De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Met Christus opgewekt

14 minuten leestijd

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn. Colossensen 3: 1a

Met Christus opgewekt.
De Gemeente van den levenden Christus heeft wederom het groote voorrecht gehad om haar Borg en Middelaar te mogen volgen op Zijn „via dolorosa"; zij mocht tot hare eeuwige vertroosting de waarheid als voor de oogen zien geschilderd, dat het door lijden tot heerlijkheid gaat. O neen! haar Immanuël was niet enkel de Man van smarten, maar openbaarde Zich ook als de Heere der heerlijkheid. Onze eeuwiggeloofde Heiland kon niet door den dood gehouden worden. Hij moest ten derden dage opstaan naar de Schriften. De triomfkreet steeg tot ons op uit het nieuwe graf van Jozef van Arimathéa: Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Wat nu in Hem waarachtig was, is ook waarachtig in Zijne duurgekochte Gemeente. Zijn bemind volk is ook — hoewel hier nog in beginsel — met Hem opgewekt. Zij zijn ook in aanvang met Hem in den dood gegaan. Door Zijne opstanding zijn zij weggerukt van vóór de poorten des eeuwigen doods. Zijn belofte moest immers naar Gods welbehagen aan hen vervuld worden: gij zult leven.
Deze weldaad des Heeren aan Jezus' Bruidsgemeente bepaalt haar bij hare roeping, in ons tekstwoord uitgedrukt. Is zij met Christus opgewekt, dan heeft zij te zoeken de dingen, die boven zijn.
Van de Gemeente: de heilige en geloovige broederen in Christus, die te Colosse zijn, mag de Apostel Paulus getuigen en verzekeren, dat zij met Christus opgewekt was en tot haar moet hij spreken van hare roeping om de dingen, die boven zijn, te zoeken.
Dezelfde verzekering had de Apostel reeds vroeger van haar gegeven, in het 2de hoofdstuk, vers 12: zij waren met Christus begraven in den doop, in welken zij ook met Hem opgewekt waren door het geloof der werking Gods, die Hem uit de dooden opgewekt heeft. Hieruit leidt de Apostel gevolgen af, die voor de Colossensen van uitnemend veel gewicht waren. Waren zij met Christus gestorven en opgewekt, dan hadden zij alles in Christus: het leven uit den dood; maar dan ook zochten zij de dingen, die boven zijn.
En nu bidden wij elkander toe, dat 's Heeren Geest ook ons van deze heerlijke en eeuwige dingen verzekere tot Zijne eer!
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt. Heerlijke waarheden verkondigt de Apostel Paulus, zelf een leerling van den Goddelijken Onderwijzer. Christus is opgewekt en de geloovigen zijn het met Hem. Wat wil dit toch zeggen: met Christus opgewekt? Tot een goed verstaan moeten wij u herinneren aan den jammerlijken toestand waarin het gansche menschdom door de zonde vervallen is. Opwekking veronderstelt val en dood. De dood was op de zonde bedreigd en aan dien dood zijn alle Adams kinderen onderworpen, terwijl die dood voor alle onwedergeborenen een inleiding is tot den eeuwigen dood, tot dat eeuwige lijden van de weening der oogen en de knersing der tanden.
Wij allen hebben het leven verloren, ja, dat leven is de dood geworden. Het verstand, de wil, de neigingen, alles in den mensch is ontheiligd uit kracht van de overtreding van Gods heilig gebod. Het gebod, dat ten leven was, is hem ten dood bevonden. Daardoor kwamen ook de rampen, de ellende, de moeilijkheden in de wereld. Vandaar: al die kwellingen van een ontrust, besdhuldigend geweten; vandaar: dat namelloos verdriet, hetwelk reeds voor den zondaar dit leven dikwerf tot een dood, tot een hel maakt. Doch: het wordt ons ook vergund liefelijke snaren aan te roeren. Allen, tot wie de Heere gekomen is om hen Zich in te planten, om hen in te lijven in het verbond Zijner genade in Christus, zijn verlost van den eeuwigen dood en hebben het nieuwe levensbeginsel ontvangen. Zij staan onder den arbeid van den Goddelijken, Eeuwigen Geest, waardoor zij den Heere beginnen te kennen, te beminnen, te dienen en te verheerlijken. En hoewel dit leven bij de gratie Gods nog gebrekkig is — niet van 's Heeren kant — en hoewel ook voor hen nog — doch tot hun eeuwig nut — - dit leven rijk is aan moeite en verdriet, toch zijn zij in aanvang welgelukzalig met den tijdelijken dood voor oogen. Het lichaam der zonde zal echter teniet gedaan worden; hun doodssnik is de ademtocht van het eeuwige leven. Dit herleven, die herschepping van een zondaar, dood in zonden en misdaden, is het werk van den vrijmachtigen en volzaligen God, alleen en geheel. Dat werk Gods nu noemt de Schrift een opwekking. Het is dan die daad van het Goddelijke Alvermogen, waardoor in het binnenste van een zondaar een nieuw, geestelijk leven gewrocht, bewaard, versterkt en voltooid wordt, een werk, tot welks vervulling Ohristuis de Heere in de wereld was gekomen. Hij moest er voor geboren worden; Hij moest er voor lijden en sterven aan Golgotha's kruis; Hij moest er ook voor opstaan. Tusschen Hem en de Zijnen is gemeenschap in lijden, in sterven en opstaan. Er is een band gelegd tusschen den opgewekten Christus en de opgewekte kinderen Zions. Hij heeft gedaan en geleden, wat zij moesten doen en lijden. Die gemeenschap is zóó nauw dat God, de Heere om Zijnentwille hen aanziet als in Christus geleden te hebben, met Hem gestorven en begraven te zijn, maar ook met Hem opgewekt te zijn. Het : ik ben met Hem gekruist, mag door Gods genade in dien opgewekten Christus gevolgd worden door het: ik leef. Wat heeft Christus' opwekking nu voor hen heilrijke gevolgen medegebracht! In hen is de geest des levens ingeblazen; hun verstand is verlicht, hun wil geheiligd, hun geweten tot rust gebracht. Zij zijn levend gemaakt naar den geest. In hen is het Opstandingsleven ingestort, zoodat zij kinderen der opstanding zijn. Dat opstandingsleven is hier nog ten deele. Het is het leven des geloofs; doch het zal eens op 's Heeren tijd volmaakt en eeuwig zijn. Wij zijn hier nog in de leerschool ter onzer opvoeding en volmaking. Wij zijn gebonden aan de regelen en de voorschriften van onzen Goddelijken Opvoeder. Eén dier voorschriften en regelen vinden wij in de vermaning van onzen tekst: zoo zoekt de dingen, die boven zijn. Wat dat voor dingen zijn? Het zijn de dingen der zaligheid, die reeds daarboven naar de ziel genoten worden. Dat blijkt uit de woorden: waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Het is het leven, nu nog wel verborgen in God, maar eens volkomen gekend en geopenbaard. Het is Christus Zelf, die ons leven is. Wanneer nu Christus (vers 4) zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij mèt Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Al wat behoort tot de volkomen geopenbaarde zaligheid, noemt de Apostel hier de dingen, die boven zijn.
Al wat op aarde bestaat, zelfs Christus Kerk, is onvolmaakt. Zij ondervindt nog om der zonde wil de gevolgen van den vloek. De aarde is voor Gods kind een land der vreemdelingschappen; de hemel, dat is zijn vaderland; daar is de volmaakte zaligheid; daar is volkomen vrede en een eindeloos geluk, daar openbaart de Heere Zich onmiddellijk; daar is Christus met eere en met heerlijkheid gekroond; daar zijn de vele duizenden en tienduizenden van Engelen, Serafijnen en Cherubijnen; daar zijn de millioenen en nog eens millioenen van gezaligden en gereinigden door het bloed des Lams; daar wordt God gekend zonder dwaling; gediend zonder gebrek, verheerlijkt zonder einde; daar is verzadiging van vreugde voor Gods aangezicht; liefelijkheden aan Zijne rechterhand, eeuwiglijk en altoos; daar wordt een zaligheid genoten als nimmer kon gedacht worden; vandaar zal eens het nieuwe Jeruzalem nederdalen.
Ziet! dat — dat zijn de dingen, die boven zijn en die dingen kunnen alleen en moeten meer en meer gezocht worden door hen, die met Christus opgewekt zijn.
O! geliefde kinderen Gods! Is het niet uwe brandende begeerte om ze te zoeken, steeds meer te zoeken? Het zoeken heeft de Heere reeds in Zijne eeuwige gunst in uw hart gelegd — de vindenstijd is voor u óók al aangebroken en — gij zult de dingen, die daar boven zijn, nog meer vinden, zoo het den Heere behaagt. O ! wat zijt gij bevoorrecht boven velen! Het aardsche geraakt meer en meer bij u op den achtergrond. Gij aanmerkt niet de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet. Het is u door den Geest der genade reeds geopenbaard, dat gij zult bereiken het einde van uw geloof, n.l. de zaligheid der ziel, maar langs den weg der gehoorzaamheid aan Gods bevelen. Gij moogt het altijd beter verstaan om in 's Heeren kracht de leden, die op aarde zijn, te dooden, om den ouden mensch met al zijne bewegingen te kruisigen; om af te leggen allen last en alle zonde, die u lichtelijk omringt, om u te reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes. Ook dringt de Heilige Geest er u toe om met lijdzaamheid te loopen de loopbaan, die u is voorgesteld. Vurig begeert gij het om uw God boven alles te beminnen. Steeds moogt gij bezig zijn in de dingen der eeuwigheid; daardoor leeft gij waarachtig. Ook uw aardsche werk wenscht gij ter eere Gods te volbrengen, doch de hemelsche dingen liggen u het naast aan het hart. Het is uwe dagelijksche bede, dat gij hier als een vreemdeling, als een reiziger naar de eeuwigheid moogt leven. Ook dat is een zoeken der dingen, die boven zijn. Overvloedige genademiddelen stelt de Heere ter beschikking van Zijn volk. Zij hebben het eigen Woord huns Heeren, dat hen leert, hen vermaant, hen opwekt. Door Zijne voorbeelden worden zij opgebeurd; door Zijne beloften bemoedigd; door Zijne vertroostingen ondersteund. De H. Sacramenten zijn hun gegeven om hun geloof te versterken, hun hoop te verlevendigen, hun ijver aan te vuren. Bovenal is hun aanbevolen het gebed in Jezus' naam. Het is derhalve een zalige betrekking die er bestaat tusschen den opgewekten Christus en de Zijnen, die met Hem opgewekt zijn. Hoe zijn zij het dan verplicht, uit kracht dier betrekking, om te zoeken de dingen, die boven zijn. Zij zijn het verplicht aan den Heere Zelf, Die hen in Zijne vrije gunst, om 't eeuwig welbehagen overgebracht heeft uit den dood in het leven. Zulk een goddelijk genadewerk eischt dankbaarheid, doch hoe zouden zij den God aller genade in den Zoon van Zijn eeuwig welbehagen kunnen danken, wanneer de Heilige Geest in hen niet gewekt had de begeerte naar de hemelsche dingen? Het zoeken der dingen, die boven zijn, zijn zij verschuldigd aan den Heere Christus, Die zich geheel vrijwillig in hunne plaats gesteld heeft, opdat zij uit den zondedood verlost, door Hem zouden leven. Hij bedoelde hunne zaligheid en nog bidt Hij voor hen aan 's Vaders rechterhand en is Hij bezig hun een plaats te bereiden in het Vaderhuis. Hoe nu zullen zij het best en ter Zijner eere aan Zijne bedoeling beantwoorden? Zal het niet zijn door een geloovig betrachten van het zoeken der dingen die boven zijn, waar Hij Zelf is? Zij zijn het verplicht aan den Heiligen Geest, die voor hen een geest des levens is geworden, die het geloof in hen gewerkt heeft, waardoor zij met Christus zijn verbonden. Het gaat dus al weder in dat zoeken om de eere van God Drieëenig.
Zij zijn het tenslotte ook verschuldigd aan zichzelf. Zij zijn voor een eeuwigheid geschapen en om nu voor een zalige eeuwigheid te rijpen, hebben zij zich onder den drang des Geestes te buigen onder de vermaning: zoekt de dingen, die boven zijn. Mocht nu maar uit hun ziel de bede daartoe oprijzen tot den Heere in den hemel, die Zich in Christus een volk, ijverig in goede werken, heeft uitverkoren.
Ziet hier, mijne lezers, de roeping van den ware christen. Ook uw hart moet daartoe geneigd zijn, zult gij kunnen hopen op een zalige onsterfelijkheid. De kiem van het geestelijke leven moet toch in u gelegd zijn, anders zijt gij niet met Christus opgewekt.
O, men denke niet, dat het dragen van den Christennaam, het geboren zijn in een Christelijk land, het gedoopt zijn in een Christelijke Kerk, voldoende is. Neen, dan heeft men nog nimmer de brieven van Paulus biddend gelezen, want dan ware het hun geopenbaard dat alle steunen op uitwendige gronden verderfelijk is. Zoo is men niet in den weg om kennis te ontvangen van een gekruisigden Christus en van een gekruisigd zijn met Hem. Wat verstaan zij van een leven door den Geest en van een wandelen in den Geest. Hoe is het dan noodig, dat een zondaar door 's Heeren Geest aan zichzelf ontdekt wordt als onderworpen aan den vloek, als geheel onmachtig om zichzelf te verlossen en hunne zaligheid uit te werken! Noodig is de aandrang des Heiligen Geestes om de toevlucht te kunnen nemen tot Christus den Heere, als den eenigen Zaligmaker. Door dien Geest immers worden zij bekwaamd en verwaardigd te leven voor Hem, Die hun ten goede, gestorven en opgewekt is.
O, wat zijn zij ongelukkig, die van dit alles verstoken zijn, al is hun leven op aarde nog zoo voorspoedig. Zij missen den troost, dien een kind van God op zijn sterfbed genieten mag.
Helaas in het algemeen is men gewoon zulke woorden in den wind te slaan, maar de dag der dagen zal hunne dwaasheid aan het licht brengen.
Wat al kostbare tijd is verloren gegaan voor hunne onsterfelijke ziel, wat al zonden zijn opeengestapeld! Wat ontzettend in dien toestand te leven en straks te sterven! O, zeker! Christus Jezus is wel in de wereld gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is, doch dan moet men toch eerst tot de overtuiging gebracht worden dat men verloren is. Men moet eerst de diepte der ellende in en geperst worden tot roepen uit die diepte, zal men een oor ontvangen om het te vernemen, dat er bij den Heere vergeving en veel verlossing is. Zij zullen deel ontvangen aan de opstanding van Jezus Christus en steeds beter leeren te zoeken de dingen, die boven zijn. Langs een anderen weg kan het niet. Wie dus nog de dingen van den tijd zoekt en najaagt, is nog geen nieuw schepsel in Jezus Christus. Wat zal het hem baten, met de groote massa werktuiglijk Paaschfeest te vieren; zij zullen hun leven ongezegend voortzetten en zoo zij niet tot bekeering geleid worden, voor eeuwig veroordeeld worden. O! worde het hun nog gegeven gebruik te maken van het heden der genade!
En gij, die bekommerd zijt gemaakt vanwege uwe zonden, denkt toch nooit: mijne misdaad is grooter, dan dat zij vergeven worde. Christus' bloed reinigt van alle zonden. Zijn Geest maakt dooden levend. O! ziet toch op den Zaligmaker van zondaren, die het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht heeft. Luistert niet naar de stem des duivels, den leugenaar van den beginne, den moordenaar der zielen, maar beluistert - de stemme Gods, die vrede verkondigt door het bloed des kruises. Zoekt bij Geesteslicht de dingen, die boven zijn. Gods genade in Christus zal u voegen tot het kleine kuddeke, dat met Christus opgewekt is. Zoo zal het uw leven worden den Heere te kennen te dienen, te verheerlijken en te aanbidden. Hij, die een goed werk in u begonnen heeft, zal het ook voltooien tot op den dag der verlossing. En toch, bij zoovele goddelijke verzekering nog zooveel twijfel bij Gods volk! Wel betaamt hun de bede: Heere! vermeerder ons het geloof. Neig mijn hart tot de vreeze van Uwen naam altijd meer. Dan ook wordden zij verwaardigd en bekwaamd steeds meer de eeuwige dingen te zoeken en te vinden. Wat zal dan hunne bevinding worden? Ziet, dan zullen zij nader tot de zaligheid gekomen ziin dan toen zij eerst geloofden. Licht en kracht en hulp: zij zullen het alles vinden in hun getrouwen Zaligmaker. Hij zal hen meer hemelschgezind maken. In den vaak zwaren strijd zullen zij goeden moed ontvangen. Hun einde zal vrede zijn, door Hem, die het hunner ziele toegeroepen heeft: Vrede laat Ik u. Mijn vrede geef Ik u.
O, mijn lezer, moge dit door den Heiligen Geest uwe geloofstaal zijn:
Gij hebt, o Heer! den Uwen kracht geschonken
Om t' overwinnen in den felsten strijd.
Zij wachten U met hijgend zielsverlangen;
Gij zijt hun kracht, Gij, die hun Redder zijt.
In U alleen, o Jezus! is het leven;
In d' ijdelheid ligt alles hier beneên.
Gij hebt voor ons het Vaderland verworven.
Leid Gij, o Heer! toch derwaarts onze schreên
Ooster-Nijkerk.                                                                   H. VAN ELVEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's