De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

11 minuten leestijd

Het berouw Gods - De Joodsche professor - Het supra-en infralapsarisme -

Uit het kerkelijk leven.
Het berouw Gods.
Iemand vraagt ons, wat de betekenis daarvan zijn mag, dat wij meer dan éénmaal in de Heilige Schrift lezen van den Heere, dat Hem iets berouwt; met name Genesis 6: 6: "Toen berouwde het den HEERE, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had en het smartte Hem aan zijn hart" zie ook vrs. 7b: „Want het berouwt Mij dat Ik ze gemaakt heb" en 1 Sam. 15: 11: „Het berouwt Mij dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft en mijne woorden niet bevestigd heeft". Men vraagt ons: de Heere weet toch alles van eeuwigheid en bij Hem is geen verandering of schaduw van omkeering (Jac. 1: 17), hoe kan er dan bij God van berouw sprake zijn? Hij kan toch niets verkeerds gedaan hebben en Hij kan toch geen spijt van iets hebben, met de gedachte: had Ik het toch maar nooit zóó gedaan?
Wij zouden daar dit op willen ant­woorden: Inderdaad kan de Heere geen spijt hebben over iets, met de gedachte: had Ik het toch maar nooit zóó gedaan! Want dan zou de Heere Zich vergist hebben in iemand ; dan zou Hij verrast zijn door iets 't welk gebeurd is en nog wel onaangenaam verrast; 't welk een bewijs zou zijn, dat de Heere niet alwetend is.
't Kan dus niet zóó zijn dat de Heere, met andere woorden, bedoelt te zeggen: Ik wilde wel dat Ik den mensch maar niet gemaakt had of: Ik wilde wel, dat Ik maar een ander dan Saul tot koning had gekozen; want die Adam en Eva en Saul zijn Mij zoo tegengevallen! Dat kan niet.
De Heere behoeft niets terug te nemen van hetgeen Hij heeft gedaan. De Heere vergist zich nooit. Hij behoeft nooit berouw, spijt te hebben over 't geen Hij deed. Bij den volmaakt wijzen God is geen verandering of omkeering in Zijn willen mogelijk „en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mensch, dat Hem iets berouwen zou". (1 Sam. 15 vs. 29b.).
De Heere klaagt dus niet over wat Hij Zelf verkeerd gedaan heeft, zooals de mensch berouw kan hebben, over hetgeen hij misdreef.
't Is heel iets anders.
De Heere spreekt hier in de taal des menschen; zóó, dat de mensch kan verstaan en aanvoelen, wat bij den Heere omgaat.
Hij vertolkt in menschelijken taal, wat er diep in Zijn Goddelijk hart omgaat. Ook bij den Heere zijn bewegingen der ziele, smarten des harten! (Gen. 6:6b). Hij, de Schepper, leeft mee met Zijn schepselen. En nu is de zonde, de gruwel, de ongerechtigheid bij het eerste menschengeslacht zóó hoog geklommen, dat de Heere smarte lijdt aan Zijn hart; het geeft Hem verdriet, tot in de binnenste bewegingen der ziele.
De Heere is dus niet Een, die Zich vergist heeft.
Hij is geen onmachtige, weerlooze, die verdrietig er bij staat, dat het maaksel van Zijn hand gebroken daar ligt. Maar de Heere, die alles heeriijk schoon gemaakt heeft en den mensch in vrijheid gezet heeft, om Hem vrijwillig lief te hebben, lijdt smarte aan Zijn hart (Gen. 6: 6b) over den val en de ongehoorzaamheid van het eerste menschenpaar en bij de groeiende, vreeselijke goddeloosheid van de eerste wereld, die spottend hoe langs hoe verder afwijkt van den Heere.
De Heere heeft smart over den mensch, het beeld Gods, gevallen tot zoo gruwelijke ongerechtigheid.
En dat wekt Zijn toorn, want de Heere is heilig en rechtvaardig.
Dat maakt, dat Hij zóó gaat optreden tegen den mensch, dat Hij hem komt straffen.
Wat geldt voor de eerste wereld; en dat geldt óók ten opzichte van Saul, die eerst gehoorzaam, later des Heeren woord verwerpt.
De Heere verbergt het niet, wat er in Hem omgaat.
De Heere verbergt het niet, dat Hij nu ook anders zal optreden dan tot nu toe.
De eerste wereld zal het ervaren, dat de Heere, die droefheid kent, omdat het maaksel van Zijn hand de ongerechtigheid kiest iboven de gerechtigheid, die ongerechtigheid weet te straffen.
Saul zal het ervaren, dat de Heere, die zoo liefderijk voorkwam met Zijne zegeningen en beloften, den hardnekkigen zondaar niet ongestraft laat.
En om nu die veranderde handelwijze Gods tegenover de eerste wereld en tegenover Saul te teekenen, zegt de Heere dat Hij er een eind aan maken zal. De eerste wereld zal vergaan. Saul zal verworpen worden. Met den Heere valt niet te spotten!

De Joodsche Professor.
Ook de Joden zijn met den Joodschen professor Palache, opgetreden aan de Amsterdamsche Gemeente-Universiteit, niet tevreê. Want in „het Nieuw-Israëlietische Weekblad" van 30 Jan. 1925 komt de volgende zinsnede voor :
„Ook uit deze rede blijkt, dat prof. Palache zich stelt op het standpunt van de historische critiek, en het woord van de Heilige Schrift, zelfs het woord van de Thora niet als objectieve waarheid, niet als het overgeleverde woord Gods beschouwt".
Het blad spreekt verder uit, dat het te betreuren is, dat, waar prof. Palache zich beriep op den beroemden Joodschen apologeet Maimonides, hij dezen niet evenzeer gevolgd is in zijn geloofspunten, waarin hij zegt met volmaakte trouw te gelooven in de authenticiteit van Thora en profeten. En het wijst er op dat duizenden wetenschappelijke mannen, ook onder de Nederlandsohe professoren, anders denken over de verhalen van Jona en Bileam dan prof. Palache.
Dus, zelfs voor de eigen broeders is deze professor, die 't hoogleeraarschap in de Semietische talen en de exegese van het Oude Testament aanvaard heeft met een rede over „het karakter van het Oud-Testamentisch verhaal", geen welkome gast. Voor wie dan wel?

Het supra- en infralapsarisme.
Over het supra-lapsarisme en het infra-lapsarisme werd misschien vroeger meer gesproken dan tegenwoordig. Men zei dan ook wel: boven-val drijvers en beneden-val drijvers. Waarbij dan de kwestie gaat over: het besluit Gods tot en vóór den val of: over den val en het besluit Gods. Neemt men eerst het besluit en dan den val, dan noemt men dat: supra-lapsarisme of boven-val drijverij; neemt men eerst den val en daarna het besluit dan heet dat: infra-lapsarisme of beneden-val drijverij.
Men voelt de moeilijkheid en eenzijdigheid, welke bij beide beschouwingen gevonden worden.
Dr. Dijk spreekt er in zijn lijvig boek: „Om 't eeuwig welbehagen" (dat reeds in 2den druk verscheen!) aldus over, in navolging van dr. A. Kuyper Sr.:
„Waarom gaat dus het geschil?
Om het verband tusschen Gods besluit en onzen val.
Concludeert men uit het besluit tot den val, dan raken we alle verantwoordelijkheid en schuld kwijt (en dat is het gevaar van het supra-lapsarisme), maar gaan we uit den val tot het besluit, dan is er (en dit is de schaduwzijde van het infra-lapsarisme) geen besluit meer. Het supra-lapsarisch gevoelen doet dus schade aan Gods heiligheid, het infralapsarisch aan zijn majesteit - en souvereiniteit; en de Schrift handhaaft beide. Zij laat niets vallen, noch van Gods raad, noch van onze verantwoordelijkheid. Voor dit geweldige probleem hebben wij eerbiedig het hoofd te buigen. Het verband tusschen Gods vrijmacht en onze schuld, tusschen zijn raad en onze verantwoordelijkheid, doorgronden wij niet, en het is in der waarheid, dat op de wegen der kennisse Gods wij slechts de uiterste einden bewandelen".
De schrijver herinnert ook nog aan de vergeefsche pogingen van mannen als Trigland en Mastricht, Voetius en Hoornbeek, om die twee beschouwingen te verzoenen. Maar hij doet zelf geen poging in die richting. Zijns inziens vormen de supra-lapsarische en de infra-lapsarische beschouwing geen absolute tegenstelling. Hij laat ruimte voor het zeggen van Spanheim dat hij op den academischen katheder en in zijn studeerkamer supra-, maar in het onderwijzen van de gemeente infra-lapsariër was. Zelfs meent dr. Dijk te kunnen constateeren, dat beide beschouwingen rusten in de Heilige Schrift. Hij schrijft dienaangaande:
„Het infra-lapsarisme, dat de verkiezing en verwerping meer opvat als da­den van Gods barmhartigheid en rechtvaardigheid, en dies, om de heiligheid Gods te handhaven, den heilsraad stelt na den val, kan zich beroepen op al die teksten welke de voonbestemming van 's menschen eeuwig lot terugvoert tot Gods genade en recht, b.v. Deut. 7 vers 6 v.v.; Matth. 12 vers 25 en 26; Joh. 15 vers 19; Rom. 9 vers 15 en 16, Efeze 1 vers 4—12; 2 Tim. 1 vers 9. Het supralapsarisme daarentegen, dat hooger klimt en alles uit Gods welbehagen afleidt om daardoor zijn souvereiniteit te eerbiedigen, vindt steun in uitspraken als Psalm 115 vers 3; Spreuken 16 vs. 4; Jesaja 45 vers 9; Mattheus 20 vers 15 , Rom. 9 vers 17—21. Gods Woord doet dus geen keuze. De twee voorstellingen staan naast elkaar. Ze bezien de dingen van twee verschillende kanten. Het supra-lapsarisme let meer op de ideëele orde en beschouwt alles van Gods kant; het infra-lapsarisme volgt de historische orde en redeneert van achteren af en van ons menschelijk standpunt uit".
Dit is een belangrijk citaat, waarin door dr. Dijk, die aan de Vrije Universiteit gepromoveerd is op een proefschrift: Supra-en infra-lapsarisme, de kwestie juist gesteld is.
„De twee voorstellingen staan naast elkander. Ze bezien de dingen van twee verschillenide kanten. Gods Woord doet geen keuze maar geeft beide".
Als de mensch alles van de zijde Gods bezien wil, ligt hierin het gevaar, dat een nietig menschenkind in den raad Gods wil gaan aanzitten, om Gods doen in alles te verklaren.
Wie het beproeft, maakt zich aan vermetelheid schuldig.
Op de Dordtsche Synode in 1618—19 heeft men het onbeslist gelaten. Men waardeerde elkanders gevoelen, waar beider meeningen in de Heilige Schrift rustten.
En onze Ned. Geloofsbelijdenis heeft, zooals men weet, in art. 16 den toon van het infra-lapsarisme aangeslagen en vat de verkiezing en verwerping meer op als daden van Gods barmhartigheid en rechtvaardigheid, hoewel belijdende, dat de Heere alle dingen werkt naar den raad Zijns willen en al Zijne werken Gode van eeuwigheid zijn bekend.
Deze problemen zóó van twee kanten te belichten met het schijnsel van Gods Woord, verdient wel aanbeveling.

De Hoogeschool des H. Geestes.
Iemand, die het zeer zeker goed bedoelt, schreef ons, dat hij het niet met ons eens is, dat de opleiding van herders en leeraars afhankelijk is van onderwijs als van prof. Visscher en anderen, maar dat het veel meer gaat om op „de hoogeschool des Heiligen Geestes" geleerd te worden.
Nu is het niet voor 't eerst, dat deze opmerking gemaakt wordt; en het is ook niet voor 't eerst, dat wij over deze zaak schrijven. Een van onze propaganda-blaadjes, vroeger vanwege den Gereformeerden Bond uitgegeven, handelt daar bijna geheel over.
Daarom zullen we er nu niet diep en breed op ingaan.
Alleen willen we nog eens zeggen: laten menschen, die het natuurlijk goed bedoelen, toch voorzichtig met de dingen zijn, dat ze niet eenzijdig de dingen in een verkeerde richting drijven.
Want natuurlijk moet men, zal het goed zijn, op „de hoogeschool des Heiligen Geestes" geleerd worden. Die dat ontkent en dat niet als een eerste en allervoornaamste zaak stelt en blijft stellen, die loopt God voorbij in Zijn ondoorgrondelijk, onmisbaar en allerheerlijkst werk, 't welk Hij wil komen verrichten aan de ziele van Zijn kinderen. „Zonder Mij kunt gij niets doen", geldt ook hier.
Doch dat mag ons niet blind doen zijn voor de wegen en de middelen, waarmee de Heilige Geest werkt, gebruikende Gods Woord en gebruikende degenen, die in het Woord onderwijzen en het Woord uitleggen; gebruikende de opvoeders der jeugd, ook gebruikende de opvoeders en leermeesters der studenten, die in een tijd van voorbereiding zijn.
Nooit hebben onze Gereformeerde vaderen dan ook het noodzakelijke en nuttige van een goede, degelijke opleiding der theologische studenten aan de Universiteit ontkend. Integendeel: het is allernoodzakelijkst en buitengewoon heerlijk, indien onze jonge theologen een man van godzaligheid en wetenschap tot leidsman en leermeester mogen hebben.
Prins Willem van Oranje heeft het, 350 jaar geleden, wel goed gezien, dat een goede Universiteit in het belang van de theologie en van de Kerk is. Luther en Calvijn dachten er niet anders over. En wij hebben ook in die wegen te wandelen.
Daarom moet het ons tot droefheid zijn, dat de opleiding van onze a.s. predikanten veelszins zoo treurig is; en 't mag, ja, het moet ons dankbaar en blij stemmen, indien er in deze aanmerkelijke verbetering is gekomen; waarmee de studenten zelf dan ook, gelukkig, zeer zijn ingenomen; natuurlijk voor zoover ze liefde hebben voor de Gereformeerde Waarheid, die naar Gods Woord is. Als de Heere ons in deze in de middelen zegenen wil, moeten we daarvoor niet blind zijn; want: „gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken" heeft de Heiland als een gezonde, schriftuurlijke waarheid, ook onder óns, neergelegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's