De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

11 minuten leestijd

In de Rijpere Jeugd, maandorgaan van den Ring „Rotterdam" van den Bond van Ned. Herv. Jongelingsvereeniglngen op Geref. grondslag, wordt door leden van de Jongelingsvereenigingen zelf werk geleverd, dat er zijn mag. Zoo komt er ook een rubriek, "Psychologie" in voor, bewerkt door een der ouderen onder de jongemannen. Misschien gaat het soms wel eens boven 't hoofd van deze of gene uit wat in deze rubriek gegeven wordt. Maar dat vinden we zoo erg niet, als de moeilijke en zware dingen maar eenvoudig en duidelijk gezegd worden. Dan voert het óp en prikkelt het tot lezen en nadenken. En daar toe zijn de stukken wel in staat. Wij knippen eens een artikel uit, om te laten zien wat onze jonge menschen denken en schrijven.
Boven het artikel, dat we op 't oog hebben, staat „Psychologie" en heeft tot opschrift DE WAARHEID, met het motto „vol van waarheid" (Joh, 1 vers 14. Het stuk luidt: "Wat ons niet verwondert, brengt ons niet in ontroering. En wat ons niet ontroert, noopt ons niet tot nadenken. Daarom begint alle nadenken met verwondering. De groote Grieksche wijsgeeren Plato en Aristoteles lieten dan ook alle wijsgeerig denken met verwondering beginnen.1)
Is er verwondering, dan ontstaat er nadenken. En nadenken baart vragen.
O, gelukkig, die leven kan en niet vraagt!
zong de weemoedsvolle Adama van Scheltema. Maar deze verzuchting is onmenschelijk. Want wie leeft, vraagt! En naarmate men dieper leeft, stijgt de nood van het vragen. De geschiedenis der wijsbegeerte is de dramatische geschiedenis van dit vragen!2)
Waar vraagt de mensch naar?
Naar waarheid!
In de verleugende wereld, midden waarin hij leeft, dorst, smacht de mensch naar waarheid. Zonder deze kan hij het niet doen althans niet bij voortduur en zeker niet bij den dood!
Maar wat is waarheid?
Zullen we dit wel vragen? Augustinus de grootste kerkvader van 't Westen 4) tevens de grootste Christelijke filosoof 5) waarschuwt ons: „Wil toch niet vragen wat waarheid is (want veel zal U doen verduisteren) de helderheid, die in het eerste oogenblik voor U oplichtte toen ik zeide : waarheid. Zie, dat ge blijift, indien ge kunt, in (de intuïtie van) dat allereerste oogenblik, waarin Uw geest als door lidht-sohittering wordt getroffen, zoodra gezegd wordt: waarheid".6)
Maar is dit mogelijk? Is het ons gegeven bij iets, wat wij intuïtief (als bij ingeving) voor „waar" houden, te blijven staan; zullen we dit kunnen? Oók als we tegenover anderen willen uiten en in woorden brengen willen, wat wij „gevoelen"?
Augustinus geeft zelf ondubbelzinnig het antwoord: non potes — gij kunt niet!
We zullen, als we iets door intuïtie als waarheid hebben leeren kennen bij ingeving, wij zullen verder willen gaan. Want...., die waarheids-intuïtie brengt ons in verwondering, in ontroering en drijft ons tot nadenken, tot formuleering van onze gedachten,
Den mensch eigen is het dus te vragen; want vragen is menschelijk. De eeuwen dóór heeft men allerwegen gevraagd: wat is de waarheid? Wie nu de openbaring der bizondere genade mist, staat als een zwerver.
Wat zijt ge dan wereld ?
Ach, altijd weer
Ach, altijd weer een beeld van beelden.
Is er niet meer?
zong Ad. van Scheltema.
Moe-gezocht of moe-geworsteld, werd de één wanhopig, de ander verloor zijn waarheids-hartstocht; beiden gingen ongetroost heen. Maar anderen bleven daarna (en blijven nog) zoeken, worstelen, strijden om de waarheid. Wie zien wil hoe heftig de strijd, hoe moeizaam voortgezet wordt de kamp om waarheid, die koope zich „Practische Wijsbegeerte" van prof. J. O. Wattjes 7) Vooral in het tweede deel zal hij dan zien, dat het „einddoel en de drijfveer van de wijsbegeerte (is) kritisch na te gaan wat te verstaan is onder waarheid, die in de wijsgeerige werkzaamheid van den geest wordt gezocht". 8)
Voor wie wijsgeerige belangstelling heeft, kan dit werk dienen als inleiding tot het geoefend, methodisch denken. Maar meer nog kan het dienst doen om de geestelijke armoede te aanschouwen van hen, die buiten DE waarheid om tot een definiëering pogen te komen van wat waarheid is. Een schitterende maar diep-tragische illustratie van Matth. VII, 27 biedt het. Het kan voor den lezer aan woorden, die vaak gehoord en menigmaal uitgesproken zijn, weer volle realiteit (werkelijkheid) verleenen.
Want wat zegt het eigenlijk, zoo wij belijden dat Jezus Christus DE Waarheid is, indien we niet weten, als bij ervaring weten, wat het is: zonder Waarheid te zijn. Wordt een zaak niet het best gekend uit haar tegenstelling? Gemis eerst leert waardeeren.
Zie, in tegenstelling met de waarheiddorstige zielen en waarheid-zoekers heeft een oprecht geloovige iets, neen, Iemand, die vol van waarheid is, n.l, Christus.
De Christelijke godsdienst is niet alleen een godsdienst van genade, maar ook van waarheid. De wijsgeeren „geeren", d'.w.z. zijn begeerig naar wijsheid, naar waarheid. En het is goed, dat wij eens gadeslaan, hoe pijnlijk dit hun zoeken is. Zij trachten te weten te komen wat God, wat mensch, wat wereld is. Maar wat zij zoeken, hebben de geloovigen!
De ongeloovige-wijsgeer vraagt: wat is God ?
De geloovige-filosoof antwoordt: (en wij vragen U, lezer, dit volgende citaat eens ernstig te lezen, langzaam, woord voor woord in U opnemend. Wellicht zijn het „bekende" woorden, gedachten, uitspraken. Maar desniettemin van diepe beteekenis) „God zelf is de waarheid, de waarachtige, de wezenlijke God, in onderscheiding van alle schepselen, die geen bestand hebben in zichzelven in tegenstelling vooral met de menschen, die leugenachtig, en met de afgoden, die nietigheid en ijdelheid zijn. En omdat God loutere waarheid is, enkel licht zonder duisternis, daarom is waarheid ook, al wat van Hem uitgaat. Zijn woorden en werken. Zijn rechten en geboden. Al wat Hij doet staat op recht en waarheid pal, als op onwrikbare steunpilaren. Bepaaldelijk heet Christus als de hoogste en volkomenste Openbaring Gods de weg, de waarheid en het leven. Hij is immers het Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was, het beeld des onzienlijken Gods, het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgezochte beeld Zijner zelfstandigheid, in wien de volheid der Godheid lichamelijk woont en alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Wat niemand vermocht, heeft Hij gedaan. Niemand heeft ooit God gezien; de eengeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard; Hij heeft zijn naam ons geopenbaard en ons den Waarachtige doen kennen. En die verklaring van den naam des Vaders heeft Hij tot in den dood toe gestand gedaan; onder Pontius Pilatus heeft Hij de goede belijdenis afgelegd; Hij is de getrouwe getuige, de eerstgeborene uit de dooden. Zijn Evangelie is dan ook het woord der waarheid. En opdat wij dit Evangelie gelooven en verstaan zouden, heeft Hij den H. Geest gezonden, die, als de Geest der waarheid, ons in alle waarheid leidt en haar in onze harten betuigt en verzegelt. Wie dit Evangelie geloovig aanneemt, zijn uit de waarheid, worden door de waarheid herboren, geheiligd en vrijgemaakt. Zij zijn in de waarheid en de waarheid is in hen. Zij spreken en doen de waarheid en hebben voor hare belijdenis zelfs het leven veil". 9)
Nog eens: de waarde dezer woorden kan het best geschat worden door hen, die gezien hebben, hoe zij worstelen en strijden, die DE waarheid niet kennen. Beter nog door hen, die eens in gemis aan die Waarheid leefden of twijfelden aan de absoluutheid er van.


1) Max Wentscher. Einführung in die Philos. Leipzig 1920. S. 7,

2) Aangehaald door B, Wielinga, In de school der Wijsbegeerte. Amsterdam 1924. blz. 280.

3) B. Wielinga. Als boven.

4) Haitjema,

5) Hofer, Aangehaald bij Wielinga. blz. 66.

6) Dr. Th. L. Haitjema. De Norm der Waarheid. Groningen 1923. Pag. 6. Uitgegeven bij Meinema, Delft 1924.

7) Wattjes, pag. 13.

8) Dr. H. Bavinck. Christelijke Wetenschap. Kampen 1904, blz. 10.

Een motie met toelichting.
De Classis 's Gravenhage der Gereformeerde Kerken zond aan de Tweede Kamer der Staten Generaal onderstaande motie met toelichting:
De Classis 's Gravenhage der Geref. Kerken in Nederland. In vergadering bijeen op 12 Februari 1925;
kennis genomen hebbende van het door de Regeering bij de Volksvertegenwoordiging ingediende wetsvoorstel, om gedurende vier jaren ƒ250.000, — per jaar subsidie te verieenen aan de in 1928 in ons land te houden Olympische spelen;
ten zeerste betreurende, dat door de Regeering wordt voorgesteld steun te geven aan spelen, waardoor de dag des Heeren wordt ontheiligd, voor velen de Zondagsrust onmogelijk wordt gemaakt, en, gelijk met name gebleken is bij de achtste Olympiade te Parijs gehouden, de gevaren voor het geestelijk en zedelijk welzijn van ons volk zich onrustbarend verscherpen;
overwegende, dat èn om de religieuse en moreele bezwaren èn met het oog op de groote bezuiniging in dezen tijd, de voorgestelde steunverleening in bijzondere mate ongewensoht is;
verzoekt met allen aandrang Uw hooggeacht College aan dit wetsvoorstel zijn goedkeuring niet te geven, en deze subsidie af te wijzen.
De toelichting op het adres luidt:
De Classis 's Gravenhage der Geref. Kerken neemt de vrijheid haar adres aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, inzake de voorgestelde subsidieregeling aan de negende Olympiade, met een enkel woord toe te lichten. In de eerste plaats heeft zij ernstig bezwaar tegen dezen steun, omdat op deze wijze de Regeering meewerkt aan de ontheiliging van den dag des Heeren. Uit het verslag van de Olympische spelen, te Parijs gehouden, is n.l. gebleken dat de wedstrijden aldaar op Zondag zijn begonnen, en de voornaamste spelen op dien dag zijn gehouden, en het is buiten twijfel, dat ook in ons land de rustdag voor deze wedstrijden zal gebruikt worden. Afgedacht nog van alle rustverstoringen, die deze spelen met zich medebrengen, wordt een groot deel van ons volk, en inzonderheid dat deel, dat tot de Gereformeerde Kerken behoort, door een dergelijke ontheiliging van den dag des Heeren in zijn diepste, religieuse overtuiging gekwetst. Het heeft reeds ernstige bezwaren tegen het feit, dat de Overheid zulk een publieke schennis van den dag Gods toelaat, doch het voelt zich nog meer gegriefd, wanneer de Regeering aan deze Zondagsontheiliging door geldelijken steun medewerkt. Daarom meent de Classis 's Gravenhage, waar het de roeping der Kerk is om te waken voor de geestelijke goederen van ons volk, ten zeerste tegen zoodanige subsidieverleening te moeten opkomen en de Tweede Kamer der Staten Generaal te verzoeken, het voorstel der Regeering af te wijzen.
Echter, niet alleen is het de zaak der Zondagsheiliging, die haar dringt om dit adres tot U te richten. Ook uit een oogpunt van Zondagsrust acht zij deze Olympische spelen een groote geestelijke schade voor ons volk, en betreurt zij, dat de Regeering voorgesteld heeft hier aan steun te verleenen. Immers zal niet alleen voor de talrijke spelers en toeschouwers, maar ook voor alle beambten, etc, die bij deze wedstrijden betrokken zijn, de Zondagrust onmogelijk worden gemaakt, en ook daartegen komt de Classis 's Gravenhage in ernstig verzet. Het is immers een verblijdend verschijnsel, dat in de laatste tijden personen van allerlei richting met elkander samenstemmen in de actie voor Zondagsrust, en hoe langer hoe meer de overtuiging veld wint dat op dezen rustdag zooveel mogelijk alle arbeid gestaakt moet worden. Maar daarom is het des te meer bedroevend, dat het streven wordt tegen gestaan door publieke spelen als de aanstaande negende Olympiade, en dat de Regeering door haar subsidie deze wedstrijden bevordert. Daardoor doet zij ernstige schade aan de Zondagsrust van duizenden bij duizenden, en reeds om die reden alleen is deze  financiële steunverlening te verwerpen.
In de derde plaats meent de classis U ook te moeten wijzen op de geestelijk-zedelijke gevaren, die door deze Olympische Spelen ons volk dreigen. Niet alleen dat het in deze wedstrijden gaat om de verheerlijking van menschelijke kracht, waardoor de verheerlijking van Gods Naam teruggedrongen wordt, maar zij geven ook aanleiding tot allerlei feesten, etc. die niet bevorderlijk zijn aan de zedelijke verheffing van ons volk. 
Wat gedurende de achtste Olympiade te Parijs is voorgevallen, was zoo droef, dat ook bladen die niet van positiefchristelijke richting zijn, hun afkeuring over dergelijke toonelen hebben uitgesproken, en het feit, dat bij de wedstrijden nu en dan een groote politiemacht aanwezig was, om bij botsingen tusschen tot verschillende nationaliteiten behoorende groepen, op te treden, dat zelfs één der conflicten leidde tot een duel, dat dingen geschied zijn, welke zelfs strijden met onze christelijke beschaving, doet ons vrezen, dat, al zouden ook de ergerlijkste toneelen in ons land niet voorkomen, het geestelijk en zedelijk welzijn van ons volk in bedenkelijke mate geschaad wordt.
Redenen waarom adressante van oordeel is, dat de Regeering zich van alle medewerking aan het tot stand komen der negende Olympiade heeft te onthouden en geen subsidie mag verlenen.
Ten slotte neemt de Classis ook de vrijheid op te merken, dat een dergelijke steunverlening in deze van groote en noodzakelijke bezuiniging al zeer ongewenscht is, en op een groot deel van ons volk een moreel-slechten indruk zal maken. Daarom spreekt zij de wensch uit, dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal alles zal doen, dat dit voorstel niet tot wet verheven wordt.  

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's