De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

Een nadere uiteenzetting - Dat gaat den goeden kant uit

7 minuten leestijd

Een nadere uiteenzetting.
Het zou mogelijk kunnen zijn dat sommige van onze lezers zich nog niet voldoende konden  rekenschap geven van de principiëele bezwaren, welke tegen den stemplicht zijn aan te voeren. Daarom laten wij hieronder de redevoering afdrukken welke prof. Visscher bij gelegenheid van de behandeling van het desbetreffend wetsontwerp in de Tweede Kamer op 3 April l.l. hield. Ook onze andere lezers zullen dan tegelijkertijd van het krachtige, en principiëele woord van onzen professor kunnen genieten.
Prof. Visscher dan zeide:
Mijnheer de Voorzitter! Het vraagstuk van den stemplicht mag niet beoordeeld worden naar utilistischen maatstaf in verband met de vraag of het voor de kiesvereenigingen bij den politieke strijd gemakkelijker is, wanneer zij gesteund worden door een gebod met een poenale sanctie in de Kieswet.
Het is ongetwijfeld een feit, dat men, in het afgetrokkene beschouwd, zich den Staat wel kan denken als een organisme, waarin elke levenscel geroepen is om mede te werken aan den opbouw van het geheel. In alle oude utopieën is dat zoo geweest, en ik kan mij best begrijpen, dat de heer Vliegen, die ook niet vrij is van dien utopistischen zuurdeesem, die een karaktertrek is van de sociaal-democratie, van oordeel is, dat de stemplicht niet strijdt met het karakter van de democratie.
Welnu, het komt mij voor, dat de Westersche democratieën, die het constitutionalisme hebben voortgebracht, uit een ander beginsel leven. De Westersche democratie is gegrond op een synthese tusschen gemeenschap en individu, tusschen gezag en vrijlheid, en het gevolg daarvan is onbetwistbaar, dat in ons maatschappelijk teven een onderscheid moet worden gemaakt tusschen zedelijke en wettelijke verplichtingen. Deze twee kunnen uit den aard der zaak niet zonder meer opgaan in elkander, noch met elkaar ident gesteld worden. Men kan all wat zedelijk is niet wettelijk met 'n poenale sanctie vastleggen. Vooral geldt dit voor den stemplicht, die ons brengt voor de vraag, welke die verhouding is van den individu tegenover de Staatsmacht. Het is reeds een vraag, of stemplicht gegrond kan zijn, omdat niet alle individuen, die in den Staat leven, geacht kunnen worden voldoende in staat te zijn aan een dergelijke verplichting, op zedelijken grond, te voldoen. Het spreekt vanzelf, dat, indien iemand geroepen is den stemplicht uit te oefenen en een keuze te doen met betrekking tot de richting van het politieke leven van het volk, allereerste eisch is, dat het subject, dat die keuze moet doen, volkomen zich bewust is van wat hij doet. Ik ben zeker niet buiten de werkelijkheid, wanneer ik constateer, dat dit bij duizenden en duizenden ongetwijfeld niet 't geval is.
Zij weten volstrekt niet allen, wat zij in dezen te doen hebben, zij zijn zich niet allen bewust van de roeping, die zij hebben met betrekking tot de politiek. Reeds daaruit volgt, dat het niet aangaat de poenale sanctie op den stemplicht te stellen en bij de wet voor te schrijven. Dat kan daarom niet, omdat niet allen het inzicht hebben om met vrijmoedigheid een keuze te kunnen doen. Als zij niet in staat zijn om die keuze te doen, met welk recht kan de Staatsmacht dan straffen? Daarbij komt, dat in ons kiesrecht het vrouwenstemrecht is opgenomen, hetgeen voor talloos velen consciëntiebezwaren doet opkomen. Men zegt, dat men zich daaraan kan onttrekken door schijnbaar naar de stembus te gaan, zonder dat men een keuze doet. Maar de wet mag niet medewerken tot simulatie. Inderdaad is het simulatie, wanneer iemand naar de stembus opgaat, doet alsof hij een daad verricht, maar in werkelijkheid zich van die daad verre houdt. Ik hoor hier zeggen: „het is opkomstplicht". Maar aan die opkomst heeft de Staat geen behoefte, alleen hieraan, dat elk individu, dat met het stemrecht is uitgerust, dat recht nu ook uitoefent. Als de wetgever oproept om formeel op te komen en den schijn aan te nemen, alsof men zijn plicht vervult, dan prikkelt de wet tot simulatie. Daarom ben ik van oordeel, dat de oplossing van het vraagstuk, die de Regeering voorstelt, toejuiching verdient. Zij stelt aan den eenen kant den zedelijken plicht. Ik hoor hier zeggen, dat het een wettelijke plicht is gebleven, maar wanneer men de poenale sanctie eraan ontneemt, dan is het inderdaad een zedelijke plicht geworden. Ik begrijp, dat de juristen, die altijd op hun eigen manier denken, tegen die terminologie bezwaar hebben, laat mij dan zeggen, dat het is een zedelijke verplichting in wettelijken vorm.
De Regeering erkent dus, dat wanneer de wetgever ieder burger oproept om zich te kwijten van zijn zedelijke verplichting, hij dientengevolge iederen Staatsburger oproept een zoodanig inzicht te verkrijgen of veronderstelt te hebben, dat hij in staat is op juiste wijze zijn stemrecht te gebruiken. Maar het gaat niet aan dit met de poenale sanctie op te dringen. Daarom schijnt het eenig juiste standpunt dat, hetwelk de Regeering inneemt, door aan den eenen kant te prikkelen tot het uitoefenen van het stemrecht door daaraan een zedelijk karakter te verleenen, in de wet neer gelegd, zoodat ieder burger geroepen wordt zich de vraag te stellen, of hij in die richting zijn stem zal uitbrengen.

Dat gaat den goeden kant uit.
Wij lazen onlangs een artikel in „Staat en Kerk", waarvan wij dadelijk in onszelf zeiden: „dat gaat den goeden kant uit". Boven het artikel stond het opschrift: „Samenwerking met wie?" Wij laten nu maar onbesproken al de onjuiste opmerkingen en de aanvechtbare beschouwingen uit het stuk, als b.v.: dat de groote meerderheid der Antirevolutionairen en de Lohmangroep in de Chr. Hist. Unie van haat bezield zijn tegen de Ned. Hervormde Kerk.
Het zou den schrijver van het artikel, naar wij meenen, wel enige moeite kosten om zijne beschuldiging met bewijzen te staven.
Wat ons echter zeer trof, was in de eerste plaats, dat de voorman uit de Herv. (Geref.) Staatspartij, die het stuk schreef, overtuigd is, dat samenwerking in de Tweede Kamer noodig is. Het erkennen van dit feit is een stap in de goede richting; en in de tweede plaats, dat ook wordt aangegeven op welke wijze de samenwerking moet plaats hebben. Daarvan lezen we deze woorden: „Doe wat gij kunt om in de Tweede Kamer te verkrijgen een krachtige middenpartij, die weerstand biedt aan Rood en Roomsch als aan de mannen der afscheidingsbeginselen en die waakt voor onze protestantsche vrijheden en voor de ontwikkeling van ons Staatsleven in christelijken en historischen geest".
Nu is dit mooi gezegd en wat gezegd wordt is ook in schoone woorden en in een schoonen vorm uitgedrukt. Maar daarmede zal de schrijver van het artikel toch niet kunnen volstaan. Men zal meer van hem willen weten.
De eerste vraag, die opkomt, is: hoe zal zulk een middenpartij met een minimum van 51 leden der Kamer zijn samen te stellen. Uitgesloten zijn de Roomsch Katholieken, de Sociaal-democraten, de Communisten, de Antirevolutionairen en de Lohman-groep uit de C. Hist. Unie. Denkt de Herv. (Ger.) Staatspartij zich een krachtige middenpartij, waarin de Vrijzinnigen de lakens zullen uitgeven? Doch de Vrijzinnigen, Vrijheidsbonders en Vrijz.-democraten tellen nog maar amper 15 leden.
Een andere vraag, welke te stellen is, is deze: op welken grond verwacht men dat deze Vrijzinnige heeren, zoo er misschien een tweetal leden van de Herv. (Geref.) Staatspartij in de Kamer zullen komen, de politieke leiding van deze leden zullen volgen en dat zij zullen medewerken om de Staatkunde voortaan in gereformeerde bedding te leiden? Wij laten het voorshands bij deze vragen, die, naar het ons voorkomt, zeer voor de hand liggen. Zeker, het is belangrijk om naar de politieke adviezen van „Staat en Kerk"' te luisteren, maar zou de schrijver van het artikel, die onze nieuwsgieriigheid niet weinig prikkelde, ons niet een eindje verder op den weg kunnen brengen, opdat wij de theorie aan de practijk zullen kunnen toetsen?
Wij zien met groote belangstelling de beantwoording van onze vragen tegemoet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's