Staat en Maatschappij.
Staat en Maatschappij
Nationale politiek
Bij een nationaal Kabinet — zoo schreven wij de vorige week — behoort ook nationale politiek. Van het voeren van zulke politiek droomt de Vrijheidsbond en op deze politiek heeft de nieuwe partij, die zich als Nationale Unie aandient, haar zinnen gezet. Nationale politiek is het wachtwoord.
Het doel, dat men met Nationale politiek beoogt, is: het overbruggen der bestaande politieke tegenstellingen, door samen te voegen, wat tot nu toe gescheiden optrok.
Het was begrijpelijk, dat zoolang de strijd om de Christelijke School zijn beëindiging nog niet gevonden had, de voor-en tegenstanders van het bijzonder onderwijs tegenover elkander stonden, dat in die dagen de tegenstelling tusschen rechts en links mocht gehoord worden, maar nu op dit punt recht en vrijheid zegevierden, zoo is naar het oordeel van de voorstanders van Nationale politiek de tegenstelling, de antithese, overbrugd en is toenadering mogelijk en noodzakelijk.
In het Staatkundig Advies van de Nationale Unie wordt de nadruk gelegd op „samenwerking, die onmisbaar schijnt tot het scheppen van de parlementaire voorwaarden voor een zedelijk sterk staande regeering".
Een der voorstanders der nieuwe politieke gedachte schreef onlangs:
„In breede kringen van ons volk wordt thans uitgezien naar verzoening, naar samenwerking op velerlei gebied. Tegenover dien volkswensch staat in zonderlinge tegenstelling de in de laatste jaren steeds scherpere verhouding van den antithetischen partijstrijd in de Kamer. Welke partij aan die scherpere verhouding de meeste schuld heeft, beoordeel ik thans niet. Deze scherpere verhouding heeft in de kringen, die naar verzoening haken, moeheid en moedeloosheid de overhand doen krijgen".
Wonderlijk, dat zooiets kan geschreven worden door iemand, die meent de zaken klaar en - helder voor oogen te hebben. Want de vraag is hier op haar plaats, of men dan werkelijk meent dat de groote tegenstelling tusschen de christelijkeen moderne levensbeschouwing, die de eeuwen heeft beheerscht en ook nog in onze dagen van zoo overweldigende beteekenis is, door de oplossing van den schoolstrijd is komen te vervallen. Het is haast te naïef om zooiets te durven vragen.
Immers de schoolworsteling is maar een onderdeel, zij het ook een betekenisvol onderdeel van dien grooten kamp welke het opkomen voor Gods ordinantiën op het kerkelijk, staatkundig en maatschappelijk leven tot inzet heeft. Bij het Calvinistische volk inzonderheid wordt dat diep gevoeld. 't Publieke leven van ons volk omvat het gezin, het huwelijk, de positie der gehuwde vrouw, de zedelijkheid, de rechtsbeginselen en welke andere instellingen en objecten al niet meer. De inzichten met betrekking tot deze onderwerpen zijn bij de onderscheidene politieke partijen zoo verschillend en veelmaals ook tegengesteld, dat de kloof welke de standpunten doet uiteengaan, wijd gaapt. Tegenover de christelijke opvatting van gezin, huwelijk, positie der gehuwde vrouw, enz., staat de anti-christelijke beschouwing, die de eerste omverwerpt.
Is het met het oog op dit alles dan geen ijdele waan, wanneer men zich verbeeldt dat er een synthese zal te vinden zijn, welke al deze diepgaande en scherpe tegenstellingen zal overbruggen?
Op welke wijze zal de samenwerking zijn tot stand te brengen, om maar iets te noemen, op het stuk van de Zondagsviering, de lijkverbranding, het tooneel? Op welke synthese zullen de voor-en tegenstanders, b.v. van de ontwapening, worden vereenigd? Met belangstelling zien wij op al deze vragen een antwoord tegemoet. Ondertusschen blijven wij ons wapenen tegen het gevaar dat dreigt. Tegenover de Nationale politiek stellen wij de handhaving van de christelijke grondslagen van ons volksleven.
De verantwoordelijkheid.
Nu de protesten tegen het verleenen van het rijkssubsidie van een millioen gulden ten behoeve van de Olympische Spelen blijven aanhouden en de volle verantwoordelijkheid voor deze regeeringsdaad op den Minister van Onderwijs rust, verdient het de aandacht hoe de vrienden van dezen Minister, die met de zaak ietwat verlegen komen te zitten, pogen, om een gedeelte der aansprakelijkheid van de indiening van het wetsontwerp voor rekening te brengen van een ander ambtgenoot van dr. De Visser. Wij betwijfelen het of deze vrienden daarmede den Minister wel een dienst bewijzen. Dr. de Visser is er de man niet naar om voor eigen inzicht en regeerbeleid op den loop te gaan, of het voor een gewoonte te hebben zich achter ambtgenooten te verschuilen. Doch dit in het voorbijgaan. Wat men poogt aan te toonen, mist echter elken grond van juistheid.
De Minister, welke naar het zeggen van de vrienden van den Minister van Onderwijs, voor een groot gedeelte de verantwoordelijkheid voor de aanvrage van het millioen draagt, zou de Minister van Financiën zijn. Natuurlijk weten zij evenmin als wij, hoe het met het wetsontwerp in den Ministerraad geloopen is, of de zaak in dat college er zoo maar glad is doorgegaan, dan wel of in dien Raad zelfs is gestemd geworden. Misschien hooren wij daarvan wel later. Voor het oogenblik kunnen wij alleen maar een oordeel vellen op grond van de officiëele stukken.
En dan moge het, naar hetgeen Minister Colijn een dezer dagen in de Eerste Kamer zeide. juist zijn, dat de Minister van Financiën in de uitgave van het millioen heeft bewilligd, omdat het voor dezen bewindsman een vaststaande zekerheid was, dat het bedrag, dat werd toegestaan, niet meer was dan een voorschot, dat later weer in 's Lands kas zou terugvloeien. Maar daarmee is niet het geheele standpunt van Minister Colijn ten opzichte van de Olympische Spelen blootgelegd. Zijn medewerking als Minister van Financiën was hier bloot formeel; een zelfde standpunt als de Minister tegenover iedere rijksuitgave heeft in te nemen, waarbij te beoordeelen valt of het landsbelang de uitgave al of niet wettigt.
In het geval, waarover het hier loopt, is het zelfs nog iets anders, wijl het hier slechts een feitelijk voorschot geldt, dat op andere wijze later weer in de schatkist terugkomt. Een zuivere financiëele regeling dus.
Een andere vraag is echter: hoe staat Minister Colijn voor zijn persoon tegenover hetgeen in 1928 staat te gebeuren. Wij wachten op deze vraag met gerustheid het antwoord van den Minister af.
Reeds de verklaring van den Minister van Financiën in de Eerste Kamer, dat tegen den financiëelen kant geen bezwaar was te maken, kan doen denken, dat op andere punten wèl bedenkingen waren in te brengen. In zooverre is deze verklaring geruststellend. Maar hoe het ook zij, het is niet aan te nemen, om dit nu eens te noemen, dat de heer Colijn zich met de Olympische Spelen zou hebben vereenigd, die op Zondag doorspelen. Daarvoor is Minister Colijn een te principieel man. De gedachte zelfs aan een andere houding van den leider der A.R. partij mag geen post vatten. Daarom, als het op de verantwoordelijkheid van het voorstel aankomt, is de eenige Minister, die aansprakelijk is, de Minister van Onderwijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's