hij het durven bestaan om zijn tegenstander openlijk tegen te treden.
De gelegenheid daartoe wordt hem al dadelijk geboden. Want Christus wordt door den Geest des Heeren, waarmede Hij nu openlijk tot Zijn geweldige taak is gezalfd en die Hem geheel vervult, weggeleid in de woestijn om verzocht te worden van den duivel.
Let wel op, waarde lezers, dat Jezus door den Geest wordt weggeleid. Het geschiedt maar niet bijgeval. Hier reeds is het duidelijk, dat al wat met Christus geschiedt naar Goddelijke leiding plaats vindt. Zoo is het God, die ook hier den strijd bepaalt, die daar in de woestijn gestreden wordt. En waarom? Opdat blijken zal, dat het waarheid is geweest wat daar straks van den hemel heeft weerklonken.
Gaat Christus daar de eenzaamheid in om in gemeenschap met God te verkeeren, om geheel en al voorbereid te worden voor de taak, die Hij straks openlijk ten uitvoer zal brengen, die eenzaamheid is juist voor Satan een welkome gelegenheid om zich met zijn tegenstander te meten. Veertig dagen lang bestookt hij Hem en in het einde zet hij alles op het spel om reeds bij dit eerste treffen Hem onschadelijk te maken.
Daar is in dit gewichtig onderwerp veel te leeren. Reeds al aan het begin, leering voor Gods kinderen. Dat de hoogste openbaringen van Gods gunst en het overtogen zijn van Gods Geest nog niet vrijwaren van Satan. Dat deze hem er juist toe prikkelen om zijn aanvallen op hen te richten. Dat het: „eenzaam met God gemeenzaam" hem nog niet doet afdeinzen, maar hem aandrijft om hen in de stilte der eenzaamheid tot den strijd op te zoeken.
Zoolang zij hier zijn, zijn zij ook altijd aan zijn aanvechting blootgesteld. Maar waar ook zij door den Geest des Heeren worden geleid, zullen zij in den strijd niet onder liggen, maar eindelijk ten eenenmale de overhand behouden. En dat, omdat Christus voor hen ook in de eenzaamheid den strijd gevoerd heeft en als overwinnaar is te voorschijn gekomen.
Welke pogingen Satan al heeft aangewend in den strijd tegen Christus, is ons niet geheel bekend. De laatste blijkbaar zijn ons in Gods Woord bewaard gebleven. Genoeg om te laten zien, hoe het er bij Satan om ging om Christus' Zoonschap te betwijfelen en Hem daarin zoo te treffen dat hij Hem daardoor tot Zijn nederlaag brengt. Daartoe maakt hij van de voor hem meest gunstige omstandigheden gebruik.
Veertig dagen heeft Christus in de woestijn doorgebracht en al dien tijd gevast. Als een andere Mozes, die in de tegenwoordigheid Gods verkeerde, had Hij voor het lichaam geen spijze noodig gehad. Dat was Hem spijze genoeg. Maar eindelijk daalt ook Hij van die hoge heerlijkheid af en blijkt Hij waar mensch te wezen, die noodig heeft door voedende spijzen naar het lichaam onderhouden te worden. Ook hierin is Hij het voorbeeld van Zijne kinderen. Hoe lange zij hier ook in de zalige nabijheid Gods mogen verkeeren, toch houdt dat op en komen weer de tijden, dat zij daarin niet zoo kennelijk deelen.
Dan ligt daar een taak voor hen klaar om in de kracht des geloofs den strijd des geloofs te strijden en op den Heere en Zijn Woord te bouwen, te gaan, als ziende den Onzienlijke. De onafgebroken weelde van het zalige leven in Gods nabijheid blijft voor hen bewaard, tot de strijd geheel volstreden en de loop geheel geëindigd zal zijn.
Wij lezen, dat Christus ten laatste hongerde. Dat wordt door Satan bemerkt, en heeft tot hiertoe elke poging gefaald om door zijn bestrijding zijn vijand ten onder te brengen, hij meent, dat nu déze omstandigheid hem het gewenschte succes kan bezorgen. Daar nadert hij Christus en zegt: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen brooden worden.
Bemerkt gij den toeleg, waarde lezer? Het is om naar zijn beproefde tactiek zijn tegenstander in verwarring te brengen. Hoort gij niet, als in Edens hof weleer, zijn: is het ook dat God gezegd heeft? Maar Christus verstaat dat onmiddellijk en weert den verzoeker af door te zeggen: Er is geschreven: de mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat. Zoo wordt de verleider afgeslagen met het zwaard des Geestes, Gods Woord. En Satan wordt hier bedrogen in de uitkomst van zijn oude strijdwijze om tot den val te brengen.
Toen hij dat voor het eerst beproefde, hoe is het hem toen gelukt! Wat bracht hij daarmede Eva in verwarring en spoedig haar daarmede ten val en door haar het hoofd, der menschheid, Adam. Sedert heeft hij dat steeds beproefd en het gelukte hem zoo telkens bij gevallen menschen. O, die „indiens" van Satan, wat tellen zij hun slachtoffers bij menigten! De wereld is er van vervuild. Wat is het anders dan het telkens herhaalde „indien" van Satan, dat een zondige menschenwerdd zoo doet twijfden aan de waarheid Gods, waardoor hij het tot een leugen tracht te maken. Wat kan hij zelfs Gods kinderen daarmede nog menigmaal op een dwaalspoor lokken, zoodat zij bij oogenblikken nog in twijfelmoedigheid neerzitten. Bij de wereld is het: indien dan God regeert, waarom dan dit kwaad en deze ellende, waarom dan nog zoovele scheeve verhoudingen? Daar is geen opsommen aan alles waardoor tegenover Gods Waarheid, Satan al zijn „indien" plaatst.
Bij Gods kinderen menigmaal de pijl van twijfel, dien hij op hen afschiet: indien gij Gods kind zijt, waarom wedervaart u dan dit en waarom bejegent u dan dat? Waarom gaat gij dan zoo lang in het duister en zoo ongetroost daarheen? Waarom voorziet Hij dan niet in uw stoffelijken nood of in uw geestelijke behoefte? Hij tracht hen hun kindschap Gods en de bewustheid daarvan te ontwringen, meenende als hem dat gelukt, dat hij dan overwinnaar is. Maar zij komen uit den strijd en worden niet overwonnen, omdat Christus in Zijn strijd en aanvechting voor hen gestreden en overwonnen heeft en voor hen gebeden, dat hun geloof nooit ophoude. Evenals Hij, komen zij uit den strijd door het Woord Gods, het zwaard des Geestes, dat die Geest levend en krachtig in hen maakt, waardoor hun de nevelen worden opgeklaard.
Heeft Christus het Woord Gods gebruikt, Satan deinst niet terug om het ook te hanteeren. Daar wordt hij openbaar, als die niet schroomt om zich als een Engel des lichts voor te doen.
Hij neemt Christus meede naar de tinne des tempels en doet Hem daar 't snoode voorstel om zich te bewijizen de Zoon Gods te zijn, door daarvan af te springen. Hij kan dat immers gemakkelijk doen, want daar staat toch geschreven, „dat Hij zijne engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot"?
O, als hem deze list eens gelukte! Dan zou Christus door zelfmoord zich in de handen des duivels laten vallen en zóó door hem overwonnen zijn. Want God zal hier Zijn engelen niet bevelen. Zou Hij op dit voorstel ingaan, dat zou God verzoeken zijn. Dat weet Christus en daarom antwoordt Hij den verleider: „Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken".
Weer is Satans poging mislukt. Maar deze was dan ook al te doorzichtig. Immers hij blijkt het Woord Gods te verminken. Daarop hebben wij wij te letten, bijzonder ook Gods kinderen, die het in den strijd en de aanvechting voor de ziel ook doorleven, dat Satan hen als een Engel des lichts tegentreedt. Dan durft hij ook wel Gods Woord te gebruiken, maar hij verminkt of verdraait het. Hij doet er af of er bij, al naar dat het hem beter past. Daarom is het noodzaak, dat wij acht geven, hoe de waarheid Gods ons voorkomt of wordt voorgehouden. Is 't om op zondige wegen te lokken, van God af te trekken, leeren wij dan acht geven, want daar is Satan bezig, al komt hij ook zijdelings door menschen. Welk een waarschuwing om toch wel acht te geven op wat ons als Waar­heid Gods wordt voor oogen gesteld. Hoe schoon en vroom 't ook moge klinken, zoo het verminkt of verdraaid is, zoo is het de Waarheid Gods niet, al moge het dit zeer nabij komen. Daarom is noodig om altijd alles te toetsen aan Gods Woord, dat zichzelf als de Waarheid Gods zal verklaren. In dezen tijd, waarin de strijd der geesten op alle terreinen des levens zoo openbaar is, is het ten zeerste noodig om wat als waarheid aangediend wordt, te toetsen aan de volle Waarheid Gods.
Satan verminkte hier het woord uit den 97sten Psalm, waar hij wegliet „in alle uwe wegen". Maar dat zijn nooit de wegen, waarop God verzocht wordt, want dat zijn de wegen der zonde.
Maar nog deinst de verzoeker niet af. Kan zijn „indien" bij Christus niet baten om Hem in verwarring te brengen, kan zijn gebruik van de Schrift hem niet het gewenschte voordeel bezorgen, daar Christus met dit wapen het allersterkste tegen hem blijkt te wezen, toch geeft hij het nog niet op. Hem wordt met het Woord Gods weer een slag toegebracht, maar hij is daarmede nog niet geheel uit het veld geslagen. Zijn laatste poging in dezen strijd zal hij wagen en daarmede alles op het spel zetten. Hij neemt Christus mede naar een zeer hoogen berg en toont Hem al de Koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid en zegt: „Al deze dingen zal ik U geven, indien gij, nedervallende, mij zult aanbidden".
O, welk een verregaande, vermetele hoogmoed! Hoort hem dit alles toe? Hij meent het althans en acht zich overste der wereld te wezen, daar sedert den zondeval alles, wat tot die wereld behoort, hem toegevallen is, en zich moedwillig en vrijiwilig onder zijn oproervanen gesteld heeft om zich tegen Ood te verzetten.
Maar meent hij dan ongestoord heer en meester van dat alles te blijven, wijl het in die Koninkrijken der wereld zoo naar zijn wil gaat? Weet hij dan niet, dat hij eenmaal uit die wereld als een schandelijke roover zal worden verjaagd en in den put des afgronds zal worden geworpen om met eeuwige banden onder de duisternis te worden bewaard?
O, gewis, hij weet wel, dat zijn eindvonnis al reeds van overlang klaar ligt, maar zoolang dat nog niet voltrokken wordt, waant hij zich de heer en gebieder van die wereld en tracht anderen ook in dien waan te doen verkeeren.
Ook al spreekt hij hier weer halve waariheid, zoo blijkt hij toch weer de vader der leugen te zijn.
Wat zou hij in satanische vreugde uitbarsten, als Christus slechts dat ééne zou willen doen, met een enkelen knieval voor hem nederbuigen en hem erkennen als heer en gebieder van heel die wereld! Dan zou hij zijn doel hebben bereikt en hij aan God gelijk zijn gesteld in de eere der aanbidding.
Doch, dat juist wordt hem weer ten val. Hier wordt hij neergeslagen, zoodat hij als over-wonnene uit het strijdperk vluchten moet. Dat doet Christus in heiligen toorn ontsteken, want hier geldt het niet Zijne eere, maar die des Vaders. God Zelf wordt daarin door Satan aangerand en dat doet Christus gebiedend met macht spreken, die niet dóór Satan kon worden weerstaan: „Ga weg, Satan, want er staat geschreven: Den Heere, uwen God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen".
Daarvoor moet Satan wijken. In dit eerste treffen ligt hij als de verslagene neer. Schandelijk moet hij de vlucht nemen. Hij moet van Christus aflaten, die nu door den Vader verheerlijkt wordt, wijl de engelen toekomen en Hem dienen.
Hier moet Satan wijken, al is het dan niet voor goed. O, neen, hem is nog niet de kop vermorzeld. Zoolang nog zal hij strijden. Tot hij straks alle krachten inspant om Christus op het kruis ten onder te brengen.
Maar dat juist zal hem zelf in verwoesting doen neerstorten.
Daar is hier veel te leeren. Vooral tot sterkte voor Gods kinderen. Want door dezen strijd reeds wordt het waar, dat Christus in alle verzoeking verzocht zijnde geweest, te hulp kan komen hen, die verzocht worden. Dat Hij ook hier reeds blijkt de machtige held te wezen, die Satan ten onder brengt en uit zijn macht verlossen kan, zoodat Hij hem als den sterke bindt om hem zijn vaten te ontrooven.
Kent gij, waarde lezers, iets van de bestrijdingen van Satan, die Gods werk in u bestrijdt, Gods Waarheid voor u tot leugen tracht te maken, u van God wil afleiden, zoo gij naar Hem mocht leeren vragen? Hoe bange kan het u in dien strijd wel zijn en gij vreest nog ten onder gebracht te zullen worden. Zal dat waar zijn? Zoo gij hem in eigen kracht moet weerstaan, dan is dat met recht te vreezen, maar niet, zoo gij in Christus' kracht moogt strijden. En hoe dat kan? Door de kracht van Zijn Heiligen Geest, waardoor Hij u in den strijd kan onderwijzen en sterken. Zoekt dan door dien Geest geleid te worden en door de kracht van Zijn Woord. Want voor hen, die in strijd werden gebracht, maar van zichzelf niets vermogen, heeft Hij den strijd in de woestijn tegen Satan aangebonden en overwonnen.
Kent gij den strijd, kinderen Gods, zoekt dan in Zijn kracht in den strijd te mogen verkeeren. Hier toch moet gij gedurig strijden en in de wapenrusting staan, totdat gij eenmaal als een wettige strijder zult worden gekroond met de kroon der overwinning. En, hoe zalig zal het u dan zijn om die kroon der overwinning voor de voeten van Hem neer te werpen, die voor u gestreden en overwonnen heeft, waardoor gij overwinnen mocht.
Kent gij nog niets van dezen strijd, waarde lezer, zoek dan toch daarin te mogen ingewikkeld worden. Déze strijd moet gestreden worden, zal het eenmaal eeuwig vrede voor u wezen. Zoo gij dat niet kent, zult gij eenmaal bevonden worden tegen God gestreden te hebben aan de zijde van Satan. Maar dan zoudt gij ook in zijn eeuwige nederlaag moeten deelen.
O.                                                                       J. V. A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's