De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Smaadtaal - Roemtaal

17 minuten leestijd

Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen.Mattheüs 27 vers 42a.

Smaadtaal Roemtaal.
„Is gekruisigd", aldus belijdt de gemeente des Heeren met heilige ontroering en diep ontzag in hare schoone apostolische geloofsbelijdenis aangaande haar eeuwig gezegend Hoofd en Middelaar, sinds Hij „het kruis heeft verdragen en de schande veracht". „Is gekruisigd", hoe spoedig is dat niet uitgesproken, doch welk een nameloos diepgaand lijden wordt er mede bedoeld. Niet slechts was de kruisstraf gansch pijnlijk en smartelijk, maar ook smadelijk. Het was de grootste vernedering, die men kon ondergaan. Zij werd dan ook slechts toegepast op slaven, groote misdadigers, als moordenaars en oproermakers onder de heffe des volks. Slechts ééne uitzondering op dien regel werd er toegepast, en wel juist op Hem, die eene geheel eenige uitzondering maakte op heel het geslacht der menschenkinderen, uit eene vrouw geboren, zijnde zonder zonde, vol van genade en waarheid, n.l. Christus Jezus. En bovendien werd op Hem nog deze uitzondering gemaakt boven alle gekruisigden: niemand is ooit zóó een voorwerp van enkel spot en hoon aan het vloekhout geweest als de Zone Gods.
We lezen van den in zijn leven wereldberoemden geneeskundige Boerhave dat hij de gordijnen liet vallen en zijne knie boog, den Heere ootmoedig dankende, dat Hij hem voor een misdrijf zoo groot bewaard had, zoo vaak hij bemerkte dat een misdadiger voorbij zijn huis naar de openbare strafplaats werd geleid. Hoe bewees hij daardoor op zoo schoone wijze dat hij, de groote geleerde op medisch gebied, ook zelfkennis bezat en door genade geen vreemdeling was voor God en zijn hart. Hoe geheel anders handelden zeer velen tijdens Christus' kruisiging. Vooral op Golgotha's heuvel bleek dat het zoo vreeselijk waar is, dat de mensch een hater is van zijn medemensch, een behagen scheppend in het zien van diens leed. Men wilde ooggetuige zijn van Christus' kruislijden. Nauwelijks lette men op de beide andere kruiselingen, de blik was alleen op het middelste kruis gericht. Inzonderheid trok hun aandacht het opschrift: „Deze is Jezus, de Koning der Joden". O, hoe ergerde hun dat opschrift, hoe wekte het niet hun spotlust op. Zulk een kruiseling hun Koning? Neen, neen, dat zij verre van hen. En wat deden ze nu? Wel, zij lieten vol bitterheid luide de smaadtaal hooren: „Anderen heeft Hij verlost, Hij kan zich zelven niet verlossen". En wie deden zulks? Niet slechts de wufte menigte met de ruwe krijgsknechten, maar ook overpriesters en schriftgeleerden, alzoo ook leeraars der wet, de zoogenaamde geestelijke bouwlieden des volks. Hoe werd door die beschimping het lijden van Christus niet grootelijks verzwaard en was die spot als nieuwe alsem in Zijn lijdensbeker. O, wel was de Zone Gods tot Mara geworden en kon Hij naar waarheid betuigen: „Ik ben een worm en geen man". Hoe moet die smaadtaal vooral Hem leed hebben gedaan, dewijl Hij juist het tegendeel had verdiend. Naarmate men toch onschuldig is, grieft des te meer de versmading. Hoe maak-, te die bespotting niet een onmisbaar deel uit van Zijn lijden als Borg voor dat volk, dat ook zoo menigmaal den Heere versmaad heeft, om aldus ook voor die snoode zonde van Zijn volk verzoening te doen. Ja daarom was het dat de vijanden smaalden: „Anderen heeft Hij verlost. Hij kan zichzelven niet verlossen". Wat zij daarmede bedoelden is duidelijk. Zij spotten aldus met Zijne almacht en Zijn Woord, eenmaal door Hem gesproken „Ik heb macht mijn leven af te leggen en hetzelve wederom aan te nemen". Nu wilden ze Hem stellen tot een openlijken leugenaar en wezen op Hem als een grootspreker en machtelooze, gansch onbekwaam om Zijn leven af te leggen. Die smaadtaal was als eene uitdaging. Het is alsof ze er mede zeiden: Bewijs nu eens, dat Ge inderdaad zijt de beloofde Koning Israels, de uitverkorene Zone Gods, uitverkoren om Israël te verlossen. Toon het, door Uzelf van het kruis te verlossen. Maar Gij kunt het niet, Gij zijt niet de Messias, dien wij verwachten, maar als reeds zoovelen vóór U, een valsche Messias".
Die smaadtaal was dus o zoo ontzaglijk. Het was een Hem steken naar de kroon Zijner goddelijke almacht, een smaden van Hem als die is „de Waarheid" en eene hernieuwde betuiging: „Hij is des doods schuldig". En toch, hoe vreeselijk ook die smaadtaal was, toch wagen we het haar te noemen: Roemtaal.
Roemtaal namelijk in den mond van het ware, het geestelijke Israël, dat naar de verkiezing der genade is. Voor Gods volk en kinderen is het juist zoo vertroostend waar, wat de vijanden daar smadelijk uitriepen: „Anderen heeft Hij verlost. Hij kan zichzelven niet verlossen". Zonder het te weten en te willen, spraken de spotters zelfs eene dubbele waarheid uit, gansch bemoedigend voor Gods volk, ja hun blijdschap en roem. Goed beschouwd, dan was het waar, heerlijk waar: Zichzelven kon de Zone Gods niet verlossen. Zulks was Hem niet mogelijk. Waarom niet mogelijk? Niet, omdat Hij daartoe geene macht zou bezeten hebben, gelijk de vijanden meenden. Had Hij gedaan naar Zijne macht, Hij zou gewisselijk als de sterkere dan Simson de banden des kruises verbroken en hen, die Zijn dood begeerden, verbrijzeld hebben en verpletterd aan Zijn voet. Maar, hoezeer daartoe ook uitgetart, zulks wilde Hij niet. Zijne reddende, opzoekende zondaarsliefde maakte 't onmogelijk. Gesteld eens, dat Hij wèl ware afgekomen van het kruis. O, dan ware Zijn lijden wel zwaar geweest, maar niet volkomen, geen verzoenend lijden. Dan had Hij niet kunnen doen weerklinken van Kalvaria's heuvel dat heerlijke triumflied: „Het is volbracht". Onmogelijk was het ook, om zichzelven te verlossen vanwege Zijne waarheid. Hij toch had reeds tevoren op Zijn naderend kruislijden en sterven gewezen, ja, bij monde van David in den 22sten Psalm geheel Zijn kruislijden, ja zelfs de smaadtaal Zijner vijanden, die ze aan het vloekhout Hem hooren deden, voorspeld.
Zou al het bloed der zond- en schuldoffers onder den ouden dag niet tevergeefs zijn geplengd en het Paaschlam telkenjare niet vruchteloos zijn geslacht, dan moest waar zijn wat de spotters uit riepen: „Hij kan zichzelven niet verlossen".
Onmogelijk was zulks mede vanwege den eeuwigen vrederaad Gods. Het welbehagen toch des Vaders was om Zijn Zoon te verbrijzelen, Hem als het Lam Gods ter slachtbank te doen leiden, opdat aldus Christus de Bloedbruidegom zou zijn van dat volk, dat de Heere zich ten erve verkoor.
En zie, Christus kende dat welbehagen des Vaders, ja, het was ook het Zijne. Daarom zweeg Hij op die smaadtaal, zweeg in liefde, in liefde tot Zijne schapen, in liefde tot Zijn Vader en maakte tot volkomen waarheid: „Hij kan zichzelven niet verlossen". Hoe vertroostend, nietwaar? Hoe dierbaar moet Hij dan ook Zijn volk wel niet zijn. Ook, ja vooral in Zijn lijden en in Zijne versmading was Hij zoo groot. Het is hun roem en blijdschap, en hun tot groote vertroosting dat Hij zichzelven niet verlossen kon. Zoo is dus smaadtaal der vijanden de roemtaal van Gods kinderen.
Doch nog eene andere waarheid, niet minder bemoedigend spraken de spotters, zonder ook dit te verstaan en te wenschen, uit, en wordt ook daarom hunne smaadtaal tot roemtaal van Gods volk, namelijk deze waarheid: „Anderen heeft Hij verlost".
Ja, anderen heeft Hij verlost, reeds vóór Zijn kruislijden, tijdens Zijne omwandeling op aarde. Zelfs velen had Hij verlost. Dat konden vol vreugde getuigen met eene Maria Magdalena die allen, uit wie Hij op Zijn machtwoord duivelen had uitgeworpen, alsmede een jongeling van Naïn, het dochtertje van Jairus en een Lazarus, die Hij verlost had uit het geweld des doods. Hoe vele blinden had Hij verlost van hunne blindheid, kranken van hunne krankheid, melaatschen van hunne melaatschheid. En hoe vele slaven der zonde had Hij niet reeds in vrijheid gesteld met dat enkele verlossingswoord: „Uwe zonden zijn u vergeven".
Maar zie, vooral na hun smaadtaal zou dat woord van spot tot allerkostelijkste waarheid worden: „Anderen heeft Hij verlost". Hij toch heeft verlost Gods volk. Zie, dat volk is ook uit en van zichzelve een arm, ellendig, nooddruftig volk, reeds in Adam verloren hebbende het beeld Gods en daarmede alle waarachtig geluk, missende God voor zijn hart en God tot zijn deel. Maar nu wilde Christus komen als hun Zoenborg, om hen weder te hereenigen met God en alzoo te herwinnen hun verloren geluk. Vraagt ge hoe? Wel, op eene wijze, zóó liefdevol, dat de eeuwigheid niet te lang zal zijn voor de verlosten om daarvoor den Heere groot te maken in het lied der dankbaarheid: „Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed". Ja, Christus droeg de straf, den last van den toorn Gods tegen de zonde en dat voor hen, in hunne plaats. Hij wierp Zichzelf tusschen de roede van Gods toorn en Zijn volk in, opdat die roede niet neer zou komen ter verplettering op Zijn schuldig volk, dat zulks had verdiend, maar op Hem, als het Lam Gods aldus voor hen tot zonde gemaakt.
Welk eene liefde niet waar? O, er op lettende hoe de Heere aldus zich over hen wilde ontfermen, als de meeste niet alleen, maar ook als de eerste in de liefde, dan mogen ze wel uitroepen in zalige verwondering: O, God des aanziens. Heb ik ook omgezien naar Dien, die naar mij heeft omgezien? Wat toch Christus als den grooten Losser Zijns volks betreft dan is het niet: Ruth naderde tot Boaz, maar de geestelijke Boaz boog Zich neder tot Ruth. Van nature toch dan was ook Gods volk een arm, machteloos slavenvolk, slaven van satan, van wereld en eigen boos vleesch.
Maar zie, nu kwam Christus als de rijke en almachtige Losser om hen vrij te koopen en te verlossen uit alle geweld des duivels, van wereld, ja uit alle slavernij. Doch daartoe was niets minder noodig dan dat Hij als de Leeuw uit Juda's stam inging in het huis van satan, dien geweldigen tegenpartijder, en niet rustte alvorens Hij diens kop vermorzelde en alzoo volhardde in Zijn strijd tot in den dood, den vloekdood des kruises.
Deze Zijn kruisdood toch was alleen genoeg, maar ook volkomen genoeg. Gewis, ook volkomen genoeg. Immers zulks wordt ervaren, gesmaakt bij blijde zielsbevinding. Ik denk aan hen, die, ontdekt aan eigen zonde en aan de heiligheid Gods, hebben moeten uitroepen in zielsbenauwdheid: „Ik ben bekommerd vanwege mijne zonde". O, toen het den Heere in het uur der minne behaagde Zijne liefdevleugelen over zulken uit te breiden, zoodat ze het zoo mochten gelooven voor eigen hart, dat zij Hem toebehoorden, hoe werden ze toen er van verzekerd dat Christus door Zijn zoendood volkomen verlossing heeft aangebracht. Ook denk ik aan Gods arm en bestreden volk, dat door genade zich reeds verlost weet uit het diensthuis der zonde. Hoe wordt dat volk nog van alle zijden bestreden en ervaart het zoo de macht van den vorst der duisternis. Hoe ondervindt het ook zoo inwendig de macht van eigen zondige Adamsnatuur.
Daarop lettend, ach, dan moet het wel vreezen van nog te zullen omkomen. Maar hoe wordt deze bange vreeze niet beschaamd gemaakt en op 's Heeren tijd ondervonden dat Christus hun geworden is tot eene volkomen verlossing, zoodat de smaadtaal der vijanden hun is tot roemtaal en wel voor eigen hart en leven: „Anderen heeft Hij verlost". Hoe heerlijk, niet waar? Want weet ge wat die verlossing medebrengt? Wel, gansch groote voorrechten. Het is toch eene verlossing uit het diensthuis der zonde, uit de macht van satan, om nu bij eigen zielsbevinding het woord van Christus zelve te verstaan: „Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult ge waarlijk vrij zijn".
Nu is het niet meer kinderen des duivels, maar kinderen Gods, met vrede in het harte, hope des eeuwigen levens, troost, ware troost in leven en in sterven, licht over dood en graf heen. O, zeker, ik weet het, niet immer is dat alles even iduidelijk, het leven wordt bestreden, het geloofsoog is niet altijd open voor het heil in Christus vooreigen hart; waarheid is niet steeds klaarheid. Zelfs ben ik er van overtuigd: er is meer bekommerd dan wèlverzekerd volk. Wat toch kunnen Golgotha's heuvel en Golgotha's kruis als in donkere nevelen zijn gehuld, zoodat het oog der ziele die niet, ten minste niet helder, welbewust vermag te aanschouwen. Doch al ziet het oog den bornput Bethlehems niet, daarom is deze er toch wel. Als maar de Heere door Zijn Geest de oogen er voor komt te openen, gelijk eenmaal van eene Hagar voor den put in de woestijn, dan wordt het wezenlijk bestaan er van blijde erkend. Daarom is ook zoo noodig bij voortduring de bede op te zenden tot den Heere: „Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest". Wanneer de Heere toch 't licht des Heiligen Geestes komt te schenken, dan, maar dan ook alleen, wordt de smaadtaal tot roemtaal, en wel met het oog op onszelven: „Anderen heeft Hij verlost". Let wel, hoe ik zeg: met het oog op onszelven. De groote vraag is toch niet deze: heeft Hij anderen, maar wèl: heeft Hij mijzèlven, mij persoonlijk verlost? Aan de waarheid: „Anderen heeft Hij verlost", hadden Zijne vijanden niets. Het komt, vooral wat de verlossing in en door Christus aangaat, op eigen bevindelijke kennis aan. Eerst wanneer men zelve haar deelachtig is kan men haar zoo recht hartelijk voor anderen begeeren. En nu is er niets noodiger dan deze verlossing. Vóór alles moet de ziele zijn gered. Het is toch zoo waar:
Ziel behouden, al behouden.
Ziel verloren, al verloren.
Men moest niet willen rusten alvorens te kunnen betuigen: „Ik weet, mijn Verlosser leeft".
Och, dat het nu maar werd ingezien bij het ontdekkend licht des Heiligen Geestes, hoe we niet zijn vrijen, maar dienstbaren als Hagar en Ismaël; en dat door eigen schuld, door onzen vrijen moedwilligen afval van den Heere. Helaas, men is zoo blind voor blindheid, zoo gevoelloos wat betreft de banden van satan, van wereld en eigen booze natuur. Wat is het reeds een hoopvol teeken, indien men het knellen der zondebanden gevoelt, zoodat de beken Belials verschrikken. O zeker, dan is er wel zondepijn en helleangst, maar dit alles zal blijken heilzaam te zijn. Dan is er een ernstig pogen om zelve zich te redden, doch tevergeefs. De Heere doet dan zoo ervaren, dat op den ontdekten zondaar zoo van toepassing is: „hij kan zichzelven niet verlossen". Maar dan kan de vraag ook niet worden onderdrukt: Is er nog eenig middel waardoor ik zou kunnen komen tot verlossing? Het is hem toch zoo vóór en boven alles om redding zijner ziel te doen. En nu hoort hij wel dat volzalig evangelie, dat er redding is in Christus als de geestelijke arke der beboudenis, en komt het ook wel te gelooven: „Anderen heeft Hij verlost", maar durft het niet aan te nemen voor zichzelven. En nu is het een waarlijk bekommerde, heilzoekende ziel juist om eigen zielsbehoud te doen. De redding van anderen en het zaligmakend geloof van anderen baten hem persoonlijk niet. O indien, waarde lezer, gij zelve afweet van die bekommernis, dan ook is het u, niet waar, zoo te doen om zélve voor uw eigen hart verzekerd te zijn van het heil in Christus? Weet ge, wat nu zoo bemoedigend is? Dat de Zone Gods is gekomen van Edom, met besprenkelde kleederen van Bozra, versierd in Zijn gewaad en voorttrekkend in Zijn groote kracht, uitroepende, Ik ben het, die machtig ben te verlossen".
Voorwaar, hoe vertroostend: Christus is machtig om te verlossen. Zelve kunnen we ons niet verlossen; anderen kunnen het niet, want niemand heeft ooit zijn broeder kunnen verlossen. Doch wat wij en anderen niet kunnen, behoeft ook niet, want Christus kan het wèl. Hij toch heeft anderen verlost, waarom kan Hij het u dan niet? Misschien vreest ge, dat uwe schuld grooter is dan die van die „anderen" en dat niemand tegenover zooveel lichts zooveel kwaads bedreven heeft als gij. Is dat zoo, dan raad ik u, zoek eens van die „anderen" op, en spreek eens in vertrouwen tot hen van uwe vrees, en ge zult ontwaren dat een ieder hunner voor zich moet betuigen, dat hem, den voornaamste der zondaren, barmhartigheid is geschied. Gewis, uwe vrees is aan Gods volk niet vreemd. Weet ook dit, dat de Heere niet alleen machtig, maar ook bereidwillig is om te verlossen, en dat oprechte heilbegeerte naar Zijn verlossing vrucht is niet van eigen akker, maar des Heiligen Geestes. De vijanden begeerden niet, dat Jezus afkwam van het kruis; ook niet dat Hij henzelve verloste. De oprechte begeerte naar zielsbehoud is des Heeren werk. De Heere is het, die haar in het harte komt te leggen en daarom haar ook zekerlijk vervullen zal. Eens, misschien wel na zeer lange, bange worsteling, zal het loflied rijzen: Ik ben verlost. God heeft mij welgedaan.
Daarom, gij, die wel alles zoudt willen missen om die blijde verzekerdheid te bezitten, vertwijfel niet in uw ziel, maar houd aan in uw smeeking: „Och, Heere, och wierd mijn ziel door U gered". Zalig, wie zich verlost weet. Wat zijn dat blijde, onvergetelijke oogenblikken, als men het zoo gelooven mag voor eigen hart verlost te zijn.
Merk er wel op, hoe ik zeg: oogenblikken, want ach, wat nog vaak een twijfel, eene donkerheid en magerheid over het zieleleven van Gods volk, niet zelden het droeve gevolg van hun afdwalen van den Heere. Hoe komen Gods kinderen het hier nog te ervaren, dat nog immer 't leven bestreden wordt door den aanklager der broederen en bij de gewilligheid des geestes het vleesch zoo zwak is, zoodat zij met smart moeten belijden:
„Want, o Heer', ik ben aan 't zinken. En tot zinken leder ogenblik gereed".
Ongetwijfeld, een kind Gods ondervindt het zoo: Er moet veel strijds gestreden worden in dit aardsche tranendal. Neen, het is niet maar altijd een wandelen in volle verzekerdheid des geloofs, maar vaak een vervuld zijn met bangen twijfel. Hoe zou hij ook niet twijfelen, als hij ziet op zichzelven, op eigen machteloosheid en zonden? Hoe dieper hij poogt te delven bij. het ontdekkend licht des Heiligen Geestes, des te meer gruwelen ontwaart hij.
Maar welk een troost is het nu, dat de Heere machtig is en blijft om te verlossen uit allen nood, ook van twijfel. Indien daarom, geachte lezer, voorheen uwe zalige zielservaring was, zoodat gij het zoo aannemen mocht dat de Heere ook uw Verlosser was, maar nu mistroostig misschien nederzit, och, dat dan maar bij vernieuwing uw toevlucht zij tot den Heere. Weet het wel, weenen over het gemis van Hem, is nog zulk een slecht teeken niet. Hoe blijde kwam zulks niet te ervaren eene Maria Magdalena. Hoe mocht ook niet een twijfelende Thomas ondervinden vol vreugde, dat hij inderdaad te doen had met een Verlosser, die leeft, zoodat hij mocht juichen: „Mijn Heere, en mijn God !"
Daarom, gij twijfelende, bekommerde ziele, houd moed. De Heere toch is nog steeds de machtige en bereidwillige Verlosser, juist van een in zichzelven arm en nooddruftig volk. Gewis, het is zoo heerlijk waar:
„Nooddruftigen zal Hij verschoonen: Aan armen, uit gena, Zijn hulpe ter verlossing toonen".
Ja, Hij zal — en niet slechts Hij kan — Zijne hulpe ter verlossing toonen aan al Zijn bestreden volk. Voor hen allen geldt Zijn machtwoord bij Zijne gevangenneming tot de vijanden gesproken: "Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat dezen heengaan". Zo gaat dan heen in vrijheid naar het volzalig hemeloord, waar geen zonde meer drukt, geen wereld meer lokt, geen satan meer bestrijdt, geen boos vleesch meer kwelt, geen twijfel meer verontrust, maar waar ze met al de gezaligden mogen aanheffen het lied der volkomen verlossing tot in alle eeuwigheid. Wat zal dat heerlijk zijn!
Amen.
Elburg.                                                                                              D. PLANTINGA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's