De Vrijmetselarij.
II.
Voor alle dingen is thans noodig eene definitie te geven van de V. Eerlijkheid ook tegenover den tegenstander gebiedt, dat wij de formuleering geven, door de Nederlandsche vrijmetselaren zelven ont worpen.
„Vrijmetselarij, naar haar diepste wezen beschouwd, is de in den mensch zelf geboren en zich in een voortdurend streven openbarende gezindiheid, om den mensch en de menschheid te doen zijn in overeenstemming met hun hoogen aanleg en bestemming." 1)
Zietdaar haar wezen. Haar streven is „gericht op de ontwikkeling van al die eigenschappen van geest en gemoed, die, zoo den enkele als de groep kunnen en zullen opvoeren tot hooger geestelijk en zedelijk peil, harmonie te brengen tusschen hun wezen en hunne bestemming". 2)
De mentaliteit der V. is dan ook de geest der humaniteit. Vrijmetselarij en humaniteit worden dan ook door de Broeders als begrippen van eenerlei grondbeteekenis door elkaar gebezigd. „De broederschap der humaniteit en hare ideeën zijn", schreef ds. Ludwig Keiler, „overoud en het genootschap dat zich reeds in 1717 in officiëlen stijl bestempelde met den naam „overoude en eerwaarde broederschap der vrijmetselaren (most ancien and right worshipful Fraternitz) heeft alle rechten en alle plichten van een hoogen ouderdom formeel tot de zijne gemaakt". 3)
„De vrijmetselarij arbeidt aan den verstandelijken en zedelijken vooruitgang der menschheid, beginnende bij den enkeling; en door middel van het wegnemen der scheidsmuren van onbekendheid en daardoor onbemindheid, van misverstand, wantrouwen en vooroordeel, die het verschil van ras, volk, kerk, lichting en partij tusschen menschen van goeden wil optrekt; niet van dit verschil zelf, maar van zijn schadelijke gevolgen; en zij bedient zich hiertoe van de zedeleer des Nieuwen Testaments, gekleed in zinnebeeldige vormen, die krachtens haar ontstaan uit de bouwhutten der middeleeuwen, aan de bouwkunst ontleend zijn". 4)
Geen wonder, dat de Vrijmetselaren hoog het nut der V. aanslaan. „Het nut, dat de V. naar buiten doet door liefdadigheid, zou onder cijfers te brengen zijn indien de broeders-aalmoezeniers niet Matth. VI:1—4 toepasten, maar geen cijfers kunnen uitdrukken hoeveel nut zij doet door ingevolge haar Katechismus broederschap te stichten tusschen menschen, die anders elkander eeuwig vreemd zouden blijven". Het slot van de brochure van dr. Zuidema, die ik daar juist citeer, is te koddig om het niet te vermelden.
„Zie lezer! er is nog eene instelling, die evenals de vrijmetselarij, op geestdrift en toewijding berust, over de geheele aarde verspreid is; weldoet zonder naar kleur, taal of belijdenis te vragen, door de wereld wordt bespot, door vele weldenkenden gewantrouwd en door Rome gehaat, zooals alleen Rome haten kan, — het Leger des Heils. En gelijk dit het Evangelie van Golgotha, brengt de V. het Evangelie der Bergrede, ook daar, waar het anders niet zou komen. En daarom roep ik met het oog op beide allen broeders en zusters van Goeden Wil het woord van den Profeet toe: „Verderf ze niet ; er is een zegen in". 5)
De Vrijmetselaars zijn volgens hun zeggen de dragers der idee van gelijkheid en broederschap. Vandaar dat zij er naar streven verdraagzaam te zijn. „De vrijmetselaar is verdraagzaam, niet in den zin, dat hij zich onverschillig zou gedragen ten aanzien van de gevoelens an andersdenkenden. Hij kan daarvoor niet onverschillig zijn, omdat hij, de aarde ook zijner eigen persoonlijkheid, de beteekenis ook van zijn eigen denken erkennend, zeker er niet in berusten kan, dat hij voor zich als waarheid heeft ervaren, als onwaar gebrandmerkt te zien". 6)
Zoo streeft de Vrijmetselaar naar den vooruitgang, zoowel geestelijk, zedelijk en stoffelijk. De Vrijmetselarij richt zich naar eene bepaalde methode, zelfontwikkeling en zelfvolmaking. Zij arbeidt aan het individu en aan de gemeenschap en zet de door haar gekozen methode consequent door. Levenskunst, ziet daar haar wezen. Humaniteit, Beschaving, Verdraagzaamheid, hare idealen. Savoir faire et savoir vivre. Levens-en Wellevenskunst! De leuze van Coornhert toegespitst. Daarom noemt zij zich de Koninklijke Kunst, ars regia. Voorheen foutief aan Koning Willem III van Engeland toegekend.
Treffender kan niet worden geteekend wat zij beoogt en waarheen zij in zelfvolmaking streeft dan door den Vrijmetselaar Carpentier Alting: „Er is in zijne symbolieke taal — aan den bijbel ontleend, maar zich materieel aansluitend aan den arbeid der bouwgilden, waaruit de Orde is voortgekomen — een prachtig geheel aan beelden, waardoor dit deel van het werk van den Vrijmetselaar teekenend wordt uitgedrukt. De menschheid der toekomst wordt beschouwd als een bouwwerk, waarvan alle menschen de bouwsteenen uitmaken. ledere steen, oorspronkelijk ruw, maar onder welks ruwe oppervlak de volmaakte steen verborgen is, moet tot volledige kubiek werden gemaakt, geschikt om in het touwwerk te worden ingevoegd. De vrijmetselaar beschouwt zichzelf en zijne medemenschen als zulke ruwe steenen, die tot volmaakte steenen moeten, ook kunnen worden bewerkt. Zoo arbeidt hij „aan de ontwikkeling der menschheid, te beginnen met het individu". 7)
Zooals wij boven hebben gezien heeft dr. Zuidema gesproken over den weldadigheidszin, die in den boezem der Broeders leeft. In de belangrijke brochure „Contra" van Jac. P. van Terns, werden enkele citaten gegeven over de weldadigheid, de moraal en het cosmopolitisme. In een Spaansch-Portugeeschen Katechismus wordt gevraagd en geantwoord: „Is niet de onderlinge weldadigheid ons doel? " A. „Wij zouden belachelijk zijn, indien wij ons daarom met zinnebeelden en geheimen omringden".8)
En wat de moraal betreft: „Al staat het vast, dat wij de moraal tot deel der opvoeding verklaren, zoo is dat ons doel niet". 9)
„De V., die wereldburgerschap bedoelt, zij kan in beginsel geacht worden, lijnrecht tegen nationaliteit te staan of althans tegenover datgene, wat in den regel voor nationaliteit doorgaat". 10)
De stemming van den Vrijmetselaar, die hem in den Tempel past is genoemd „réchelle mystérieuse qui fait m'onter l'ame du fini a l'in fini". Aanwijsbaar werk heeft de Orde niet verricht en zij streeft er niet naar „Taten ad extra" (Lessing) te verrichten.
Wanneer ik resumeer, dan zal het zijn, dat de V. een godsdienst is naar den mensch, de mensch moet zich zelf ontwikkelen, zich zelf polijsten, zich zelf verlossen. De Vrijmetselarij stelt zich tot taak het verzorgen van Gods geopenbaard Woord en van Zijne wet door de wetten van den vrijen mensch.
De leer der Loge is een verkapt deïsme en loopt uit op de verheerlijking van den mensch. De zedewet is voor haar la libre morale of la morale indépendante. Of haar voornaamste hoofden meest Joden zijn, ik kan het niet bevestigen of tegenspreken.
Maar laat ik dit artikel dan eindigen met een citaat van een onderwijsman, wiens boek op R.K. gymnasia en H.B.S. veel werd bestudeerd, den zelfden, die zeide, dat de Hoofden der Vrijmetselaren, meest Joden zijn:
Een der hoofden van de Belgische Vrijmetselarij zeide in de loge des „Amis philantrophes" : La loge est Ie complément naturel du parti liberal ..... Ia grande ennemie, c'est l'église de Rome ..... nous sommes la philosophie de libéralisme". 11)
1) „Vrijmetselarij" in „Kerk en 'Secte", blz. 9.
2) Idem. blz. 10.
3) Bij , Kerk en Secte", blz. 11.
4) "Pro en Oontra" artikel „Pro", blz. 13.
5) Dr. W. Zuidema in ...Pro", blz. 14.
6) "Kerk en Secte", blz. 25.
7) „Kerk en Secte", blz. 17.
8) „Contra", blz. 18.
9) „Contra", blz. 19.
10) "Contra". blz. 19.
11) Gelijk de heer A. Brouwers, Leeraar te Rolduc beweert.
12) Schets van de Alg. Gesch. 3e deel, blz. 146.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's