Stichtelijke overdenking.
Het voorhangel gescheurd
En het voorhangel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden. Marcus 15 vers 3
Het voorhangsel gescheurd.
Ook na Goeden Vrijdag houdt dit waarde, dat het voorhangsel gescheurd is. Lees den Hebreërbrief maar, bizonder het 10de hoofdstuk, en ge merkt, dat het gaat om die ééne offerande, waarmede de Heiland voor al Zijn zondig en schuldig volk een vrijen toegang gemaakt heeft tot God, hetwelk ook nu nog de hoogste zaligheid ontsluit. Daarom schrijft de Apostel voor de broeders en voor de zusters in den geloove: „Dewijl wij dan vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verschen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door zijn vleesch, en dewijl wij hebben eenen grooten Priester over het Huis Gods, zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwade geweten en het lichaam gereinigd met rein water".
Dat is van de grootste beteekenis dus, tot op dezen dag, dat het voorhangsel gescheurd is en nu zal die vrije toegang tot God, in Christus, door ieder van Gods kinderen, dagelijks moeten worden gebruikt, om in te gaan in het binnenste heiligdom. Niet twijfelmoedig. Maar met een waarachtig hart. Niet terwijl men rustig leeft in de zonde. Maar „onze harten gereinigd zijnde van het kwade geweten en het lichaam gewasschen zijnde met rein water". Met de onwankelbare belijdenis der hope vervuld, vasthoudende Hem, Die het beloofd heeft en ook getrouw is, moeten Gods kinderen wandelen. En om elkander daarin tot een hand en tot een voet te mogen zijn, zullen ze „op elkander moeten acht nemen tot „opscherping der liefde en der goede werken". (Hebr. 10 : 23, 24).
Het gescheurde voorhangsel zal dus het centrum van het geloofsleven moeten zijn; en zal dat steeds moeten blijven voor al Gods kinderen. Langs dien weg moet dagelijks de wandeling zijn tot God: in volle verzekerdheid des geloofs. Met minder kan het — volgens den Apostel — niet toe bij Gods volk, noch in het leven, noch in het sterven.
Wat houdt dat scheuren van het voorhangsel dan in?
Door het voorhangsel, dik en dicht, werd ook in Jezus' dagen het heilige der heiligen, waar de Heere wilde wonen tusschen de cherubs, aan elken blik onttrokken, 't Werd nooit terzijde geslagen. Slechts éénmaal in het jaar, op den Grooten Verzoendag, mocht de Hoogepriester dit zware gordijn behoedzaam een weinig terzijde bewegen om in te gaan in 't binnenste heiligdom van den aardschen tabernakel, echter niet dan na een zondoffer te hebben geofferd; niet dan omhuld van wolken van reukwerk en dragend een gouden schaal, gevuld met het bloed, van het lam dat was geslacht. Zóó mocht hij dan binnengaan, voor een oogenblik slechts, om daar uit te sprenkelen op het gouden verzoendeksel het bloed van het beest, dat in den dood was ingegaan. Wat alles geschiedde terwijl 't volk daarbuiten stil wachtte tot de jaarlijksche plechtigheid was geschied.
Dat ondoordringbare gordijn hing er en bleef er hangen; alle de dagen en alle de jaren. En het onbewogen, zwaar neerhangend gordijn bleef zeggen, dat de toegang tot God voor een ieder volkomen was afgesloten.
Toegang tot God is voor den gevallen mensch niet mogelijk. De zonde maakt algeheele scheiding tusschen den mensen en God. Alleen het bloed der verzoening schuift het gordijn weg en maakt opening. Maar zonder dat bloed staan de Engelen om den toegang af te snijden. Geen mensch zal God zien en leven.
Vreeselijke boodschap! En zoo maken ook onze zonden, zoolang ze onverzoend zijn, den toegang tot God onmogelijk. Zou ook een zondaar voor het verterend vuur van Gods heiligheid kunnen bestaan? En dan hangt Jezus aan het kruis, om al het werk, dat er bij God te doen is tot verlossing van Zijn volk, te volbrengen en voor de schuld der Zijnen te betalen, tot den laatsten penning toe.
't Is 's middags drie uur. De tempel is vol van menschen, die het paaschlam laten slachten; die offeranden brengen. De wierookwolken stijgen omhoog en straks zal de priester naar buiten treden uit het heilige, om het volk te zegenen.
Wie let er op het Lam Gods, dat op Golgotha wordt geslacht ? Wie geeft acht op het bloed, dat daar wordt uitgestort? Wie ziet op Hem, die Zijn ziel geeft tot in den dood, om Gode het rantsoen te betalen ? Niemand van de priesters: niemand van de schare. Van de apostelen is er niet één, die er een oog voor heeft op dat oogenblik.
Maar Eén is er Die er op let. Dat is de Heere in den hemel! En als het Lam Gods op aard' voor Sion geslacht, sterft, beeft de aarde en het voorhangsel in den tempel scheurt van boven naar beneden en het heilige der heiligen staat open, er is een vrije toegang gekomen tot God. Het volmaakte offer is gebracht!
Brandofferen noch offer voor de schuld
Voldeden aan Uw eisch, noch eer;
Toen zeid' ik: Zie, ik kom, o Heer!
De rol des boeks is met mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefde en ijver brandt:
Ik draag Uw heil'ge wet,
Die Gij den sterv'ling zet,
In 't binnenst ingewand.
En dan scheurt het voorhangsel van boven naar beneden.
Als volbracht is, waarvan Psalm 22 en Hebr. 10 : 4—12 spreekt, dan is er een vrije toegang tot God voor allen, die, door genade, Jezus Christus als hun Borg en Zaligmaker mogen aanhangen.
De ware Hoogepriester heeft het gordijn opengeschoven, ingaande met Zijn dierbaar bloed, dat reinigt van alle zonden een iegelijk die gelooft. En als Jezus Christus ingaat, dan komt God Zelf om het voorhangsel te scheuren, van boven naar beneden, opdat het geheel en altijd zal open staan voor een iegelijk, die, besprenkeld met het bloed des Lams, nadert tot den Vader. En dies mogen wij nu allen, voor zoover wij door genade deel mogen hebben aan Sions Borg en Losser, om de wille van dezen Gekruisigde, die op Golgotha sterft, vrijmoedig toetreden tot den Rechtvaar dige, zonder te sterven; wij mogen ingaan tot den Heilige, zonder te worden verteerd. Want voor onze schuld is voldaan, onze zonde is verzoend en door den dood en de genoegdoening van dezen Christus mag nu elke ziele, die in geloove op Hem mag bouwen en vertrouwen, in ongestoorde gemeenschap treden en leven met den hoogen, den heiligen, den heerlijken God, Die in Christus Jezus dan wil zijn onze God en Vader.
Zelf heeft de Heere, de Heilige Israels, het voorhangsel gescheurd van boven naar beneden. van Hem is de opening en de vrijheid, om in Christus tot Hem te naderen. Dat is niet van beneden, maar dat is van Boven. Dat is niet van den mensch, maar uit God. Dat is niet uit de werken, maar uit genade, rijk en vrij.
Niet door uw pogen, o mensch, is er een vrije toegang tot God gekomen. Niet door menschelijk streven en zoeken en willen is de weg gebaand naar omhoog. Niet ons vroom-doen, niet ons braafzijn, niet ons ideaal-leven, niet ons omhoog-streven maakt opening, om te leven in gemeenschap met God. 't Is Jezus, Sions Borg en Middelaar, Die met Zijn dierbaar bloed verzoening werkt voor een iegelijk, die in Hem gelooft en het is de Heere Zelf, Die berust in het offer van Zijn Zoon en voor Sion een vrijen toegang maakt tot Hem, om Hem te mogen noemen: Abba, lieve Vader!
„God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende'', schrijft Paulus aan de gemeente van Corinthe (2 Cor. 5 vers 19) en die aflaat van alle eigengerechtigheid en als een arm, verloren zondaar mag rusten in het volbrachte werk van Christus, mag het ervaren, dat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus Jezus zijn, van welk volk ze ook zijn, in welk land ze ook wonen! (Rom. 8:1).
Geheel is het voorhangsel gescheurd. Geheel volbracht is het werk. Geheel verzoend is de schuld. Geheel volmaakt is de verlossing. Van Boven kwam het en het raakt tot beneden, zoodat er niets, niets meer behoeft te worden toegedaan voor een arm zondaarsvolk bij hetgeen de Heere Zelf bereid heeft voor allen, die Hem liefhebben. In dat werk te rusten, dat is zaligheid.
Dit is, dit is de poort des Heeren;
Daar zal 't rechtvaardig volk door treên.
Om hunnen God ootmoedig 't eeren,
Voor 't smaken Zijner zaligheen.
Ik zal uw naam en goedheid prijzen:
Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest.
Door Uw ontelb're gunstbewijzen,
Tot hulp en heil, en vreugd geweest.
Die weg der verzoening ligt nu open voor Gods kinderen, geheel volmaakt en levend en versch, om dagelijks betreden te worden in den geloove. Daarom wekt de Apostel de geloovigen op, om dagelijks "met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs" in te gaan in het heiligdom, „onze harten gereinigd zijnde van het kwade geweten en het lichaam gewasschen zijnde met rein water".
Wandelen wij in dezen weg? In dezen Weg van vrije genade; in dezen weg van volkomen verzoening; in dezen weg van onzen Verlosser, Die op Golgotha stierf? Die weg reinigt van alle zonden, een iegelijk die gelooft.
(Zie verder pagina 2).
Of doen we, alsof liet voorhangsel niet gescheurd is? Werken wij in den weg van zonde en ongehoorzaamheid, om een nieuw voorhangsel te maken, dat onze ziele scheidt van God? Dolen wij met een kwaad geweten her-en derwaarts, waarbij de rust der ziele ontbreekt?
Maken wij door eigen vroomheid en braafheid, in eigengerechtigheid, een kleed, dat sierlijk bewerkt, onze ziele berooft van een vrij uitzicht in Christus op God den Vader?
Of verachten wij nog deze gadelooze genade des Heeren, in Christus voor arme zondaren ten toon gespreid, rijk en vrij? Wie Christus veracht, veracht de genade; en wie de genade veracht blijft onder den toorn Gods!
Daarom, laat ons liever met een gebroken hart en een verslagen geest, met al onze zonden vluchten naar Golgotha, om daar te aanschouwen hoe de Heere Zelf voor den grootste van de zondaren en voor de diepst gevallene zondares een vrijen toegang gemaakt heeft tot God, om in den weg van Christus' bloed, gewasschen en gereinigd, met God verzoend, Hem te mogen aanschouwen als den God van zaligheid en vree.
Veracht dien weg niet. Want wie Hem veracht, zal door Hem straks veracht worden, om de wille der ongerechtigheid, waarvan het hart en het leven dan vol is.
Veracht den weg van gadelooze genade niet, nu het nog de wèlaangename tijd is. Laat af van alles wat van beneden is en zie op hetgeen de Heere van Boven heeft geschonken, uit louter ontfermen, voor een arm en in zichzelf gansch verloren zondaarsvolk.
Om dan ons te voegen bij al Gods ware kinderen en den apostel na te zeggen: „Dewijl wij dan, broeders vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs" — onze vrijmoedigheid niet wegwerpend door de zonde te doen, maar onze consciëntie gereinigd hebbend in de liefde tot Hem, Die ons eerst heeft liefgehad.
Dan daalt van Boven naar beneden genade, rijk en vrij. Dan stijgt van beneden naar Boven de stille lofzang uit Sions zalen:
Een stroom van ongerechtigheden,
Had d' overhand op mij;
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G' uit al 't aardsch gedruisch
Doet nad'ren en uw hellstem hooren,
Ja wonen in uw huis.
M. VAN GRIEKEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's