Uit de Pers.
De Profeet Mohammed.
In het Doet. Weekblad geeft ds. H. Visser een breed verslag van een lezing van prof. dr. H. Th. Obbink van Utrecht over bovengenoemd onderwerp. Wij geven daaraan gaarne hier een plaats, omdat er natuurlijk ook onder ons wel zijn die van „den grooten profeet" gaarne iets naders hooren.
Het verslag luidt dan:
Prof. Obbinik wijdde 1e. enkele woorden aan den toestand van Arabië en de invloeden te midden waarvan Mohammed opgroeide; gaf 2e. een resumé van den levensgang van den profeet en eindigde met 3e. een uitvoerige beoordeeling van den persoon van Mohammed, die door millioenen volgelingen de grootste van alle profeten geacht wordt.
I. Arabië was grootendeels woestijn, waarin enkele steden en dorpen, die dagreizen van elkander verwijderd lagen. De zwervende Bedouïnen stammen onderhielden door hun koophandel het verkeer tusschen deze plaatsen. Verscheidenen van deze woestijnbewoners bleven echter hechten in die steden en dorpen, als aanslibsel na den vloed. Toch waren de Bedouïnen geen vaderlandloozen, zij hadden hun eigen oasen, van waaruit zij met andere oasen handel dreven, huwelijken sloten, maar ook dikwijls vochten. Zij zijn te vergelijken met een bedelaarsgroep'in eene groote stad, die allerlei tochten in alle richtingen onderneemt, maar steeds weer naar het punt van uitgang terugkeert.
Mekka en Medina waren de grootste steden, waar langzamerhand door den handel der Bedouïnen jaarmarkten ontstonden. Daar stroomden de duizenden bijeen, niet altijd met vreedzame bedoelingen, dikwijls ook om bloedveeten uit te vechten en moorden te wreken.
Om dien strijd te voorkomen had men te Mekka een soort Godsvrede ingesteld. In de maand Ramadan mocht geen bloed vergoten worden en dan werd juist de jaarmarkt gehouden; bovendien werd rondom de stad een cirkel getrokken, een terrein afgebakend, waarbinnen niemand, zelfs geen dier, gedood mocht worden en geen boom gekapt. Zoo werd Mekka het centrum van de Bedouïnenstammen.
Nu vindt men nooit een volk of stam zonder religieuse ceremoniën; naast hun handeldrijven dienden ze te Mekka hunne goden. De Kaaiba (== kubus, dobbelsteen) werd het heiligdom van al die stammen en bevatte +/- 300 godenbeelden. Zo was er naast commercieel ook godsdienstig contact tusschen de Arabische stammen.
Er woonden echter niet alleen Heidenen in Arabië, ook Joden en Christenen. De eersten waren daarheen gevlucht na de verwoesting van Jeruzalem, de laatsten stamden uit Abessinië, hun Christendom was zeer ontaard. Arabieren, Joden en Christenen vormden de bevolking van Arabië, toen M. geboren werd; de algemeene practijk was echter zoowel bij de Joden als bij de Christenen heidensch.
II. in het jaar 570 werd M. geboren; zijn vader was toen reeds gestorven en op 6-jarigen leeftijd verloor hij zijn moeder. Hij werd toen opgevoed door zijn oom Abutaleb in zeer bekrompen omstandigheden; hij hoedde diens schapen, totdat hij in aanraking kwam met een schatrijke weduwe Kadidscha, die zich bijzonder voor den scherpzinnigen jongeling interesseerde. Deze stelde hem tot leider aan van hare karavanen, die handel dreven tusschen Egypte en Syrië Op die reizen heeft M. zeer veel geleerd.
Toen M. 21 jaar was trouwde hij met zijn 40-jarige beschermvrouw; nu was hij van een armen herdersjongen ineens een welvarend man geworden. Uit zijn huwelijk sproten twee zonen en vier dochters, die alle jong en kinderloos stierven.
M. was als kind een droomer; hij was teruggetrokken van natuur, vaak somber gestemd en hield zich gaarne op in de holen en spelonken bij Mekka. De ruwe zeden van de stadsbewoners hinderden hem; ontucht, dronkenschap, dobbelspel, de bloedwraak en vooral het levend begraven worden van pasgeboren meisjes — bij de Semieten telden de meisjes niet mee — ergerden zijn gevoelig hart.
Mohammed had zeker een psychisch defect. De een zegt, hij was hystericus; de ander epilepticus. Aan hallucinaties leed hij in elk geval, 't Is moeilijk hem juist te beoordeelen, omdat wij alleen over gegevens van Mohammedanen beschikken.
In 610 bevond M. zich in een spelonk en geraakte in een zielsverrukking, waar in hij den engel Gabriel tot hem hoorde zeggen: Ikra d.i. lees of predik. Hij kon echter niet, omdat hij ongeletterd was, noch lezen noch schrijven verstond. In een worsteling met den engel werd hij overwonnen, ging toen naar huis, wierp zich schuimbekkend op zijn bed en toen kwam de eerste openbaring van Allah, die te vinden is in hoofdstuk 96 van den Koran.
Toen hij weer bijkwam, meende hij door een daemon bezeten te zijn; zijn vrouw zeide, dat Allah hem verschenen was. Later krijgt hij weer een visioen, waarin Gabriel tot hem zegt: „Heil u, o Godsgezant!" Toen geloofde hij en volgde de eene openbaring op de andere, altijd in ecstatischen toestand, nooit bij bewustzijn. In die dagen liep hij met zelfmoofd-plannen rond, hij wilde en durfde geen profeet zijn. Langzamerhand werd hij kalmer en aanvaardde de taak, waartoe Allah hem riep.
Hij kreeg nu openbaringen over allerlei onderwerpen: God, de schepping, het oordeel, die alle in den Koran te vinden zijn. Daarin staan ook lange verhalen over Abraham, Jakcb, Jozef en Jezus, die M. niet gestolen heeft uit den Bijlbel — hij kon immers niet lezen —, maar die hij van Joden en Christenen had vernomen.
Aanvankelijk had M. weinig invloed; alleen zijn vrouw en naaste omgeving geloofden in hem. De aanzienlijke Mekkanen bespotten hem. Terwijl hij nog in het geheel geen invloed had, riep hij geheel Arabië op tot den Islam, welk woord onderwerping, overgave beteekent. Na jaren van spot bekeerden zich de invloedrijke Mekkanen Abubekr, de latere Kalif, en Omar, een man van gezag in de stad. De spot ging over in vijandsohap, wat veel beter is; toen moest M. het winnen, want hij stond met een levende overtuiging tegenover de doode traditie. De Mekkianen, die enkel eigen voordeel zochten, begrepen hem niet in zijn ernst, boden hem geld aan dat hij zijn mond zou houden. „Al gaaft ge mij in de eene hand de zon, in de andere de maan, dan zou ik nog geen duimbreed afwijken", was M's bescheid. Toch had hij ook zwakke oogenblikken, hij deed concessies aan de praktijk; enkele afgoden mochten voorloopig in de Kaäba blijven.
De Mekkanen deden hem in den ban; een vreeselijke zaak in een Oostersche stad, waar de afzonderlijke volksgroepen in kwartieren wonen; de ban treft de geheele familie; alle contact is verbroken; men is dood en vogelvrij verklaard. M. hield het uit, terwijl zijn familie hem smeekte om het op te geven. „Allah wil het", was zijn antwoord. Toen werd de ban opgeheven, omdat zij niets uitwerkte. Na die overwinning gaat M. naar een plaats in de nabijheid van Mekka, doch daar moeten ze niets van hem hebben; als een afgeranselde hond keert hij terug.
Toen volgde de Hedsjra, d.i. de uitwijking naar Medina, dat nu de stad van den profeet werd, in het jaar 622, tevens 't begin van de Mohammedaansahe tijdrekening.
In Medina werd M. organisator. Hij trachtte tevergeefs contact met de Joden en met de Christenen te krijgen; de eersten zeiden dat hij het Oude - de laatsten, dat hij het nieuwe Testament vervalscht had. Toen ging hij met list te werk en gebruikte het Oostersche gastrecht om de medewerking en de bescherming van zijn gastheeren te winnen. Hij wist door vriendelijkheid toegang te krijgen tot de tafels der voornaamste Medinensers. Toen zocht hij ruzie met Mekka, door een karavaan aan te vallen. Zijn gastheeren moesten hem helpen in den oorlog tusschen de beide groote steden; in twee slagen werd Mekka veroverd. In 629 was hij heer van Mekka; daarna ook spoedig van geheel Arabie.
In 630 werd de eerste heilige bedevaart naar Mekka gehouden, die nog altijd met precies het zelfde ceremonieel plaats vindt. Vervolgens wendde hij zich in brieven naar Konstantinopel en Noord Afrika.
In 632 werd M. ziek; met hooge koorts besteeg hij nog den kansel van de Moskee te Mekka en sprak in zeer verzoenenden toon. Den 8sten Juni stierf hij; zijn laatste woorden waren: Ja, daarboven, daarboven in het paradijs !
III. Weinig menschen zijn zoo verschillend beoordeeld als M. De een noemt hem een aartsbedrieger, de ander een profeet! Daartusschen liggen alle andere oordeelen. We dienen twee perioden in zijn leven te onderscheiden; te Mekka was hij meer de man van het woord; te Medina de man van de daad. Over het algemeen is M. moeilijk te waardeeren; religieuse genieën laten zich niet meten. Hij was een gecompliceerde natuur met geweldige psychologisahe conflicten; nu eens groot, dan heel klein; week als een kind, hard als graniet; hij was naïef en geraffineerd, nederig en trotsch; weifelend en resoluut; sympathiek en afstootend; principieel en opportunist; vol tegenstrijdigheden, stellig pathologisch.
Het ergste in hem was dit: hij dekte zijn zinnelijke hartstochtelijkheid met goddelijke openbaringen. Hij wilde bijv. gaarne de vrouw van zijn aangenomen zoon huwen; wat het recht verbood, om dat adoptief-zonen met eigen zonen gelijk staan. Hij krijgt dan een openbaring, dat adoptief-kinderen niet als eigen kinderen gelden en hij huwde zijn schoondochter.
Een tweede voorbeeld: een mohammedaan mag hoogstens vier vrouwen hebben. Een strooptocht bracht mooie Joodsche vrouwen naar Mekka, die M. zeer bevielen. Hij valt in trance en krijgt een openbaring, dat de profeet zooveel vrouwen mag hebben als hij wil; toen had hij er spoedig elf.
Is daarmee het vonnis over M. geveld? Is hij een bedrieger? Men moet voorzichtig zijn. Dit is maar één kant van zijn veelzijdige persoonlijikheid. Er zijn zeer veel dingen, die voor hem pleiten; o.a. de eerste bekeerlingen maakte hij in zijn onmiddellijke omgeving; dat zegt veel.
Abubekr en Omar, de eerste volgelingen buiten zijn eigen omgeving, waren hoogstaande mannen.
Hij hield ondanks alles vol in de overtuiging: ik mag en kan niet anders; hij heeft den Mekkanen vergiffenis geschonken; hoewel schatrijk, is hij toch straatarm gestorven; hij heeft alle persoonlijke hulde steeds afgewezen; als hij zich vergist had, beleed hij openlijk schuld ; hij wilde nooit meer zijn dan profeet, geen wonderdoener of God.
Dat zijn mooie qualiteiten. Subjectief was hij volkomen eerlijk en meende als Paulus Gode een welbehagelijk werk te doen.
Dus een profeet? 't Hangt er vanaf, wat men daaronder verstaat; iemand, die door Ood geroepen z of die zich door God geroepen acht. In den laatsten zin was hij ongetwijfeld profeet.
't Is onbillijk, M. de veelwijverij en het levend begraven worden der pasgeboren meisjes te verwijten; deze gruwelen waren in Arabië; hij heeft ze beperkt. Hij heeft ontzaggelijk veel goed voor Arabië gedaan, ook op sociaal gebied. Het gebruiken der openbaringen tot eigen voordeel, dat missen we bij de O.T. profeten; in zoover was M. dan een pseudo-profeet, niet direct een leugenprofeet.
In zijn tweede periode begon M. te zakken; zijn beenen waren niet sterk genoeg om de weelde te dragen. Wel treft ons in hem het onsystematische, 't onverschrokkene van den profeet, die niet redeneert; vandaar ook tallooze tegenspraken in den Koran. Een groote religieuse waarheid drijft hem, hij projecteert zijn eigen zieleleven en dat zijn zijn openbaringen.
M. is de stichter van den Islam; een der grootste godsdiensten van de wereld.
We mogen den Islam niet vereenzelvigen met Mohammed, want die beide staan nog verder van elkander af dan de Christenen van Christus. De latere Mohammedanen hebben veel op Mohammeds rekening gezet, waaraan hij onschuldig is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's