De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Zijt Gij degene, die komen zoude? .....

8 minuten leestijd

Zijt gij degene die komen zoude? ..... Mattheüs 11: 2-6

Indien wij de geschiedenis niet kenden, maar dezelve voor het eerst hoorden of lazen, dat iemand tot den Heere Jezus kwam met de hierboven vermelde vraag, dan zouden we gedacht hebben: dat is de vraag van een, die nog in den blinde rondtast en geen zekerheid heeft, daar hij Jezus nog niet kent. Maar we zouden wel het allerminst en het allerlaatst gedacht hebben dat de vraag kwam van Johannes den Dooper.
Hij, de heraut, de voorlooper en wegbereider des Heeren.
Hij, die immers zelve met groote beslistheid en kracht de komst van den Christuis had aangekondigd en gezegd tot de schare: ,,Hij staat midden onder ulieden", en met den vinger wijzend op Jezus, het zoo bekende getuigenis had afgelegd: „Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt".
Wie zou gedacht hebben dat diezelfde Johannes, die toen zoo vurig en beslist predikte, er ooit toe zou komen om boodschappers te zenden tot den Heere Jezus met de vraag: „Zijt Gij degene, die komen zoude, of verwachten wij eenen andere?"
O, 't is wel te verstaan dat er eminente denkers geweest zijn en nog zijn, die dit lezende en overdenkende hebben verklaard: „Dit heeft Johannes niet gedaan ten behoeve van zichzelve, maar terwille van zijne discipelen, die hieromtrent nog geen vastheid hadden, opdat die discipelen uit het antwoord des Heeren overtuigd zouden worden".
Maar deze oplossing doet aan den ernst der vraag te kort, want als dat zoo was, zou Johannes het niet ernstig gemeend hebben met zijne vraag aan den Heere Jezus, maar haar uit eene bij-oorzaak en met een nevenbedoeling gedaan hebben, hetgeen wij toch niet mogen aannemen.
Johannes deed de vraag waarlijk niet louter om zijn discipelen, doch ook om zijns zelfs wille.
Maar, zult gij zeggen, heeft dan de rots op haar wortel gewankeld?
Heeft ook Johannes den vasten grond des vertrouwens een oogenblik onder de voeten verloren?
Zegt de Heere Jezus zelve dan niet van hem, dat „onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, niemand is opgestaan meerder dan Johannes de Dooper?"
Wij mogen dus wel zeer nauw onderscheiden wat eigenlijk de twijfel van Johannes geweest is.
Op de allesbeslissendie vraag: Wat dunkt u van den Christus? was Johannes het antwoord niet schuldig gebleven, maar met geheel zijn hart en geheel zijn ziel had Johannes op Jezus leeren zien en in Jezus den aan de vaderen beloofden Messias gevonden. En zijne ziel was verblijd geweest met onuitsprekelijke vreugde. Voor eens en voor immer had hij er ja op gezegd, en was het nu dan weer eene vraag voor hem?
Laten we zijn levenslot vooral hierbij in aanmerking nemen; de omstandigheden, waarin hij verkeerde.
En dan kunnen we er inkomen, dat Johannes heftige bestrijdingen had te doorworstelen, zoodat het bij oogenbhkken wel schijnt, dat, evenals later bij Thomas, de parel des geloofs verzonken was in een diepe zee van vertwijfeling.
En het is zoo waar, wat een christen eens zeide: „Wie nog nooit heeft getwijfeld, die heeft ook nog nooit geloofd".
Het echte geloof wordt zeker bestreden. Evenals Asaf's geloof bestreden werd en geslingerd, toen hij zag op de wijze, waarop de Heere de wereld bestuurde, en die hij totaal niet kon begrijpen, maar ongerijmd achtte, zoo was ook het optreden van den Heere Jezus onder Israël voor Johannes geheel onverklaarbaar. Het strookte niet met zijn inzichten. Was hij, Johannes, dan niet gezonden als heraut om te prediken, en had hij dan niet getroUw zijne boodschap overgebracht en als boetprediker de oordeelen aangezegd, de weeën over alle goddeloozen, en verkondigd, dat de bijl alreede aan den wortel der boomen gelegd was? Aan Sadduceën en Farizeen, aan de tollenaren en de krijgslieden had hij het Woord Gods verkondigd; ja, zijne prediking was geweest in den geest en de kracht van Elia, geweldig als de stormwind.
Ook den koning had hij niet ontzien, maar, als eens Nathan den koning David, had hij koning Herodes zijn zonde onder het oog gebracht. Doch toen was Johannes geworpen in den kerker. O, donker was het daar in dat bergslot van Machaeron, maar stikdonker ook in de ziel van Johannes.
Was dit nu, wat hij verwacht had?
Sohrikkelijke bestrijdingen en bange vragen kwamen daar bij tijden in zijn gemoed op en zweefden hem op de lippen. Als we niet vreemd zijn aan het geestelijk leven, dan kunnen we het toch immers wel verstaan, niet waar, dat het daar in den kerker bij Johannes ook wel eens was, gelijk de dichter het uitdrukt in het Psalmvers (73 : 6):
Dan peinst de ziel: is 't waar, zou God
ook weten van mijn droevig lot?
Zou d' Allerhoogste van mijn klagen
En bitt're rampen kennis dragen ?
Maar de ergste bestrijding was voor hem dat de Heere zich niet onmiddellijk bij zijne prediking aansloot. Hij had dit wel gemeend, en dat de Heere het oordeel, hetwelk hij had aangekondigd, dadelijk zoude vervullen.
Maar nu zag hij niets daarvan.
De Heiland ging het land door goeddoende en riep allerwegen de vermoeiden en de belasten tot zich om bij Hem ruste te vinden voor hunne geslingerde zielen, en predikte behalve de rechtvaardigheid Gods ook de barmhartigheid en de genade.
En dat nu wilde er bij Johannes maar niet in. Hij had het zich zoo anders voorgesteld en zich den Heere Jezus ge­dacht vooral als Rechter, en Hij kwam als de Vredevorst. Was de Heere dan niet gekomen om aan Israël het koninkrijk weder op te richten en om de oordeelen te voltrekken, die bij hem op den voorgrond stonden?
Dat was eigenlijk de zaak, bij Johannes in den kerker. Met hart en ziel was hij aan den Heere Jezus verbonden en had hij gezegd: „Gij zijt Degene, die komen zoude".
Doch nu, in die eenzaamheid, ging de bestrijding zoover, dat hij, ziende wat voor oogen was, twijfelde.
Waarom kwam de Heere nu niet om zijn kerkerdeur open te sluiten?
Waarom oefende Hij geen gericht en zette Hij de dingen niet recht hier beneden ?
En zoo zond hij twee zijner bevriende discipelen tot den Heere Jezus om Hem die vraag, die zijn hart zoo beroerde, voor te leggen.
Wat antwoordt de Heere daarop? De Heere antwoordt hierop koninklijk, De Heere geeft wel een afdoend, echter geen rechtstreeksch antwoord. De Heere Jezus gaat op de twijfelingen niet in, neen. Hij zegt: „Gaat henen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet. De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen, de melaatschen worden gereinigd, en de dooven hooren, de dooden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd; en zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden".
Was dat nu een antwoord op de vraag, of Jezus de Messias wel was ?
Zeker wel. De Heere wilde het n.l. Johannes juist uit Zijne werken toonen, opdat Johannes dan de gevolgtrekking zou kunnen maken. Johannes kende toch immers de aloude profetieën aangaande den Messias, o.a. hetgeen geschreven staat in Jesaja 61: „De Geest des Heeren Heeren is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft, om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis". En de Heere Jezus deed immers juist diezelfde wonderen, die niemand anders doen kon, maar van den aan de vaderen Beloofde waren voorzegd.
Eer dat Hij het recht zou volvoeren en als Rechter kwam op de wolken om te oordeelen, kwam Hij als Middelaar om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.
Evenals Elia moest ook Johannes leeren dat Zijne komst was niet als de stormwind, niet in aardbeving of in vuur, maar in het suizen van eene zachte stilte.
Daartoe moest 't antwoord des Heeren allereerst strekken; maar dan ook bevatte het een zalige troost voor den discipel in zijne verdrukking.
Johannes was n.l. aan het einde van zijn loopbaan gekomen. Zijn werk was afgeloopen. Den Raad Gods had hij uitgediend. Nu de bruid bij den Bruidegom was gekomen, kon de vriend immers wel naar huis gaan. Hij kon in vrede henengaan, zijne ziel mocht de zalen binnengaan van het eeuwige licht. Hij verkreeg nu het einde zijns geloofs, n.l. de zaligheid zijner ziel, en zou dan niet meer langer zien als door een spie­gel in eene duistere rede, maar zou dan daarboven mogen aanschouwen, en dus ook opgelost zien hetgeen hij hier beneden met elkander niet had kunnen rijmen.
Na dezen zal het verstaan worden. Leere de Heere dat ook aan een iegelijk onzer!
Als soms een nacht van donkerheid op u neerdaalt, zoodat gij niet meer weet wat gij er van denken moet, o mocht dan dit Woord des Heeren „Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden" u dan ook mogen troosten te midden der verdrukkingen en u bemoedigen, om ook als alles zou tegenloopen, nochtans op God te hopen.
Zegge dan uw hart met den Psalmdichter:
Doch gij, mijn ziel, het ga zoo 't wil.
Stel u gerust, zwijg Gode stil;
Ik wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken".
Wie is er onder ulieden die den Heere vreest, die naar de stem zijns knechts hoort?
Als hij in duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des Heeren en steune op zijnen God.
Mijdrecht.                                                                                   J.G.R. LANGHOUT

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's