Uit het kerkelijk leven.
De Diaconale Voorstellen (5)
Door de geheel verkeerde verhouding van Staat en Kerk, waarbij de Overheid zich indrong in het werk, dat de Heiland aan Zijn Kerk, bizonderlijk aan de diakenen heeft opgedragen, was er in 't midden van de Kerk weinig belangstelling voor het werk, door den Heere haar aanbevolen! 't Ging immers toch wel:
In tal van kerken, waren niet eens diakenen. Zoo lezen we b.v. dat er in Jutfaas en Montfoort diakenen ontbreken. Eerst op de Synode van 1618 werd bij de Kerken aangedrongen het diaconaat in te stellen; maar men zei het heel zacht en heel voorzichtig, alsof men zelf bang was voor hetgeen men aanbeval. Want het heette: „waar het met stichting geschieden kan, mag het". Een manier van spreken, die veel te denken geeft en die niet bepaald een sterke aansporing voor de instelling van het diaconaat bevat. Alle gewesten overziende, zal men moeten erkennen, dat het diaconaat, om vasten voet te krijgen, een moeitevollen strijd gehad heeft. En daar waar het in dezen strijd de overwinning behaalde, kon het door den tegenstand der Overheid niet zijn volle actie ontplooien. Waarbij nog kwam, dat de diaconieën niet zelden zelve gaarne op de publieke armenfondsen leunden en zich tevreden stelden met aanvullend op te treden. Ten plattenlande kon men op tal van plaatsen zelfs geen mannen vinden, die diakenen wilden zijn. In Groningen kwam het wel voor, dat men, tegen betaling van een aanzienlijke gift, vrijstelling van het ambt vroeg. En in 1640 werd op de Synode te Groningen de vraag gedaan, of het niet noodig was voor de armen te oollecteeren —. zóó was men aan de armvoogdij van de vroedschap gewend! In 1862 werd het in sommige gemeenten nog niet gedaan en in 1691 werd nog in een gemeente met ergernis het invoeren van de collecte begroet. Op de welvarende Groningsche dorpen was de opbrengst der armencollecte gemiddeld 10 —15 stuivers per Zondag. Veel meer brachten de extra collecten op. Dan gaf men ook royaal! b.v. op dank-en bededagen. Dan werd de 10—15 stuivers op de dorpen ƒ 15.— tot ƒ 20.—. En in Groningen bracht een extra collecte in 1651 de som van ƒ 11.000.— op. In Amsterdam gingen om de vier weken 25 diakenen langs de huizen der lidmaten collecteeren. Zij werden vergezeld van twee weesjongens, die voor hen uitgingen om te kloppen of te schellen. In de gouden eeuw, van 1650—1750, kwamen er voor al veel schenkingen en legaten; maar vooral werden zij gegeven voor speciale doeleinden, b.v. weeshuizen, oude mannen-en vrouwenhuizen, enz. Zoo werd b.v. aan de diaconie van Amsterdam een legaat van ƒ 165.000.— vermaakt voor een stichting voor gehuwde oudelieden (Corvers hofje).
In de 18de eeuw komt de versterving, ook in het diakenambt. Met het verval in de Kerk wordt ook het diaconaat gedeformeerd. In de hoogte zitten de heeren diakenen en de armen worden slimmer in het bedriegen en misleiden. Het ambt van diaken wordt in den regententijd een postje, waardoor men invloed zoekt uit te oefenen. De diakenen laten hun „wapens" in den schoorsteenmantel van de weeshuizen uitbouwen of hun portretten, sierlijk geschilderd, in de weeshuizen ophangen. Zij reserveeren de schoonste vertrekken in de gebouwen voor hun bizonder gebruik; en de liefde voor de armen is verkoeld — althans daar, waar die liefde geweest is.
Er is over het algemeen weinig drang naar reformatie in de armenverzorging geweest. Aan voorbeelden van zichzelf opofferende warme liefde is de geschiedenis van het diaconaat ten onzent in de voorgaande eeuwen niet rijk. Veel hongersnood en sterfte trof men onder de armen aan.
Te Leiden stierven in 1617 12.000 menschen aan de pest; in 1635 aan de zelfde ziekte
20.000 en in 1655 weer 13.000; en dat waren meest armen en geringen.
In Amsterdam stierven in 1636 ongeveer 17.000 menschen aan de pest; in Haarlem 7000 en in 1666 in Amsterdam aan dezelfde ziekte 24.000.
Door den handel met Oost-en West-Indië komt ex rijkdom in het land en begint de liefdadigheid zich te openbaren tot bestrijding der armoede. De stelselmatig terugkeerende hongersnood wordt voorkomen of bedwongen en met den hongersnood blijft ook weg zijn schrikwekkende metgezellin, de pest. De weeshuizen, gasthuizen en andere liefdadigheidsinrichtingen worden rijk sinds Hollands welvaren — in de eerste helft der 18de eeuw — toeneemt. Eveneens worden tal van hofjes met goede woningen aangelegd.
Sinds het midden der 18de eeuw neemt de volkswelvaart af en daarmede de liefdadigheid. Buitengewone belastingen, armengelden en extra collecten moeten in bijna alle steden geheven worden om de diaconieën en godshuizen op de been te houden. In 1781—'95 werd door de stad Amsterdam aan leeningen tot ƒ8.000.000.— gesloten ten behoeve van de „godshuizen". In 1806 moest door de stad een tekort van ƒ300.000.— gedekt worden voor het aalmoezeniershuis. Meer dan de helft der bevolking van Amsterdam werd toen „bedeeld" (1.008.000 inwoners van een totale bevolking van nog geen twee miljoen).
De diakenen verrichtten hun taak over het algemeen zonder hooge bezieling. Men maakte de bepalingen voor de armen om verzorgd te worden zwaarder en leunde steeds meer op de Overheidszorg. De Staat word de afgod, van wien men alle hulp verwacht.
Omstreeks 1840 ontstaat er in alle landen van Europa, ook hier, een ontwaking op religieus gebied. Een Reveil, dat ook zijn kracht toont op het gebied der christelijke barmhartigheid.
Ook in Roomsche landen kwam ontwaking en vooral bekend is de in 1833 te Parijs gestichte St. Vincentiusvereeniging, voor armen-en krankenzorg; een vereeniging die in alle landen, ook ten onzent, haar afdeelingen heeft om de armen te hulpe te komen (spijskokerijen, volkskeukens, kleedermagazijnen, verhuizingsbureaux, voorschotbanken enz.).
Denk ook aan de „Innere Mission" (Inwendige Zending) in Duitschland, bedoelende opheffing zoowel uit de geestelijke ellende door prediking van het Evangelie, als opheffing uit allerlei armoede, ellende en verwaarloozing. (J. H. Wichern, Th. Flier, e.a.). Waarnaast als vanzelf „het Leger des Heils", dat in alle landen ver...d is, de aandacht trekt.
In Nederland is het diaconaat gelukkig altijd, ook na den Revolutietijd weer, van beteekenis geweest en gebleven; en de kerkelijke armenzorg heeft altijd meegeteld. Doch na de dagen van de Fransche Revolutie dreigt het gevaar van algeheele centralisatie. In 1800 werd een wet aangenomen „regelende het armenbestuur over geheel de Republiek". Onder de vleiende betuiging, dat elk Kerkgenootschap, dat „de arme leden der maatschappij" van de noodwendige levensbehoefte voorzag, zich „verdienstelijk maakte jegens het Vaderland", werden de diaconieën onder voogdij van den Staat gebracht.
(Wordt vervolgd).
Geref. Zendingsbond.
De dag van Donderdag 26 Maart '25 zal een dag van groote beteekenis blijven voor den Gereformeerden Zendings bond. Des middags zijn de brs. J. Tanis en H. Pol, afgevaardigd respectievelijk als zendeling-hoofd der school en als zendeling-diacoon, terwijl des avonds br. J. Belksma, tot nu toe leeraar op 't Zendingsterirein van den Bond (Midden Celebes), zou ingezegend worden tot Zendelingleeraar, om op te treden als opvolger van den op het Zendingsveld gevallen onvergetelijken Zendelingleeraar van de Loosdrecht.
Het middagsamenzijn had plaats in 't gebouw „Irene" te Zeist, waar vele belangstellenden saamgekomen waren om de afvaardiging der beide jeugdige broeders bij te wonen.
Het samenzijn stond onder leiding van dr. J. D. de Lind van Wijngaarden van De Bilt (Utr.). Deze deed het openen met het zingen van Psalm 86 vers 5, waarna bij voorging in gebed en voorlas Psalm 72 vanaf vers 5. Naar aanleiding van 't voorgelezen Schriftgedeelte sprak dr. De Lind van Wijngaarden hierop een kort woord. Spreker wees er op dat het Zendingswerk veel teleurstellingen geeft. Maar de rijke belofte Gods, dat Hij zal heerschen van de zee tot aan de zee, sterkt ons. Dat geldt ook voor het Toradjaland. Spreker richtte zich hierop met bijzondere toespraken tot de beide broeders die zullen uitgaan, ook hen wijzend op het „van de zee tot aan de zee". Ook tot hun betrekkingen richtte hij hartelijke woorden.
Ds. Bieshaar, van 's Gravenhage, Zendingsdirector van den Gereformeerden Zendingsbond, sprak hierop het officiëele afvaardigingswoord. Spreker wees op het verheugende feit, dat er twee br. tegelijk uitgaan tot het Zendingswerk. Dat vervult met dank aan God, omdat Hij den Gereformeerde Zendingsbond nog wil gebruiken. Die jonge menschen zijn levende offeranden. En deze dag is een biddag en ook een dankdag en voor den Bond een feestdag. Zich hierop richtende tot br. Tanis, wijst spreker op het voorbeeld van den grooten Hoogepriester, Die kranken genas. Na de voorlezing van het bevestigingsformulier werd den nieuwen dienaars der Zending staande toegezongen de zegenbede uit Psalm 134.
Verschillende sprekers voerden hierop het woord om den Gereformeerden Zendingsbond geluk te wenschen en woorden van afscheid tot de afgevaardigde broeders te richten. Het waren achtereenvolgens: ds. H. A. Heijer van Vlaardingen, dr. P. C. Bouthoorn van Zeist, ds. Van Amstel van Oosterwolde, ds. Lans, oud-Zendingsdirectoir, oud-Zendeling Fortgens, directeur van de Ned. Zendingsschool, ds. G. H. Beekenkamp van Leiden, ds. S. van Dorp van 's Gravenhage en ds. J. C. Klomp van Westbroek.
Mede namens br. Pol dankte br. Tanis voor de hartelijke woorden tot hen gesproken. Spreker hoopte „met de jeugd in de armen de wacht bij het kruis te betrekken". Br. Pol wil, als de barmhartige Samaritaan, de wonden heelen, die geslagen zijn door den menschenmoorder van den beginne.
Des avonds had in de tot in den nok toe gevulde Ned. Hervormde Kerk, zoo mooi in oud-Gothischen stijl gebouwd, de inzegening tot Zendel.-leeraar plaats van den heer J. Belksma, reeds eerder leeraar op het Zendingsveld van den Gereformeerden Zenjlingsbond.
Na opening van de plechtigheid op de gebruikelijke wijze, wees dr. De Lind v. Wijngaarden in een kort woord op het gewicht van deze ure. Zendeling Belksma, die reeds lang het werk van den Zendeling-leeraar verrichtte, ontbrak alleen de bevoegdheid om het sacrament te bedienen. Die bevoegdheid te verkrijgen was zijn begeerte. Spreker bepaalde hierop zijn gehoor bij de woorden uit Jesaja: Zie, de Heere Heere zal komen tegen den sterke en Zijn arm zal heerschen in liefde en Zijn loon is bij Hem en zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
Ds. Batelaan van Zeist ving aan met er op te wijzen dat de gemeente van Zeist deze plechtigheid niet moet beschouwen als een plechtigheid van den Gereform. Zendingsbond, maar dat zij zich moet beschouwen als de zendende Kerk, evenals eens de gemeente in Antiochië. Spreker drukte er zijn vreugde over uit dat br. Belksma, die de moeilijkheden van het Zendingswerk kent, naar het Zendingsterrein terug wil keeren. Spreker bracht in deze ure in herinnering de woorden van Hand. 26: 16-18 door Christus tot Paulus op den weg naar Damascus gericht. De Koning der Kerk beschrijft in deze woorden de roeping en levenstaak van den Zendeling en den rijken zegen, dien God aan den Zendingsarbeid verbindt.
Na lezing van het formulier en plechtige inzegening ontving Zendeling Belksma het woord. Spreker nam als uitgangspunt het woord dat de Heere tot Jeremiia sprak: „Want ik zal wakker zijn over Mijn Woord, om dat te doen".
Goedsmoeds gaat spreker weer tot zijn arbeidsveld terug. Spr. kent thans het volk en zijn taal en heeft er vele vrienden. De tijd, dat hij gevoelde dat niemand ons begeerde, maar men ons duldde, is voorbij. Stond in de eerste 10 jaar van het werk de schoolarbeid meer op den voorgrond, thans zal naar spreker meent de gemeentevorming naar voren komen. Dat is zeer moeilijke arbeid. Ziende daarop, vraagt spreker om den steun van het gebed.
Na afhandeling van de lezing van het formulier volgde sluiting.
Dat zijn groote dingen die nu achter ons liggen; evenwel niet om ze te vergeten, maar om meer nog dan tot nu toe het werk van onzen Zendingsbond in den gebede en met liefde te gedenken. Dat er in de huisgezinnen en ook als des Zondags de gemeente vergaderd is, maar veel voor des Heeren aangezicht mag worden gedacht aan die mannen en vrouwen die arbeiden op Celebes.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's