Uit het kerkelijk leven.
De gang van het lijden - De diaconale voorstellen
De gang van het lijden.
Jezus is geen Martelaar, maar Middelaar. Zóó heeft Hij geleden. En daarnaar is ook de gang van Zijn lijden geweest. De Overpriesters (Matth. 26:3) wilden dien gang bepalen. Door listigheid wilden zij Hem vangen; en dan niet op het feest; om Hem zonder veel drukte uit den weg te ruimen. Dan was Hij weg, ongemerkt, maar voor goed. En in het huis van den Hoogepriester kwamen ze saam, de leidslieden des volks, de elite, de intellectuëelen, de eersten van den Staat en de voornaamsten in de Kerk.
Daar wordt het program vastgesteld, en dan gaan ze naar huis. Maar de Heiland, ook in Zijn nederheid bekleed met majesteit, is hen vóór geweest. Hij, de Vader der eeuwigheid. De dingen zullen gaan naar Gods eeuwigen raad. De Vader heeft het alles uitgedacht, om Zijn volk te redden. En de Zoon is ingegaan in den raad van het welbehagen van Sions Bondsgod en heeft gezegd: Vader, Ik kom om Uwen wil te doen.
En dat bracht mee, dat Hij geslacht zou worden als het Paasch-Lam. „Ook ons Pascha is geslacht", moest het volk van God door alle tijden heen kunnen zeggen, tot eere Gods en tot troost der ziele.
Wanneer Jezus dan ook alles voleindigd heeft, wat Hij als profeet en leeraar te doen had; maakt Hij zich gereed tot den lijdens-en doodsweg. Tot het offer. Tot het verzoenings-en reddingswerk. Tot de stichting van Zijn Kerk, op het eeuwig fundament gebouwd. En Hij geeft dan ook het sein, nu het Zijn tijd is. Daar in het Noorden, in de deelen van Caesarea Philippi, was het begonnen. Daar had Hij onomwonden tot Zijn discipelen gezegd: nu komt het, het groote, alles beslissende; het vreeselijke, maar heerlijke; gaande door den dood des kruises, maar ook gaande naar den opstandingsmorgen!
De discipelen hadden het niet begrepen nog. Maar het zou nu komen. En als satan zich in den weg stelt, zich bedienend van een discipel, Petrus, dan duwt Jezus den Overste des doods, die de menschenmoorder van den beginne is, opzij en werpt hem met Koninklijke majesteit en goddelijke grootheid achter Zich en gaat voort in het Hem aanbevolen werk tot verlossing van Sion.
Zoo nadert Hij Jeruzalem als het Paaschlam, dat zich gewillig, volmaakt en zonder gebrek, wijden gaat tot den dood.
De Overpriesters willen het anders. Niet op het feest. Niet als het Paasch-Lam. Niet in het openbaar. Neen, listiglijk zullen ze Hem vangen, dan uit den weg ruimen als het stil is in Jeruzalem. Niemand , zal er acht op geven. Dan is Hij wèg; voor goed weg en het is uit met Hem, die uit Nazareth kwam, om het volk te misleiden.
Doch Judas, als een willig instrument van Satan, brengt hen voor de verrassing, dat zij Hem vroeger kunnen in handen krijgen, dan zij hadden gehoopt. En, zoo zeer begrijpelijk, zijn ze verbaasd, ook verrast, ook verblijd — de gelegenheid is te mooi. Zoodat ze Hem juist gedurende het feest in hun handen krijgen!
Zoo heeft Judas de raadslagen van de Overpriesters in de war gestuurd en Gods raadslagen gediend. Jezus' program wordt uitgewerkt en het program van den Hoogepriester met zijn satellieten valt in duigen. Ook doet het volk straks anders dan de Overpriesters. Want de Joodsche raad was immers bang voor het volk, vooral voor die vele Galileërs, die uit het Noorden waren opgekomen naar Jeruzalem om daar de feesten mee te maken, dat dezen zouden opkomen voor Jezus, om Hem te omringen en Hem te verdedigen.
Maar Jezus wist het wel, wat er geschieden zou. Die kende Judas, Die kende het volk, Die kende Gods raad. Die kende het werk, dat er bij God te doen was tot verzoening en verlossing Zijns volks. Die wist op welk fundament Zijn Kerk alleen gebouwd kon worden. Die wist in welken gang Gods Koninkrijk zou komen in de wereld en zou over winteren van zee tot zee en van volk tot volk — Judas zou de plannen van Israels vorsten en priesters verijdelen, het volk zou anders handelen dan de Overpriesters dachten — en het program van den Heiland, de gang van Zijn lijden zou juist zóó geschieden, dat het was naar Gods raad en dat het Hem zou openbaren als het Lam Gods, Sions Borg en Losser, Sions Middelaar en Koning.
Wat majesteit in den lijdenden en stervenden Jezus! Hij geeft Zich, Hij handelt Zelf, Hij geeft Zich zooals het Sion is tot een eeuwige verlossing. Daarom mag een arm zondaarsvolk op Hem hopen en bouwen, want Zijn werk is volkomen, vol zaligheid en heerlijkheid voor een iegelijk die in Hem gelooft.
Het Lam Gods gaat in den weg Gods om Gods volk vrij te maken van zonde en schuld en dood en te brengen tot gerechtigheid, vrede, zaligheid en heerlijkheid. Hij gaat vol majesteit en de vrucht daarvan zal zalig zijn voor gansch Sion.
Zooals door het Paaschlam in Egypte verlossing kwam, schaduwbeeld van Jezus — zoo zou er nu ook komen bevrijding uit de gevangenis. Door het Paaschlam kwam er licht over Israël, terwijl er duisternis was in Egypte, leven bij Gods volk, terwijl er dood was bij de vijanden; en als straks Farao en zijn ruiters alle krachten inspannen om het uitgeleide volk toch nog in banden van slavernij en verdrukking en dood te snoeren, in ijzeren en wreede banden dan staat de Heere op tot den strijd en verbrijzelt de geweldhebbers, doodt de verdrukkers en maakt Israël vrij, zoodat geen klauw achterblijft.
De vrucht is naar den gang van het werk. Het werk is volkomen, dan is de vrucht zalig. Dat troost het bedrukte volk, ziende op Hem, Die zoo volmaakt Zich heeft toebereid tot het werk Gods, Die het alles zoo vol majesteit en heerlijkheid schikte en volbracht. Die het ook nu schikt voor Zijn volk, tegen de beraadslagingen van satan, dood en hel en wereld in. Die het zal volenden tot een eeuwige verlossing, met den jubelzang daar Boven, naar het harte van Jeruzalem: eere het Lam, dat ons Gode kocht door Zijn bloed!
Kennen wij den gang van het lijden reeds, om daarin te proeven den aard en het wezen van het lijden en daardoor te genieten van den zegen en de vrucht?
De Diaconale voorstellen.
Wij wilden wachten op het officiëele verslag in het Maandblad voor Kerkelijke Armenzorg, orgaan van de Federatie van Diaconieën in de Ned. Hervormde Kerk, betreffende de groote Diaconale Conferentie, te Utrecht 12 Febr. j.l. gehouden, bijgewoond door ruim 460 personen, alvorens over het onderwerp bovengenoemd iets te schrijven. Want wel hebben de bladen verslagen gegeven van deze belangrijke vergadering, maar het is toch altijd veiliger een officieel verslag af te wachten; dan voelt men beter ook wat de Federatie zelf aanvoelt als het voornaamste in deze te zijn.
Zelf konden we niet ter vergadering zijn; ook niet op de buitengewone Classicale Vergadering te Rotterdam gehouden. We hebben dus zelf geen enkele vergadering in deze bijgewoond. Maar misschien staan we daardoor nu nog meer objectief tegenover de dingen, die aanhangig zijn en die, waar ze van de grootste beteekenis zijn, rustig door ons dienen te worden besproken.
Laat ons eerst een overzicht van de Utrechtsche Diaconale Conferentie geven aan de hand van het Orgaan der Federatie.
De voorzitter de heer O. J. A. Ruys opende met gebed en sprak de hoop uit, dat de vergadering, waarin gewichtige problemen behandeld zullen worden, bij zou dragen tot verheldering van het inzicht en tot zegen zou zijn van het schoone, diaconale werk. Moge zij meewerken tot een verhoogde belangstelling voor de zaken belangende de armverzorging en moge er een sprake van uitgaan tot hen die de Kerk besturen!
Onmiddellijk werd hierna het woord verleend aan prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruine, die sprak over Zelfstandig of hulpbehoevend. Spreker las de geschiedenis van den kreupele aan de Schoone Poort van den Tempel en zegt het te wagen om een motto-preek te houden. Hier is het type van een arme, hulpbehoevend en zonder eenig uitzicht; die van elk wat vraagt en zoo het leven rekt. Hier is een diaken, die zegt: „goud en zilver heb ik niet". Hij zou daarom nog wel een kleinigheid kunnen hebben en die geven, anderen doen dan iets dergelijks; het is de vroegere methode van het „bedeelen" uit den tijd, toen de predikanten in de godsdienstoefening nog aankondigden, dat er „voor de armen" zal worden gecollecteerd.
Petrus zegt echter iets heel anders, n.l.: sta op, loop, kan, sta op eigen voeten!
Kan en mag een diaken dat zeggen? Mag het? Neen, zegt de arme, door zijn armoede gedemoraliseerd en dus geen moed meer hebbende om zelfstandig te worden. Neen, zeiden vroeger ook de diakenen en kerksche menschen, die een zekere ondergeschiktheid en afhankelijkheid voor den arme gewenscht achtten. Ja, zeggen diakenen, op de hoogte van hun taak: het ideaal is, dat de behoeftige van nu de zelfstandige en onafhankelijke worde. Een ieder diaken zal zich moeten herinneren, dat kleinheid en afhankelijkheid tegenover God kan samengaan met zelfstandigheid tegenover menschen. Maar kan het? Inderdaad kan 't niet altijd. Er zijn behoeftigen, die door ouderdom, krankheid enz., hulpbehoevend blijven. Het is een schoone taak om dan te lenigen en om de lijdenden met „troostelijke redenen" te ondersteruen. Het zal dikwijls ook niet kunnen door gebrek aan energie van den behoeftige, gebrek aan geld bij de Diaconie, gebrek aan tact en toewijding bij diakenen. Hier moet dan gesproken worden „in den naam van Jezus Christus: sta op".
Christus als de groote Diaconos dient en brengt daardoor de kracht tot dienen. Dit kan geleerd worden door de Gemeente en door de diakenen; de behoeftigen kunnen nieuwe kracht in Hem grijpen. Het ideaal van diakenen blijft of het moet worden om tot de behoeftige leden der Gemeente te kunnen zeggen: sta op en wandel.
Tot zoover de rede van prof. Slotemaker de Bruine, waarover maar één roep was onder degenen die wij gesproken hebben van de bezoekers. Het was mooi en waar — zei men. Dat het mooi was, gelooven we. Prof. Slotemaker de Bnuïne spreekt mooi; daarin heeft God hem groote en schoone gaven gegeven, die hij ook ijverig weet te gebruiken. En dat het „waar" was, dat gelooven we ook. 't Is voor ons het oude geluid, dat onder de gereformeerden, vooral buiten onze Hervormde Kerk, nu sinds jaar en dag is gehoord. Mannen als Kuyper, Rutgers, Biesterveld, Bavinck, de Moor, prof. Bouwman enz. enz., hebben zich beijverd om deze dingen in woord en geschrift te propageeren en onder die gereformeerden leeft het. Geen kwartje of twee kwartjes iemand laten halen ergens in een donker straatje; geen weduwe of wees voor de heeren, op hooge tronen gezeten, laten verschijnen, om ze alles en alles af te vragen en ze dan ledig heen te zenden; geen ..... Maar gelukkig, dat ook onder óns het een oud geluid is, want mannen als prof. Visscher, vroeger predikant te Delft, hebben dezelfde dingen gezegd en geschreven. Alleen maar: in het midden van onze Hervormde Kerk wil men er veelal nog niet aan. Daar leeft nog al eens de gedachte: men moet de armen (en op dat „armen" laat men dan nog al den nadruk vallen) niet verwennen. Een Joden-fooi is meer dan genoeg; waarvoor ze dan nog een gedwongen kerkgang met een penning of kaartje tot belooning, moeten maken.
Wij verheugen er ons over, dat men 't woord van prof. Slotemaker de Bruine mooi en waar vond. En wij hopen van harte, dat het in daden mag worden omgezet. Hoewel we ons geen oogenblik ontveinzen, dat het in 't midden van onze Hervormde Kerk, waar de tuchteloosheid ook ten opzichte van „de armen" verderfelijk werkt, wel altijd met veel moeilijkheden gepaard zal gaan. Nochtans moet het ideaal ons wenken!
In de middagvergadering, na de pauze, trad als tweede spreker op de vrijzinnige predikant van Heilo, lid van de Synode, die als een scherp denker en goed spreker bekend staat. Deze zou meer speciaal over de voorstellen der Synode tot wijziging en aanvulling van de reglementsbepalingen betreffende de Diaconieën en diaconalen arbeid spreken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's