Stichtelijke overdenking.
De schapen van den Goeden Herder
Johannes 10: 27-28
De schapen van den Goeden Herder.
Belijdenispredikatie, uitgesproken te Veenendaal, op Zondag 15 maart 1925 bij de openbare geloofsbelijdenis van vrouwelijke lidmaten.
Het is bekend dat de kinderen der menschen op veel en velerlei wijzen van elkaar onderscheiden zijn. Evenals geen twee bladeren van een boom, zoo zijn ook geen twee menschen aan elkander gelijk. En toch kunnen alle menschen die er waren, die er zijn en die nog komen zullen ten slotte maar in twee groepen verdeeld. Daar zijn maar twee soorten van menschen op de wereld; menschen die God vreezen en menschen die God niet vreezen; menschen wier leven naar God uitgaat en menschen wier leven van God afgaat; menschen die in Christus gelooven en menschen die niet in Christus gelooven; menschen die door Gods Geest zijn wedergeboren en menschen, die in onbekeerlijkheid des harten voortleven; menschen die Kerk-lid en menschen die wereld-lid zijn; menschen die op reis zijn naar den hemel en menschen die op reis zijn naar de hel.
Nu is het voor ons allen natuurlijk van het allergrootste belang tot welke van die twee soorten van menschen wij behooren. Immers die twee soorten van menschen leven hier op aarde door elkander. Eerst op den dag der dagen zullen koren en kaf, tarwe en onkruid, schapen en bokken van elkander gescheiden worden. Maar hier aan deze zijde des grafs kunnen wij ons zelve die groote vraag nooit genoeg doen: Waar hooren we bij? Waar scharen wij ons onder? Willen wij het liefst leven met de wereld, om dan straks ook met de wereld te sterven en dus ook met de wereld verloren te gaan? Of willen we het liefst leven met Gods volk om daar straks ook met dat volk te sterven en dus ook met dat volk behouden te worden?
Daar zijn menschen, meerendeels jonge menschen in ons midden, die 't vanmorgen zullen uitspreken, openlijk zullen belijden dat zij door genade gekozen hebben vóór God, dus tegen den Satan, vóór Christus, dus tegen den anti-christ, vóór de Kerk, dus tegen de wereld. Komt gaan we u bepalen bij de kenmerken en de voorrechten van allen bij wien deze keuze een onberouwelijke keuze is. Ons tekstwoord vindt ge:
Johannes 10 vers 27—28.
„Mijne schapen hooren Mijne stem en Ik ken dezelve en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken".
Een der meest bekende zinnebeelden waaronder de verhouding van God tot Zijn volk en bijzonder van Jezus tot Zijn discipelen, van Christus tot Zijn Kerk, in het heilig blad geteekend wordt, is de verhouding waarin de Oostersche herder stond tot de schapen zijner weide en waarin die schapen wederkeerig stonden tot den herder, aan wiens leiding en zorg zij waren toevertrouwd. Vooral in het 10de hoofdstuk van het Evangelie van Johannes blijkt dat beeld schier onuitputbaar te wezen. Wie kent niet den bekenden uitroep die daar van 's Heilands lippen vernomen is: — een waarheid, waaraan we in deze lijdensweken telkens weer opnieuw herinnerd worden — Ik ben de goede Herder, de goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen?
Jezus de goede Herder. Ja, wie is een herder als Hij? Welke herder immers is ooit als een lam ter slachting geleid en welke herder is ooit als een schaap stemmeloos voor het aangezicht zijner scheerders geweest? Nu worden we in onzen tekst echter niet zoozeer bij den Herder als wel bij de schapen bepaald. Jezus wijst óns in onzen tekst op drie dingen, op wat Zijn schapen hooren, op wat Zijn schapen doen en op wat Zijn schapen ontvangen.
Hij bepaalt ons achtereenvolgens :
Ie. bij het hooren der schapen naar den Herder;
2e. bij het volgen der schapen van den Herder;
3e. bij het leven der schapen door den Herder.
Er is in onzen tekst sprake van de schapen van Jezus. Met die schapen heeft Hij natuurlijk al de Zijnen bedoeld, alle degenen die Hem toebehooren, die Hem vreezen, die in Hem gelooven, die in leven en in sterven Zijn eigendom zijn.
We zouden natuurlijk allerlei redenen kunnen opnoemen waarom zij zoo terecht schapen Zijner kudde, schapen Zijner weide kunnen worden genoemd. Een der meest treffende punten van overeenkomst is, zooals we weten, de zwakheid en de daarmee in verband staande vreesachtigheid van het schaap. Een schaap kan zich almee 't minst tegen zijn aanvaller verdedigen; als de wolf komt dan moet het zich weerloos laten verscheuren; ook als het geslacht wordt dan heeft het geen enkel wapen weermee 't zich tegen het slachtmes verdedigen kan. Welnu, in dat opzicht kunnen Gods kinderen zeker aanstonds reeds als schapen worden voorgesteld. Immers wat zijn ook zij niet zwak en hulpeloos om zich te verweren en te verdedigen wanneer de vijand tegen hen komt.
Verder zouden nog andere eigenschappen van het schaap op Gods kinderen kunnen overgebracht worden; maar 't verband van onzen tekst vraagt onze aandacht voor het hooren dat de schapen doen naar de stem van den Herder. Immers Mijne schapen hooren Mijne stem. Mijne schapen. De Heiland spreekt hier dus van schapen die Zijn eigendom zijn. En als ge nu vraagt; hoe zijn zij dat geworden, dan kan daarop een drieledig antwoord gegeven worden. In de eerste plaats zijn Zijn schapen Hem gegeven, gegeven door den Vader alreeds in den eeuwigen Vrederaad. In de tweede plaats heeft Hij Zijn schapen gekocht, gekocht door Zijn bloed, gekocht doordat Hij Zelf een schaap is geworden, doordat Hij Zelf als een Lam ter slachting is geleid. En in de derde plaats heeft Hij Zijn schapen gezocht. Zijn schapen waren immers van nature verloren schapen, die afgedwaald waren in de met doornen en distelen begroeide oorden der zonde. Als Jezus ze op die woeste doolwegen niet was nagegaan, dan waren zij verloren gebleven, eeuwig verloren geweest. Maar de goede Herder heeft Zijn schapen gezocht en Hij zoekt ze zoolang totdat Hij het verst afgedwaalde schaap dat Hem gegeven is en dat Hij gekocht heeft, weer heeft gevonden en weer bij de kudde terug heeft gebracht.
Dus in dien zin, als gegeven, als gekochte en als gezochte schapen kunnen allen die God vreezen schapen van Jezus genoemd. En nu zegt de Heiland hier van deze Zijne schapen dat zij Zijn stem hooren. Dat wil natuurlijk zeggen dat zij in Zijn stem de stem van hun Herder herkennen. Immers de stem des Heeren hooren doen ook wel anderen als die schapen van de kudde van Jezus zijn. Hoevelen waren er niet die de stem des Heeren tijdens Zijn omwandeling hier op aarde vernomen hebben ? Heel Jeruzalem en gansch Judéa gingen uit naar de woestijn om daar Zijn stem te beluisteren.
En zoo was 't niet alleen toen, maar zoo is het nog. Wat zijn er een menschen, die de stem des Heeren telkens weer hooren. Ook wij allen hebben die stem des Heeren al zoo dikwijls gehoord. Hoe menigmaal toch is op verschillende wijzen het Woord des Heeren ons reeds verkondigd geworden, om nog maar te zwijgen van allerlei roepstemmen Gods, die in verschillenden vorm tot ons kwamen.
Maar tusschen hooren èn hooren is vaak zoo'n machtig verschil. Als ik iemand hoor, wat is die stem dan voor mij? een onbekende of een bekende stem, de stem van een vreemde, van een vijand misschien óf de stem van een vriend, de stem van iemand aan wien ik mij nauw verbonden gevoel? de stem van mijn vader of van mijn moeder misschien? Gij gevoelt wel aan den klank van zoo'n stem, daar hangt voor mij alles van af. En zoo is het ook als de stem des Heeren tot ons komt. Dan is het de vraag: welke stem is dat voor ons? Welken klank heeft die stem voor ons? Welken indruk maakt die stem dus op ons? Is dat voor ons ook reeds de stem van iemand aan wien we ons verwant, verbonden gevoelen? Ach, als dat niet het geval is, dan hooren we die stem wel maar zonder ze te verstaan. En dan heeft ook het hooren van die stem voor ons natuurlijk niet het minste gevolg. Dan doen we alsof we die stem niet hooren. Dan leven we alsof de stem van den goeden Herder nooit tot ons sprak. Eerst als we tot de schapen Zijner weide behooren, dan zijn ons de ooren doorboord en dan ligt daar in die stem iets waaraan ik mij niet ontworstelen kan. Dan voel ik mij tot die stem aangetrokken, ook al is het dan een stem die mij veroordeelt, een stem die mij verdoemt, een stem die vol is van de klanken van Gods heilig en onkreukbaar recht. Ja, als ik tot de schapen van den goeden Herder behoor, dan zeg ik, ook al is die stem de stem van Gods Wet, de donderstem van den Sinaï: ik zal hooren wat God de Heere spreken zal, want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijne gunstgenooten van vrede spreken. Trouwens niet altoos is die stem de stem van Gods recht, vaak ook is de stem van den goeden Herder een stem van genade; vaak ook is die stem het zoet gefluister van het evangelie der verzoening, dat ons van Golgotha tegenruischt: Komt tot Mij, o allen gij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven. Ja of het een stem is van heilig recht, dan wel een stem van liefelijk ontfermen, de stem van den goeden Herder is altoos een lokstem, een stem om het Zijn schapen te zeggen dat zij alleen onder Zijn hoede veilig zijn.
En ziet, als wij nu waarlijk tot de schapen van den goeden Herder behooren, dan hooren we die stem, d.w.z. dan verstaan we die stem, dan zijn we als Lydia, dan geven we acht op die stem, dan is die stem voor ons een bekende stem, dan is die stem ons boven alles lief en dierbaar geworden. Dan kennen we die stem als de stem van den Herder, als de stem van onzen Herder, die het ons aan niets doet ontbreken, die ons leidt in grazige weiden, die ons zachtkens voert aan zeer stille wateren, die onze ziel verkwikt en die ons leidt in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil.
En niet alleen dat wij door Zijn stem den Herder kennen, maar dan kent de Herder ook ons, ja, dan heeft Hij ons al gekend, voordat wij Hem kenden. Ook dat heeft Jezus in ons tekstwoord doen uitkomen. Immers: Mijne schapen hooren Mijne stem en Ik ken dezelve.
Ik ken dezelve. Wat is dat een troost voor Jezus' schapen, dat de Herder ze kent. Ja, de Heere kent degenen die de Zijnen zijn. Laten wij daarom in ons be- en veroordeelen van anderen o zoo voorzichtig zijn. Nietwaar, wij meenen dikwijls dat wij de schapen van Jezus ook kennen; wij meenen soms ook dat wij het zoo precies kunnen aanwijzen wie al dan niet bekeerd, wie al dan niet kinderen Gods zijn geworden. Maar laten we dan toch altijd bedenken dat de Heere nergens gezegd heeft dat wij ze kennen, maar wèl dat Hij ze kent. De Heere kent degenen die de Zijnen zijn. En omdat Hij ze kent daarom weet Hij ook net hoe Hij ze moet hebben, hoe Hij ze moet roepen, hoe Hij ze moet behandelen, hoe Hij ze moet rechtvaardigen, hoe Hij ze moet bekeeren, hoe Hij ze moet heiligen, hoe Hij ze moet zaligen, hoe Hij ze moet verheerlijken. Ja, omdat de Heere ze kent daarom behandelt Hij, net als een herder en net als ouders soms ook hun kinderen, het eene schaap zoo heel anders dan het andere. Daarom trok Hij b.v. Nathanaël van onder den vijgeboom en riep Hij Zacheüs vanuit den vijgeboom. Daarom openbaarde Hij zich aan Maria Magdalena anders dan aan de Emmaüsgangers, en daarom bekeerde Hij Paulus anders dan Timotheüs, en leidde Hij Petrus zoo geheel anders dan Johannes.
Hij kent de Zijnen. Hij kent ze bij hunne namen; maar Hij kent ze ook in hunne zonden en in hun menigvuldige zwakheden en Hij weet zoo precies welke middelen Hij voor hen gebruiken en welke wegen Hij met hen bewandelen moet. De Heere Jezus is als de goede Herder ook een goed psycholoog, en neen, Hij behandelt alle voorkomende gevallen niet op dezelfde wijze. Ach, wij kunnen dat in onze dwaasheid wel eens meenen dat de Heiland net doet als sommige rnedicijnmeesters: voor elke krankheid maar hetzelfde middel. Maar neen, zoo doet de Zaligmaker niet. Hij weet dat de krankheid van den een Zijner schapen heel anders is dan die van den ander. Hij weet dat de smart van den een heel anders is dan het leed van den ander, dat de aanvechtingen en de verzoekingen van den een heel anders zijn dan de bestrijdingen van den ander, en omdat Hij dat weet blijkt ook de vertroosting van den een heel anders dan de bemoediging van den ander te zijn.
Ik ken dezelve. Maar vindt ge 't dan wel zoo'n wonder, als de schapen de stem hooren van dien Herder die ze kent en die dus ook precies weet wat zij noodig hebben, dat zij Hem dan volgen? Neen, van nature volgen zij den Herder niet. Integendeel, dan zijn zij veeleer geneigd om eigen zin en wil, eigen inzicht en voorstelling te volgen. Van nature dan zijn zij veeleer geneigd om af te dwalen op allerlei doolpaden en dan willen zij veel liever een vreemde volgen dan Hem, die de goede Herder is. Dat komt omdat zij van nature de stem van den Herder niet kennen en ze niet gelooven dat Hij de goede Herder is. En niet alleen van nature, maar ook na ontvangene genade blijken Gods kinderen telkens nog weer zoo dwaal-en zoo doolziek van harte te zijn. Denk maar aan het bekende lied van den 119den Psalm: Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren. O, wie van de schapen van den goeden Herder zal niet moeten bekennen dat die belijdenis telkens weer als uit zijn ziel gegrepen is. Wat een afdwalingen immers, wat een verborgene afdwalingen, waarvan we ook als schapen van den goeden Herder telkens nog weer bij vernieuwing gereinigd moeten worden. Wat een afdwalingen waarvan we dikwijls niet eens weten dat het afdwalingen zijn.
Maar daar staat tegenover, als de stem van den goeden Herder waarlijk is doorgedrongen tot het oor onzer ziel, als ons oor doorboord is en de stem des Heeren heeft dus in ons hart ingang gevonden, dat de band van het schaap aan den Herder dan zoo nauw is dat zulk een schaap dan altoos wel bij den Herder wil zijn. Zoo wordt het dus waarheid wat hier staat: en zij volgen Mij.
En neen, dat volgen is dan niet slechts een uitwendig volgen, een volgen in naam, gelijk eenmaal Judas den Heiland volgde, hoewel hij toch in zijn hart een verrader was. Integendeel: het volgen van den Heere Jezus dat hier bedoeld wordt is het volgen van het waarachtig geloof. Wie waarlijk een schaap van Jezus' kudde is geworden, dien gaat het als Petrus. Toen hem eenmaal gevraagd werd: wilt gijlieden ook niet weggaan, toen heeft hij mede namens de andere discipelen dit antwoord gegeven: Heere, tot wien zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.
Ja de schapen van Jezus' kudde zullen het Lam volgen overal waar het heengaat. Nu weten we allen dat toen de Herder zelf een Lam was, het eerst met Hem gegaan is door de diepte. Hij is eerst vernederd, vernietigd, verbrijzeld geworden. Hij heeft eerst een weg van verdrukking en van smart moeten bewandelen, en eerst nadat Hij uitermate was vernederd, is Hij straks uitermate verhoogd.
Welnu, zoo gaat het ook met allen, die het Lam volgen. Zij moeten het volgen niet alleen op den berg der eere, maar óok in den hof der smarten. Zij moeten het volgen niet alleen op den weg naar de kroon, maar óok op den weg naar het kruis. De Herder heeft het met zoovele woorden gezegd: Wie zijn kruis niet opneemt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. En daarom, als ons leven een volgen van den goeden Herder mag wezen, dan zal het een leven zijn door de duisternis tot het licht, langs het kruis naar de kroon; een leven waarin wij eenerzijds telkens weer stof zullen hebben om met den dichter te bidden: „gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uwe barmhartigheden ons voorkomen, want wij zijn zeer dun geworden", maar waarin wij anderzijds ook telkens weer stof zullen hebben om met denzelfden dichter te zingen:
Zoo zullen wij, de schapen Uwer weide. In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden, En zingen van geslachten tot geslachten Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb're krachten
Van de schapen van Jezus wordt in ons tekstwoord gezegd, dat hun hooren is een hooren naar den Herder en hun volgen een volgen van den Herder.
Maar er wordt in de derde plaats ook gesproken van het leven der schapen, en dan blijkt dat hun leven is een leven door den Herder en dat het daarom juist een blijvend en een veilig leven is. Hoort maar wat de Herder zegt: Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijne hand rukken.
O, wat een kostelijke belofte wordt hier aan de schapen van den goeden Herder verpand. Het eeuwige leven. Wat toch is den mensch over het algemeen liever dan zijn leven? Al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. En dat geldt alleen nog maar van het tijdelijke leven, van dat leven, dat niet anders is dan een schaduw die verdwijnt, van dat leven dat hoogstens zeventig of tachtig jaren duurt in den regel en waarvan het uitnemendste dan niet anders is dan moeite en verdriet. O, wat is de mensch aan dat leven, aan dat korte, nietige, brooze leven al niet gehecht. Wat heeft hij er niet alles voor over als hij dat leven maar zoo lang mogelijk kan verlengen en zoo hoog mogelijk kan opvoeren.
Maar wat is nu het tijdelijke vergeleken met het eeuwige leven, vergeleken met dat leven waarvan de heerlijkheid door geen pen beschreven en door geen tong uitgesproken kan worden?
Dat leven nu, dat bestaat in een eindeloos en storeloos zich verlustigen in de deugden en volmaaktheden Gods, wordt hier door den Herder Zelf aan de schapen Zijner weide beloofd, immers Ik geef hun het eeuwige leven. Wie kon het ook anders geven dan Hij? Nietwaar, als ik aan iemand wat geven wil, dan moet ik 't eerst zélf bezitten. Welnu, daar was niemand der menschenkinderen, die het eeuwige leven in zichzelven bezat. Daar was dus ook niemand, die het aan anderen geven kon. Alleen Christus kon getuigen niet alleen dat Hij dat leven had, maar ook dat Hij het was. Ik ben de Opstanding en het Leven. En dat leven nu dat geeft Hij aan Zijn schapen. Hij geeft het. De schapen moeten dus dat leven ontvangen en zij moeten het ontvangen als een gift, als een vrijmachtig genade-geschenk. Immers, als de Heere hun schenken zou naar wat zij verdiend hadden, dan zou het inplaats van het eeuwige leven juist de eeuwige dood moeten zijn.
Maar nu is het juist de groote genade van den Herder dat Hij aan Zijn schapen het leven geeft. Ja, Hij geeft het, Hij zal het niet geven. Immers het eeuwige leven der schapen begint niet aan gene, maar wèl aan deze zijde des grafs. De Heere geeft dat eeuwige leven reeds in de ure der wedergeboorte, als Hij de Zijnen van bokken tot schapen maakt. En zeker, dat leven kan dan wel aan allerlei wisselingen onderhevig zijn, maar waar het eenmaal in het hart gewerkt is daar kan het toch nooit meer uitgebluscht worden. Anders zou het ook geen eeuwig leven zijn. Juist in dat begrip eeuwig ligt de gedachte dat het niet, zelfs door den dood niet vernietigd kan worden. Het eeuwige leven is een leven, waar de dood geen vat op heeft, dat door den koning der verschrikking niet ondermijnd kan worden. Dat blijkt ook wel uit wat de goede Herder er in ons tekstwoord nog op volgen laat: en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Wat een wonder! Menschen, die van nature verloren liggen, zullen niet verloren gaan. Menschen, die aan de diepte hunner verlorenheid ontdekt zijn geworden en - die wel eens gevreesd hebben dat hun zaak voor eeuwig verloren was, zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. M.a.w. dus zulke menschen, zullen eeuwig gered en eeuwig behouden worden. Door het leven, dat zij van den Herder ontvangen, zullen zij van den tweeden dood niet beschadigd worden.
Of er dan geen machten zijn, die dat leven trachten te blusschen? O zeker, daar zijn wat vijanden die het op het leven van de schapen van Jezus hebben toegelegd. Wie weet niet, dat in de eerste plaats de vorst der duisternis rondgaat als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden? O, wat heeft hij een vurige pijlen, waarmee hij de schapen van den goeden Herder bestrijdt. Hoe worden, evenals Petrus, al de schapen van Jezus door hem vaak niet als de tarwe gezift!
En niet alleen Satan, maar ook de wereld heeft haar boog gespannen om vaak in verborgene plaatsen te schieten naar de oprechten van hart. Nu eens komt zij met haar lusten, dan weer komt zij met haar lasten. Nu eens komt zij met haar eere, dan weer met haar smaad en haar schimp. En als wij daarbij dan nog in aanmerking nemen dat de schapen van Jezus ook zelf ten allen tijde hun dwaalziek hart met zich blijven omdragen, dan is het geen wonder dat de vrees wel eens machtig kan wezen dat er hier of daar nog wel eens een schaap of een lam door den vijand verscheurd en verslonden zal worden.
Maar nu komt Jezus als de goede Herder en zegt: neen, daar behoeft ge nooit bang voor te wezen, want niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. Niemand, de duivel kan het dus niet, hoe listig hij ook werkt; de wereld kan het dus ook niet, hoe machtig haar bekoring ook dikwijls is en hoe zwaar haar verdrukking soms ook wezen kan. En zelf kunnen de schapen van Jezus door al hun ontrouw de trouw van den Herder niet te niet doen. Immers dan denken we weer aan de gelijkenis van het verloren schaap en in overeenstemming daarmee denken we aan het bekende lied: Als een Herder wil Hij trouw, 't Schaap in een woestijn aan 't dwalen. Waar 't zichzelf verliezen zou, Van den doolweg wederhalen.
Niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. O, hoe dikwijls is ook dit woord in de geschiedenis des heils reeds bevestigd geworden. Denk maar aan Farao. Machtig was het leger, waarmee hij Israels volk vervolgde, maar Israël uit de hand van zijn Herder rukken kon hij niet. Denk aan Saul. Listig waren de aanslagen die hij tegen David beraamde, maar den man naar Gods hart uit de hand van zijn Herder rukken, kon hij niet. Denk aan Sanherib. Geweldig was de heirmacht waarmee hij in de dagen van Hiskia tegen Jeruzalem optrok, om het te belegeren, maar in zijn pogingen om de dochter Zions uit de hand van den goeden Herder te rukken, werd hij beschaamd. Denk aan ja, denk aan allen die hun zwaard tegen de kudde van Jezus hebben gewet; denk aan allen die nog hun boog spannen en het in drieste vermetelheid des harten vaak uitroepen: komt en laat ons hen uitroeien dat zij geen volk meer zijn, dat aan den naam van Israël niet meer gedacht worde. Fel mag de strijd soms wezen en bang mag de vreeze soms zijn dat nog ééne der dagen deze of gene van Jezus' schapen door de macht van den vijand verslonden zal worden, maar het woord van den goeden Herder staat er ons borg voor, dat het nog altoos waar is wat Luther eens zong:
Houdt Christus' Zijne Kerk in stand,
Dan mag de hel vrij woeden;
Gezeten aan Gods rechterhand,
Zal Hij haar wel behoeden.
Niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. O, als dat waar is — en het is waar — wat is dan het leven van de schapen van Jezus een rijk leven, een veilig leven, een zeker leven, een gerust leven. Ja, wat is het dan een voorrecht een schaap van Jezus' kudde, een lid van Gods Kerk, van de ware, de levende Gemeente des Heeren te zijn.
En ziet, daar komt het nu ook voor een ieder onzer op aan, of dat leven van de schapen van Jezus ook óns leven reeds is.
Zeker, dat is bijzonder de vraag voor deze meerendeels jeugdige menschen die door haar belijdenis weldra ook mondige leden van Gods Kerk zullen zijn. Maar voorts is dat de vraag voor ons allen, hetzij wij al dan niet belijdenis des geloofs afgelegd hebben. Wat dunkt u, zcudt gij reeds in waarheid een schaap van de kudde des Heeren zijn?
Het eerste kenmerk waaraan gij dat kunt beslissen is dit, of gij de stem van den Herder reeds hoort. D.w.z. is die stem van den Herder voor u reeds een bekende stem, een aantrekkelijke stem, een stem, die niet alleen uw oor boeit, maar die bovenal uw hart bekoort? O, als gij deze vragen misschien nog ontkennend moet beantwoorden, dan hebt ge daarin het onmiskenbaar bewijs dat gij misschien den naam van schapen wel draagt, maar dat gij nog niet waarlijk tot de schapen van den goeden Herder behoort.
Maar als gij geen schaap zijt, wat zijt gij dan? O, bedenk dat er straks maar twee soorten van menschen zullen blijken te wezen en dat de Heere die beide eens van elkander zal scheiden, gelijk een herder de schapen van de bokken scheidt. Wat zou het schrikkelijk wezen als gij dan onder de laatsten gerekend zoudt worden, en als de groote Herder der schapen in plaats van u te kennen, dan tot u zou zeggen: I k k e n u n i e t, van waar gij zijt; wijkt van Mij alle gij werkers der ongerechtigheid. Ja, wat zal 't vreeselijk wezen den naam van Christenen, van Protestantsche, van Gereformeerde Christenen gedragen te hebben, leden van een Christelijke, een Protestantsche, een Gereformeerde Kerk geweest te zijn, zonder schapen van den goeden Herder te wezen, zonder in het opschrijven der volken bij Zion gerekend te zijn.
O, weet dan, dat in plaats van het eeuwige leven te ontvangen het voor u een wegzinken zal wezen in den eeuwigen dood.
Of hebt gij de stem van den Herder niet alleen maar gehoord, zooals allen, die onder Zijn Woord leven, haar hooren, maar is die stem ook doorgedrongen tot het oor uwer ziel, dan was die stem voor u een stem van heilig recht, en als zoodanig heeft dan die stem u veroordeeld, maar dan is diezelfde stem voor u ook een stem van genade, een stem van verzoening, een stem van vrede, een stem van zaligheid. Of ligt er dan geen vertroosting in, dat de Herder u kent, dat Hij u veel beter kent dan gij uzelven kent? Neen, nu kunt gij Hem nooit tegenvallen. Ach, uzelven valt gij wellicht gedurig weer tegen. Dat komt. omdat gij uzelven niet genoegzaam kent. Petrus viel zichzelven tegen, want hij dacht dat hij niet in staat zou zijn tot de zonde der verloochening, waaraan hij zich heeft schuldig gemaakt. Maar den goeden Herder viel hij niet tegen, wam deze kende hem en had het hem al te voren voorspeld. Welnu, zoo kent de Heere ook u. Hij weet wat maaksel gij zijt gedachtig zijnde dat gij stof zijt. De Heere weet dus dat er in u, dat is in uw vleesch geen goed woont. Maar nu is dit de troost dat alles wat de schapen missen, de Herder dat in Zichzelven bezit. En daarom is het nu zoo noodig om den Herder te volgen, om bij den Herder te schuilen, om in den Herder te vinden alles wat gij in uzelven tevergeefs hebt gezocht.
Welnu, als gij werkelijk de stem van den Herder gehoord hebt, dan doet gij dat ook; dan is ook uw leven een volgen van Jezus, want dan hebt gij verstaan dat er ook voor u geen andere naam onder den hemel gegeven is om zalig te worden. En als gij zoo waarlijk tot de eensdeels wel dwaalzieke, maar anderzijds ook volgzame schapen van den goeden Herder behoort, verblijdt en verheugt u dan in het leven, dat gij door Hem hebt ontvangen; verlustig u dan in het geloof dat Hij de Getrouwe Herder is, die niet zal rusten voor al Zijn schapen aan de levende fonteinen der wateren geleid zullen zijn en voor Hij alle tranen van de oogen zal afgewischt hebben. En laat het zoo lang met het oog des geloofs op den goeden Herder, die aan al Zijn schapen het eeuwige leven geeft, telkens weer uw bede zijn:
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond,
Uw trouwe hulp, stier mij in rechte sporen.
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond,
Dat onbedacht zijn herder heeft verloren.
Ai zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond
Want hij volhardt naar uw geboon te hooren.
V. J.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's