Uit het kerkelijk leven.
De Diaconale Voorstellen (6)
In 1815 werden in de grondwet bepalingen opgenomen inzake het Armbestuur; als vrucht daarvan kwam de wet van 1818. Naar de toenmalige autocratische gewoonten van het gouvernement werden door tal van koninklijke besluiten bij deze wet de diaconieën tot ondersteuning verplicht en werden zij behandeld als waren zij burgerlijke armbesturen! Zelfs werden de kosten door de burgerlijke gemeenten voor armen gemaakt, op haar verhaald.
Deze autocratische en willekeurige handelwijze was geheel overeenkomstig die, waarmede het gouvernement jegens geheel de Kerk optrad. Immers door een autocratisch, en daarbij ongrondwettig ingrijpen des konings, was de Kerk in 1816 onder de macht van den Staat gebracht. En met de Kerk ook de diaconieën! Van boven af werd alles gereglementeerd en georganiseerd. Van 1831 tot 1833 verschenen bij Koninklijk Besluit reglementen op de administratie der diaconiegoederen. En toen in 1844 de Synode der Hervormde Kerk (waar in de Gereformeerde Kerken op koninklijk bevel waren opgesmolten, onder de synodale organisatie van 1816) van haar zijde een poging deed de beginselen der kerkelijke armverzorging te regelen en daartoe een Reglement op de Diaconie-administratiën opstelde, kon dit reglement, hoezeer 't zich bij den bestaanden toestand aansloot, de koninklijke goedkeuring niet verkrijgen. In dit synodaal reglement stond o.a. „de bestuurders van die fondsen zijn, als zoodanig, onafhankelijk van den Staat". Maar het diaconaat moest zich de Staatssuprematie laten welgevallen. En welke richting men van Overheidswege jegens de diaconieën volgde, blijkt uit het ontwerp dat Minister Thorbecke in 1851 indiende, waarin onmiddellijk een rechtstreeksche regeling en toezicht van den Staat over de burgerlijke zoowel als over de kerkelijke armenzorg geëischt werd. Thorbecke beschouwde, met een beroep op de grondwet „de geheele armenzorg als een publieke dienst". De diaconieën waren naar dit ontwerp verplicht alle inlichtingen, door het burgerlijk bestuur gevraagd, te geven. Indien een diaconie weigerde, dan konden burgemeester en wethouders „zelfs (indien het noodiig was) met den sterken arm kennis nemen van de boeken en de documenten".
Zooals we vroeger reeds meedeelden: het ontwerp van Thorbecke is, door zijn aftreden als minister, nooit wet geworden. Maar de liberale(?) beginselen van Thorbecke spreken boekdeelen.
Minister van Reenen, Thorbecke's opvolger, oordeelde gelukkig anders. Hij, de vader van de wet van 1854, keerde terug tot de historische lijn: kerkelijke en particuliere armenzorg regel; de openbare armenzorg aanvulling. De armenzorg behoorde tot het gebied der kerk, oordeelde minister van Reenen en dientengevolge werd zij, naar art. 20 der wet, overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid.
Nadat in 1852 de Regeering haar rechtstreeksche bemoeiing over de kerkelijke armenzorg had teruggetrokken, stelde de Synode in 1856 een Reglement voor .... op. Men plaatste zich op het ..... van de Rijkswet van 1854, ... beginsel voorop: „De gemeente op te ...eid en zelfstandigheid van ....
Het burgerlijk armbestuur mocht niet ingrijpen in „de vrijheid en onafhankehjkheid der diaconieën".
De hoofdbeginselen van dit Synodaal Reglement van 1856 waren: In elke gemeente bestaat een diaconie. Zij zijn zuiver kerkelijke instellingen om de armen der gemeente met hulp en ondersteuning tegemoet te komen. De zorg der diakenen voor de stoffelijke belangen wordt zooveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de bevordering van hun geestelijken welstand. Elke diaconie zorgt voor de armen van hare gemeente. Aan armen van elders of tijdelijk in de gemeente vertoevenden, wordt niet dan in den uitersten nood hulp verleend. Bij voorkeur wordt gezorgd voor de arme lidmaten der gemeente, doch voor zoover de middelen toelaten óók voor armen, die geen lidmaat zijn. Geen arme heeft recht op „bedeeling"; de kerkelijke verzorging is vrije liefdadigheid. De hulp wordt ingericht naar de middelen waarover men kan beschikken. Diakenen zien toe, dat door hun ondersteuning geen luiheid of onmatigheid noch zedeloosheid bevorderd wordt. Aan hen, die zich aan misbruik van sterken drank schuldig maken, wordt geen ondersteuning verleend. Diakenen zorgen voor de verstandelijke, zedelijke en godsdienstige belangen van „de bedeelden" en hun kinderen; zij dienen hen met raad, hulp en vertroosting; zij zoeken hun arbeid te verschaffen. Diakenen zijn gehouden aan het Burgerlijk Bestuur de inlichtingen te geven, door de Armenwet gevorderd.
Ziedaar de voornaamste bepalingen van het Synodaal Reglement van 1856 — waarin, men zal het moeten erkennen, heel veel goeds voorkomt, overeenkomstig onze gereformeerde beginselen, al is het woord „bedeelden" te verwerpen en al maken de veelheid van bepalingen het werk niet gemakkelijker, bedreigend de gewenschte vrijheid in elke gemeente. Ook 't „hulp verleenen naarmate de middelen het toelaten" ware beter geweest als er stond „hulp verleenen naarmate noodig is"; omdat de middelen gevonden moeten worden in Christus' Kerk als de nood der armen roept.
(Wordt voortgezet)
De verzorging der Dienaren des Woords.
Toen onder de krachtige leiding van John Knox — zoo verhaalt prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut" van 1 Maart j.l. — de reformatie in Schotland de overwinning had behaald en het parlement in 1560 de Gereformeerde geloofsbelijdenis had goedgekeurd, moest er een nieuwe organisatie voor de tot reformatie gekomen Kerk worden ontworpen. Deze taak werd opgedragen aan eene Commissie van predikanten, waaronder John Knox de hoofdpersoon was, en de vrucht van hun arbeid was The first book of Discipline, de eerste Kerkenordening der Gereformeerde Kerk in Schotland.
In den vorm is het een verzoekschrift aan „de Hooge Overheid" om de reformatie van Kerk en Scholen ter hand te nemen, maar doordat de Generale Synode der Schotsche Kerk, die in 1561 bijeenkwam, haar zegel er aan hechtte en de Hooge Overheid het bekrachtigde, kreeg het 't gezag van een Kerkenorde en werd dan ook als zoodanig beschouwd.
Het is een der merkwaardigste gedenkstukken uit de geschiedenis der Geref. Kerken, omdat het ons toont hoe mannen als John Knox meenden, dat naar den eisch van Gods Woord de Kerk behoorde te worden ingericht.
Een van de belangrijkste vragen, die daarbij aan de orde kwamen, was: hoe er gezorgd moest worden voor het onderhoud der predikanten. En dan blijkt dat men — althans in Schotland — niet van gevoelen was, dat de Overheid daarvoor moest zorgen. Van Overheids-tractementen is in héél dit stuk geen sprake. Wat alleen van de Overheid gevraagd wordt, is, dat zij zorgen zal, dat de inkomsten vroeger door de Roomsche geestelijkheid genoten uit kerkelijke goederen, niet langer voor deze Roomsche geestelijken zullen gebruikt worden, ook niet door de baronnen en edelen in beslag zullen worden genomen, zooals elders maar al te dikwijls geschied is, maar dienen zouden voor het onderhoud van de predikanten, de scholen en de armen.
Tal van bepalingen zeggen voorts hoe de predikanten en hun gezinnen moesten worden onderhouden. De Dordtsohe Kerkenorde zegt in art. 11 alleen, dat de Kerkeraden de predikanten van „behoorlijk onderhoud" zullen voonzien, maar geeft niet aan, wat men ten onzent dan daaronder heeft te verstaan. De Schotsche Kerkenorde behandelt dit onderwerp uitvoeriger zelfs dan ..... Kerkenorde.
.................................... die het Evangelie verkondigen, ook van het Evangelie zullen leven; waarom het noodzakelijk is, dat voor het onderhoud der predikanten gezorgd wordt en wel zóó, dat dit niet alleen voor henzelf geschiede tijdens hun geheele leven, maar ook voor hun vrouwen en kinderen na hun dood. Want, — zoo gaat de Schotsche Kerkenorde voort —: wij achten het in strijd met godsvrucht en billijkheid, dat de weduwen en weezen van hen, die gedurende hun leven trouw in de Kerk van God gediend hebben en daarom niet in staat waren vooruit maatregelen te nemen voor hun familie, na den dood van den predikant onverzorgd zouden blijven. Elke (plaatselijke) Kerk moest daarom, na het overlijden van den predikant bepalen, hoeveel aan zijne weduwe en weezen zal worden uitgekeerd.
In de tweede plaats spreekt de Kerkenorde dan uit het volkomen juiste beginsel, dat het niet aangaat, dat alle predikanten een gelijk tractement krijgen, aangezien de taak en de lasten van de predikanten niet gelijk zijn. Sommige predikanten zijn ongetrouwd, anderen hebben vrouw en kinderen te onderhouden. De kwestie van „kindergeld" te geven en varieerende tractementen is dus feitelijk een maatregel, die reeds in de 16de eeuw door John Knox is aanbevolen! Het „gelijke monniken, gelijke kappen" is dan ook een onbillijkheid, juist omdat de werkelijke levensomstandigheden der predikanten zoo zeer verschillen.
Maar al kan een uniforme regeling voor alle predikantstractementen daarom niet W'Orden vastgesteld, de Schotsche Kerkenorde • geeft toch wel enkele voorschriften, die toonen wat onder „behoorlijk onderhoud" der predikanten is te verstaan, leder predikant moet genoeg ontvangen om zijn huisgezin te kunnen onderhouden en voorts behoorlijk geld ontvangen voor het koopen van boeken — dit staat voorop ! — kleeren, vleesch, visch en gevogelte en andere noodzakelijke dingen.
Men ziet, dat de groote Schotsche reformator John Knox dus niet wilde dat „schraalhans keukenmeester" zou wezen in de pastorie. En zelfs werd niet alleen voor het eten gezorgd, maar ook voor het drinken, want behalve de 40 „boles" meel (een bole is een Engelsche maat, gelijkstaande met zes schepel) die elk predikant moest ontvangen, moesten hem 25 „boles" mout geleverd worden, om daarvan bier — destijds de nationale drank der Schotten — te brouwen.
Bepaald was, dat telkenjare opnieuw, zoodra de nieuwe Kerkeraad gekozen was, deze te beslissen had of het tractement al dan niet verhoogd moest worden, met het oog op de vermeerderde behoeften van het predikantsgezin. Het tractement moest daarbij niet aan het einde van den termijn worden uitbetaald, maar telkens een kwartaal van te voren, opdat de predikant niet in moeite zou komen.
Ook voor de opvoeding en levenspositie van de kinderen der predikanten werd door de Schotsche Kerkenorde bizonder zorg gedragen. Hun zonen moeten in de gelegenheid gesteld worden te studeeren en daarom moeten zij beurzen krijgen aan de Universiteiten. Alleen wanneer zij geen aanleg hebben voor studie, moeten zij een ambacht leeren.
De zonen van dorpspredikanten moeten kosteloos de stadsscholen kunnen bezoeken. En evenveel zorg draagt de Schotsche Kerkenorde voor de dochters der predikanten. Niet alleen, dat zij een behoorlijke opleiding moeten ontvangen, maar de Kerkeraad moet, wanneer zij huwbaar geworden zijn, haar ook een bruidschat geven, opdat zij in haar stand kunnen trouwen. En dat alles, zoo voegen de opstellers dezer Kerkenorde er aan toe, vragen we niet in ons eigen belang of omdat we er zelf voordeel van hebben, maar in het belang der Kerk. Want, zoo zei men, het is niet te veronderstellen, dat iemand in de toekomst zichzelf en zijn kinderen aan den dienst van God en van Zijn Kerk zal geven, wanneer dit tot een leven, in armoede van hem en van zijn gezin zou leiden.
Wat blijkt dus uit deze Schotsche Kerkenorde van 1561? Dat het Calvinisme ook dingen als: predikantstractementen, weduwen-en weezenpensioen, kindergelden, studiebeurzen, enz. enz., aan de orde stelt en dat de groote Hervormers ernst hebben gemaakt met het beginsel: dat wie het Evangelie dient, ook van het Evangelie moet leven (1 Cor. 9 : 14), wat zij dan maar niet in theorie leerden, maar practisch uitgewerkt hebben, met een ruime mate van practische levenswijsheid. Om de wille van de Kerk vragen deze en dergelijke dingen dan ook bij voortduring de aandacht van de Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's