De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

De Diaconale Voorstellen(2) - Wat nu?

14 minuten leestijd

De Diaconale Voorstellen (2)
Nadat dus in de morgenvergadering prof. Slotemaker de Bruine gesproken had over zelfstandig of hulpbehoevend, kwam 's middags ds. D. Eilerts de Haan van Heilo aan 't woord, die de 1ste en 3de groep van de voorstellen der Sy­node tot zijn onderwerp had gekozen. Laat ons hier voor den lezer (of lezeres; want immers onze vrouwen stellen toch óók belang in de verzorging van onze minderbedeelde of hulpbehoevende of oude of zieke medebroeders en medezusters der Gemeente?) die niet zoo in alles op de hoogte is, eerst zelf wat mee deelen aangaande die „Synodale voor­stellen".
Het werk der Diaconie is in het midden van onze Hervormde Kerk niet al­tijd geweest wat het in het midden van Christus' Kerk moest zijn. Zóó zullen we het maar op z'n zachtst zeggen. Wie er meer van lezen wil, moet maar eens moeite doen het boekje van prof. Visscher: „Gij Diakenen" te krijgen; of hij leze het opstel: „Twee gevaren" van prof. Visscher in „Troffel en Zwaard"; hij leze: „Het kerkelijk karakter der Diaconieën" van ds. J. G. Woelderink; of bestudeere het lijvige boek: „Het Diaconaat", handboek ten dienste der Diaconieën door prof. P. Biesterveld, dr. J. van Lonkhuyzen en ds. R. J. W. Rudolph. Deze boeken en brochures en artikelen, gelijk ook: „De Barmhartigheid in het licht van het Christelijk geloof" door ds. G. Wisse, „Diaconie en Overheid" door ds. P. A. E. Sillevis Smitt, enz. enz. zijn zulke uitnemende lectuur voor menschen, die niet precies op de hoogte zijn en toch zoo gaarne meer van deze diaconale zaken willen weten. Jammer, dat er ook in onze Kerk menschen zijn, die nooit moeite hebben gedaan om eens historisch en principieel op de hoogte te komen en die het zonder studie dan nog beter weten, dan anderen. Dat is een wanhopig geval, natuurlijk. Maar gelukkig zijn en blijven dat uitzonderingen. Ook onze Hervormde Kerk telt tal van kloeke diakenen, die voelen, dat hier nog veel te leeren valt; en omdat de tegenwoordige tijd in vele opzichten — ook wat het diaconale werk betreft — totaal andere eischen stelt dan de voorgaande tijden, die bovendien door allerlei omstandigheden onder ons zoo buitengewoon weinig principieel waren, zijn er onder ons, die moeite doen, veel moeite, om den diaconalen arbeid in nieuwe banen te sturen.
Natuurlijk dreigen hier gevaren. Het eene gevaar is. dat men conservatief van aard, zóó aan oude gewoonten en gebruiken hangt, dat alles op een museum van antiquiteiten lijkt. Oud en verouderd alles. Maar aan den anderen kant is het gevaar niet denkbeeldig, dat men revolutionair wordt en allen ouden rommel in brand stekend, ook onderste boven haalt en vernietigt wat goed is en blijven moet. De beproefde tusschenweg naar het model van Matth.13: 52 moeten we hebben. Daar luidt Gods Woord: En Jezus zeide tot hen: Daarom, een iegelijk schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt".
Zullen we dit nu kunnen doen op het terrein van den Diaconalen arbeid, waarvan in de Gereformeerde Kerk óók geldt „reformata semper reformanda est" — wat hervormd is moet telkens weer hervormd worden en mag nooit stilstaan in hervorming —, dan zullen we natuurlijk èn met het oude, dat geweest is (de gang der geschiedenis) op de hoogte moeten zijn èn we zullen een open oog moeten hebben voor den tijd waarin we leven en de eischen welke onze tijd op dit terrein stelt.
Die „oude" dingen op het terrein van den diaconalen arbeid zijn vele. Geen wonder, want zoo oud als de zonde is, is ook de ellende en de armoede, ziekte, verlatenheid, verweesdheid enz., enz. Dat men zich veel heeft bezig gehouden met „armenzorg" is bekend. Onder de heidenen had men allerlei instellingen van liefdadigheid en allerlei zorg voor de armen en ongelukkigen, hoewel de schaduw van het kruis niet werd gekend tot genezing. In Israël had de Heere allerlei wetten en verordeningen gesteld, ook voor onze Diaconieën nog van groote beteekenis, hoewel ze veelszins geen punt van uitgang voor ons kunnen zijn, dewijl in Israël, als Theocratie, Kerkstaat en Burgerstaat saamvielen. In de eerste christengemeente krijgen we nieuwe dingen op dit oude terrein, maar de dienst der barmhartigheid ontaardt spoedig, 't Was niet meer wat Jezus Christus, de medelijdende Hoogepriester, voor Zijn Gemeente wilde geven, maar wat de mensch om allerlei oorzaak — als een goed werk — wilde wegschenken.
De dag der Hervorming brak aan en de geheele organisatie der barmhartigheid en weldadigheid onderging verandering.
In de jaren van de Republiek werden onze Diaconieën veelszins afhankelijk van de Overheid. Er kwam veel verwarring. Kerk en Staat vloeiden hier dooreen. Ook verkreeg men daardoor de verzorging van allerlei armen, die eigenlijk niet bij elkaar hoorden, wat weer aanleiding was tot het stichten en formeeren van commissiën naast de Diaconieën als „Aalmoezenierskamers" of wel „Heilige-Geest-armen" enz. Zóó verstaan we art. 26 van de Dordtsche Kerkorde: „De diakenen zullen ter plaatse, waar Huiszittenmeesters of andere Aalmoezeniers zijn, van dezen begeeren goede correspondentie met hen te willen houden, teneinde de aalmoezen te beter uitgedeeld mogen worden onder degenen die meest gebrek hebben".
In de grondwet van 1814 en 1815 werd het armbestuur aan de zorg der Regeering aanbevolen. En dan krijgen we de armenwet van 1854. Minister Thorbecke — de groote tegenvoeter van den christen-staatsman Groen van Prinsterer — had een ontwerp ingediend, dat evenwel niet tot wet is verheven, waarbij de wetgever het heele armwezen regelde. Aan handen en voeten zouden dan de Diaconieën gebonden zijn geworden! Met den sterken arm zou zelfs van alle boeken en bescheiden kunmen worden kennis genomen. Thorbecke viel en Minister van Reenen kwam met de wet van 1854. Hij was veel milder. Volgens hem behoorde de weldadigheid tot het gebied der Kerk. Niettemin zouden toch overal armbesturen worden opgericht, wier taak dan aanvullend zou wezen, om in de leemten der kerkelijke-en particuliere weldadigheid te voorzien. Art. 21 luidt: „Geen burgerlijk bestuur mag onderstand verleenen aan armen, dan na zich, voor zoover mogelijk, te hebben verzekerd, dat zij dien niet van kerkelijke of bizondere instellingen van weldadigheid kunnen erlangen en dan slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid" (28 Juni 1854. Staatsblad no. 100).
Hoe schoon dit ook leek — en het was beter dan wat Thorbecke wilde — het scherpziend oog van Groen van Prinsterer had aanstonds het gevaar ontdekt: „Gij geeft ons" - zoo sprak hij - „bestendiging van Staats-Armenzorg". Groen zeide: met al uw fraaie artikelen van het overlaten van de armenzorg aan de Kerk en al uw betuigingen, om te doen uitkomen, dat de Staat enkel bij volstrekte noodzakelijkheid te hulp komt — geeft gij aan - de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid een slaapdrank, een lokaas, om werkeloos te blijven. Gij brengt ze in gedurige verzoeking, om met het oog op de armenzorg van den Staat, eigen roeping uit het oog te verliezen".
Groen eischte bij art. 7, 10, 11, 12 (verplichting tot verstrekken van verschillende mededeelingen en opgaven) eerbiediging van de vrijheid der Kerk; bij art. 25 enz. een tijdelijk en buitengewoon karakter der burgerlijke armbedeeling; bij art. 59, 60, trapsgewijze vermindering der subsidiën. Niet één van deze wenschen is verhoord! (Zie „Voort varen" van prof. mr. D. P. D. Fabius).
Groen van Prinsterer heeft juist gezien. De uitgaven van den Staat voor het armwezen stegen; en die van de Kerk daalden sedert de invoering van de wet van 1854.
Minister Borgesius heeft plannen gehad om een nieuwe armenwet te geven, maar in den geest van Thorbecke. Gelukkig is hij verhinderd geworden zijn plannen uit te voeren.
Wat nu onze Kerkelijke wet voor de Diaconieën betreft kwam na 't tot stand komen van het Algemeen Synodaal Reglement, den 20sten Mei 1857 een Reglement voor de Diaconieën, waarin de zelfstandige taak der Diaconieën, als zuiver kerkelijke instellingen is geregeld; 't welk sindsdien is gebleven; ook nadat 27 April 1912, Staatsblad no. 165 een nieuwe Armenwet is gekomen: zie het nieuwe Kerkelijke Reglement op de Diaconieën van 15 Jan. 1915. De practijk is echter veelszins gebleven, zooals Groen van Prinsterer geprofeteerd heeft: de kerkelijke armenzorg is niet zelden werkeloos gebleven.
Wij bedoelen daar geenszins mee, dat onze Hervormde Kerk niet een groot aantal uitnemende diakenen heeft en dat er niet heel dikwijls veel, heerlijk werk is verricht door de diakenen!
Maar de methode, de opvatting, de werkwijze is toch veelszins zéér, zéér gebrekkig geweest; weinig Bijbelsch, weinig naar de groote, breede, heerlijke beginselen van Gods Woord. Het instituut van het diakenambt is onder ons heel dikwijls miskend en heel de wijze van „bedeeling" (afschuwelijk woord!!) is weinig christelijk geweest. De wereldgeest en de Christus-geest, het liberalisme en het christelijk beginsel hebben op dit terrein veel gestreden en we kunnen niet zeggen, dat de Christus-geest het nu gewonnen heeft en het christelijk beginsel heerschappij voert.
De diaconale barmhartigheid is zoo eenig in haar soort! In wezen is zij gansch onderscheiden van particuliere liefdadigheid of 't werk van vereenigingen op dit terrein. De diaconale barmhartigheid moet haar middelpunt, bron, steunpunt en kracht hebben en houden in de barmhartigheid van Christus.
't Is een heiligheid der heiligheden in het midden van Christus' Kerk, dat heilig gehouden moet worden, in haar werking beginnende bij de huisgenooten des geloofs, zich voorts uitbreidende over al wat menschelijke ellende heet! Om die vleugelen der ontferming, om Christus' wil, gaat het! Hij, de Christus Gods, is heengegaan.
Maar nu moet de Diaconie Zijn plaats van barmhartige Hoogepriester innemen op aarde, in het inzamelen van gelden en in het uitdeelen: in Christus' naam vragend en in Christus' naam gevend: gevend om de broederen en de zusters der gemeente te helpen, dat zij niet tot armoe komen en ze helpend in hun armoe, naar 't geen noodig is; in de ellende ingaande met al de vragen, nooden en behoeften van arme, weduwe, wees, zieke, enz. enz., zooals Christus het land rond ging weldoende.
Zóó behoeft de arme zich niet te schamen, als Christus in Zijn dienaren komt om te helpen en te troosten. En zoo hebben de dienaren van den barmhartigen Hoogepriester—zo héél anders dan de dienaren van Christus als Profeet en Koning — rond te gaan, om liefderijk te helpen, zonder eenige verheffing, warm van hart, om Christus' wil, Die de armen als Zijn erfenis achter liet op aarde, deze voor rekening leggend van Zijn gemeente.
(Wordt voortgezet).

Wat nu ?
Dat vragen de Vrijz. Hervormden zich af, nadat op de Utrechtsche Vergadering in Febr. j.l. de „scherpe resolutie" is verworpen met de kleinst mogelijke meerderheid (22 tegen 21 stemmen). Er schijnen spannende oogenblikken te zijn geweest en een hartstochtelijke toon bij velen, maar het slot van de rekening is, dat alles blijft zooals het was. Men zal geen „scherpe resolutie" uitvaardigen, maar z'n best blijven doen om de vrijzinnige beginselen te propageeren in het midden van de Hervormde Kerk, op de wijze als dat tot nu toe is geschied.
Wij hebben ons weinig ongerust gemaakt over die Utrechtsche vergadering, 't Liet ons tamelijk koud, of de „scherpe resolutie" van het Hoofdbestuur werd aangenomen dan wel verworpen, 't Is ook trouwens lood om oud ijzer. Maar wat we voorspeld hebben is geschied, zelfs op de vergadering van Vrijz. Hervormden, waar de kopstukken uit Friesland Groningen, Drenthe, Overijsel, Gelderland, Holland, enz. enz. bij elkaar waren, is herhaalde malen door vrijzinnigen zelf uitgesproken dat wie vóór de „scherpe resolutie" waren, niet voelden wat vrijzinnig te zijn beteekent. Dat dachten wij ook; en het verheugt ons, dat er ook vrijzinnigen zijn, die dat eveneens zoo voelden en het ook gepeperd hebben gezegd.
Maar: wat nu? vraagt ds. Priester, van Nieuw-Helvoet.
We kunnen zoo'n vraag begrijpen.
„Wie de hand aan den ploeg geslagen heeft, moet vooruit zien", zegt hij terecht. En wat antwoordt ds. Priester zelf nu op z'n vraag: wat nu?
Hij zegt: „Het eerste, waarop m.i. in de allernaaste toekomst de algemeene aandacht moet worden gericht, is dit, dat de Ned. Hervormde Kerk thans reeds een in wezen vrijzinnige Kerkgemeenschap is, die van al haar leden, niemand uitgezonderd, verdraagzaamheid eischt. Wanneer er op één punt van een communis opinio (gemeenschappelijke overtuiging) onder ons vrijzinnig Hervormden gesproken kan worden, dan is het toch zeker wel in dit opzicht, dat de Ned. Hervormde Kerk nu reeds is ingericht op het samenwonen van verschillende richtingen. Dat heeft, om één naam te noemen, dr. Niemeyer ons wel geleerd, die telkens en telkens weer gewezen heeft op de scheeve positie, waarin zich de onverdraagzame orthodoxie in onze volkskerk bevindt. Ieder die als lidmaat toetrad tot onze Kerk, wist van te voren, dat zij geen belijdenis-Kerk meer was in den zin van de Dordtsche Synode. Wie derhalve geen gemoedsbezwaren had om tot zulk een Kerk toe te treden kan nu niet op eens gemoedsbezwaren laten gelden, om, na tot die in wezen Vrijzinnige Kerk toegetreden te zijn, de rechten van andersdenkenden in die Vaderlandsche Kerk te erkennen. Begrijpe dat, wie het begrijpen kan!
Daarom móeten wij m.i. veel meer dan tot nog toe wel het geval was, steeds opnieuw nadrukkelijk wijzen op dat in wezen vrijzinnig karakter onzer Ned. Hervormde Kerk, opdat men algemeen in den lande, ook onder het orthodoxe volk, voor zoover wij dat bereiken kunnen, daarvan goed doordrongen raakt. En daaraan ontbreekt thans nog wel wat!"
Tot zoover ds. Priester.
Gelooft hij zelf wel wat hij zegt? Is de Hervormde Kerk een Kerk van vrijzinnig karakter?
Natuurlijk niet. Want onze Hervormde Kerk is een Kerk met een belijdend karakter, 't welk overal in de reglementen te vinden is. En het belijdend karakter is: ééns geestes te zijn met de belijdenis der Kerk. Die in wezen en hoofdzaak, eerlijk en rond één is met dé belijdenis der Kerk, die hoort er in; doch die het in wezen en hoofdzaak met de belijdenis der Kerk oneens is, moest zoo eerlijk zijn uit de Hervormde Kerk uit te gaan.
Zou ds. Priester daar niet eens mee kunnen beginnen, om dat te propageeren, meer dan tot nu toe geschied is?
Er zijn er wel onder de vrijzinnigen die het voelen, dat-vrijzinnig te zijn en Hervormd te zijn niet saam kan gaan. Die het eerlijk bekennen: onze vrijzinnige beschouwing aangaande de openbaring Gods, de H. Schrift, de Godheid van Christus, Zijn opstanding uit de dooden, Zijn verzoenend lijden en sterven, de wedergeboorte, de rechtvaardigmaking, enz. enz., is zóó principieel in wezen en hoofdzaak andersoortig dan de orthodoxe belijdenis der Hervormde Kerk, dat wij rechtens niet in die Hervormde Kerk thuis hooren.
Ds. Priester weet dat ook; 't welk blijkt uit hetgeen hij zelf verder schrijft. Want daar lezen we: „Natuurlijk zal de orthodoxie dit in wezen vrijzinnig karakter onzer Kerk niet in alle opzichten toegeven en ook in vrijzinnig godsdienstige kringen buiten ons Kerkgenootschap bestaat te dien opzichte nog groot misverstand".
Dus — als wij twijfel koesteren aan de juistheid van de stelling van ds. Priester, dan zijn er méér zoo! Natuurlijk zijn er orthodoxen, maar zelfs vrijzinnigen, die ds. Priester hierin tegenspreken! Zou hij dan ook wel zoo sterk staan in zijn opinie in deze? Eigenlijk voelt hij zelf ook, dat hij zwak staat met dat „vrijzinnig karakter der Hervormde Kerk". Want hij is van oordeel, „dat het in de reglementen nog vollediger en duidelijker moet worden neergelegd dat de Hervormde Kerk een Kerk van vrijzinnig karakter is".
En natuurlijk, als die operatie met de reglementen nog eens gebeurde, ja, dan zou het er wezenlijk op gaan gelijken: de Hervormde Kerk van vrijzinnig karakter. Maar nu dat nog niet gebeurd is — is de veronderstelling van ds. Priester geheel bezijden de waarheid en de werkelijkheid. Onze Hervormde Kerk is niet een Kerk van vrijzinnig karakter. De Ned. Herv. (Geref.) Kerk is van belijdend karakter, hetwelk overal in de reglementen te vinden is. En het belijdend karakter van de Hervormde Kerk is: ééns geestes te zijn met de belijdenis der Kerk. Dat moest ds. Priester erkennen en zijn geestverwanten aan het verstand brengen en — heengaan!
Al het loochenen van de fundamenteele waarheden van onze Gereformeerde religie, waaraan de vrijzinnigen zich schuldig maken, met het Kerkverwoestend karakter van al hun handelingen, hoort niet thuis in onze aloude Herv. (Geref.) Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's