De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerk, School, Vereeniging.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerk, School, Vereeniging.

10 minuten leestijd

NEDERLANDSCH HERVORMDE KERK.
Beroepen
te Amsterdam J. Vermeulen te Noordwijk aan Zee.
Aangenomen naar Kampen P. J. Steenbeek te Bergambacht; naar Batenburg J. H. Israël te Helvoirt.
Bedankt voor Klaaswaal Chr. J. Schweitzer te Maassluis; voor Rotterdam Dr. F. W. A. Korff té Heemstede; voor Oudewater G. Alers te Nieuw-Lekkerland; voor Tholen F. de Gidts te Goedereede; voor Emst J. G. Woelderink te Randwijk ; voor Adorp H. W. Bloemhoff te Harkstede-Scharmer.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Beroepen te Helmond B. Felder, cand. te Utrecht; te Raard T. Sap te Gouda; te Oud-Vossemeer W. H. Bouman te Lopik.
Aangenomen naar Vlissingen P. N. Kruijswijk te Voorschoten; naar Ulrum S. Neerken te Schoonoord.
Bedankt voor Bedum J. de Waard te Bunschoten ; voor Kampen J. Hoek te Soest; voor Hendrik-Ido-Ambacht J. Meijerte Fijnaart; voor 's-Graveland I. K. Wessels te Veere; voor Elburg J. Hoekstra te Dalfsen; voor Meppel J. van der Meulen te den Bosch.
CHRISTELIJK GEREFORMEERDE KERK.
Bedankt
voor Boskoop H. Velema te Noordeloos; voor Franeker J. L. de Vries te Rijnsburg ; voor Vlaardingen J. P. Meijering te Nieuwpoort.
Jubilea. Ds. P. Bongers, predikant der Ned. Herv. Gemeente te Kamerik, herdacht Tweeden Paaschdag zijn 40-jarige ambtsvervulling met een predikatie over Romeinen 11 vs. 36, waarin de leeraar handelde over het Godsbestuur in zijn leven en stilstond bij den grondslag, de openbaring en het doel daarvan. Namens Gemeente en ring sprak Ds. C. J. H. Verweijs, van Breukelen, den jubilaris toe, wien Psalm 71 vs. 6 (gew.) werd toegezongen. Ds. C. J. van der Graaf, van Ameide en Tienhoven, voerde namens de eerste Gemeente van Ds. Bongers het woord Namens het Prov. Kerkbestuur van Utrecht waarvan de jubilaris president is, kwam Ds. J. Quast Hzn., van Utrecht, complimenteeren. Mede aanwezig waren de ringpredikanten Ds. G. G. J. Bleeker G.Hzn., van Abcoude, Ds. H. Haselager, van Baambrugge, en Ds. J. D. van Hof, van Wilnis. De Gemeente vereerde haar geliefden leeraar met een fraai schrijfbureau, terwijl Kerkeraad en Kerkbestuur een prachtig uitgevoerden Bijbel aanboden.
Beroepingswerk. Te Groningen hebben, naar het N. v. h. N. verneemt, de Kerkvoogden der Ned. Herv. Gemeente hun verzet tegen het Reglement op de Predikantstractementen en den Raad van Beheer laten varen en den achterstalligen aanslag van 4 jaren ten bedrage van f 38.000 aan de Synode betaald, zoodat thans kan worden overgegaan in de vacature van Ds. J. L. Dippel te voorzien.

De tabernakel van Ds. Schouten.
Naar wij vernemen zal de bekende tabernakel van Ds. Schouten, die indertijd zooveel belangstel­ling trok, doch sinds 18 jaren op een stoffigen zolder lag opgeborgen, naar Amsterdam worden overgebracht, waar hij, als vroeger te Utrecht, voor het publiek te bezichtigen zal zijn. Niet alleen de tabernakel, maar het geheele Bijbelsche Museum, dat daaromheen is ontstaan, zal naar de hoofdstad overgebracht worden, waar het onder beheer komt van de Commissie voor Inwendige Zending, die in den tuin van haar gebouw. Stadhouderskade 17, een afzonderlijke zaal heeft doen bijbouwen, met een groot koekoekslicht, speciaal voor de plaatsing van den tabernakel bestemd. Het Bijbelsch Museum zal ondergebracht worden in een der zalen van het gebouw.
De tabernakel, indertijd ingericht door wijlen Ds. L. Schouten Hzn., in leven predikant te Utrecht, die hem in zijn huis aan de Nieuwe Gracht, waar thans de Christ. H.B.S. gevestigd is, tentoonstelde, is later door den zoon van Ds. Schouten, Dr. S. L. Schouten, thans directeur der Chr. H. B. S. te Utrecht, uitgebreid, zoodat het een doorloopende illustratie van den Bijbel wordt.
De Tweede-Kamerverkiezingen. „Staat en Kerk" bevat de volgende candidatenlijst van de Herv. Geref. Staatspartij:
1. Ds. C. A. Lingbeek, te Reitsum; 2. Drs. J. J. Woldendorp, te Groningen; 3. G. Nieuwenhuysen, te Den Haag; 4. G. Buising, te Rotterdam; 5. Ds. L. C. W. Ekering, te Amsterdam; 6. A. J. te Loo,  te Delfstrahuizen; 7. J. J. Prins Jb.zn., te Oldebroek; 8. W. A. Boers, te Amsterdam; 9. B. Renooy, te Den Haag; 10. D. B. Michon, te Den Haag.
—H. M. de Koningin schonk een bijdrage voor den bouw van een Ned. Herv. Evangelisatielokaal te Huizum bij Leeuwarden.
— Te Klundert ontving de Ned. Herv. Gemeente twee giften van f 1000.
— Wijlen de heer A. J. van Alphen, te Tiel, heeft aan de Prot. Wijkverpleging aldaar de som van f 1000 gelegateerd.
— Voor het pensioenfonds van predikants-weduwen en - weezen in de Geref. Kerk in Noord-Amerika is door een lid van een der Kerken een gift van 15.000 dollars geschonken. De schenker is een zoon van een predikant die bij zijn overlijden een weduwe met kinderen in zeer behoeftige omstandigheden achterliet. Een der zoons, een man van vermogen geworden, wilde nu het bovengenoemde fonds een krachtigen steun geven, om de armoede van vele predikantsweduwen in deze te temperen.
— De commissie tot het bestuur over de kerkgebouwen, goederen, fondsen en inkomsten der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam, heeft van een onbekenden, gever (geefster), een bankbiljet van duizend gulden ontvangen, als bijdrage ter voorziening in het nadeelig saldo der rekening over 1924.
— Voor de zes samenwerkende Zendings­ corporaties ontving Ds. H. J. Rooseboom te Delft een gift van f 200 van een dame, die onbekend wenscht te blijven.
— Te Nijmegen heeft de Diaconie der Ned. Herv. Gemeente de grond van haar in aanbouw zijnde tehuis voor ouden van dagen, ter waarde van f 1200, ten geschenke gekregen.
De Kerk verlaten. Honderd-vijf-en-twintig personen te Glanerbrug, hebben zich laten schrappen als lidmaat der Ned. Herv. Kerk wegens het invoeren van een kerkelijken hoofdelijken omslag.
Rechts en links. Te Bellingwolde (Gr.) heeft de Kerkeraad der Ned. Herv. Gem. afwijzend beschikt op het adres, waarin door meer dan honderd lidmaten der Ned. Herv. Kerk werd verzocht, voor tweeden predikant aldaar een leeraar van rechtzinnige richting te beroepen.
— Op de vergadering van den Schoolraad sprak Dr. K. Dijk, Geref. predikant van Den Haag over: „Overheidstaak of Oudertaak".
Spreker begint met de vergadering er aan te herinneren, dat het overmorgen, 17 April, vijfentwintig jaar geleden zal zijn, dat de gewijzigde conclusiën van het Unierapport in de algemeene vergadering van de Unie zijn aangenomen. Hij memoreert dit feit, niet alleen om de groote beteekenis, welke de Unie voor den Schoolraad heeft, maar vooral omdat het in den strijd, die tot de revisie van de conclusies van het Unierapport leidde, ging over de groote vraag: wat moet het zijn: oudertaak of overheidstaak ? en aan wie behoort de school. Deze vraag, die toen in eerstgenoemden zin is beantwoord, heeft ook in deze dagen haar beteekenis nog niet verloren, temeer, waar allerlei banden aan de Overheid ernstige bezinning van deze quaestie noodzakelijk maken. Is echter, wanneer de vraag aldus geformuleerd wordt: overheidstaak of oudertaak ? de probleemstelling wel goed, en bezien wij op deze wijze de verhouding tot de school wel zuiver? Beiden, ouders en Overheid, hebben immers bij het onderwijs belang, en niemand zal durven beweren, dat een van beiden zich aan de school niets mag laten gelegen liggen. De ouders niet, want het geldt hun kinderen, en de Overheid niet, want zij heeft te waken voor een degelijke ontwikkeling van het volk. Maar hiermee is de moeilijkheid niet opgelost, want het cardinale punt is niet, wie eenig belang heeft bij den goeden gang van het onderwijs; dat heeft de Kerk ook; doch alles beweegt zich hierom, van wie de school moet uitgaan, en wie over het onderwijs heeft te beslissen.
Op die vraag is er volgens sprekers vaste overtuiging slechts één antwoord mogelijk, en dat is, dat het onderwijs oudertaak is. Dat vloeit uit het wezen der school voort. Zij bedoelt immers in hoofdzaak de verstandelijke ontwikkeling van het kind, welke een deel is van de opvoeding in het algemeen, de vorming van het kind tot een volwassen mensch Gods, en waar de opvoeding oudertaak is, mag het onderwijs niet aan de ouders onttrokken worden. Wel neemt de school een zekere zelfstandige positie naast het gezin in, omdat opvoeding en onderwijs twee zijn, maar zij gaat toch principieel uit van de ouders. Dit moeten de ouders meer verstaan, opdat zij hun groote verantwoordelijkheid gevoelen en met de school meer meeleven, dan vaak het geval is. Dit alles sluit natuurlijk uit, dat de school overheidstaak is. De Overheid is bij Gods gratie optredende regeering in den Staat, welke van Godswege de roeping heeft het volk te besturen, zóó, dat het goede beloond en het kwade gestraft wordt, en het volksleven zich kan ontwikkelen naar de krachten, welke de Formeerder aller dingen in dit volksleven gelegd heeft. Dit houdt dus in; dat de Overheid alles uit den weg heeft te ruimen wat de ontwikkeling in den weg staat, maar niet, dat zij zelf voor die volksontwikkeling moet zorgen. Dit laatste ligt in de lijn van Plato en van het staatssocialisme van mannen als Bebel e.a. Daarom heeft de Overheid ook niet voor het onderwijs te zorgen, want 1*. het onderwijs is oudertaak ; 2*. het onderwijs behoort niet inhaerent tot de taak van den Staat, omdat er zonder een Overheid, die er is om der zonde wil, ook onderwijs zou wezen, en de Overheid geen roeping heeft haar onderdanen op welke wijze ook te vormen ; 3*. het onderwijs niet neutraal kan zijn, en dient uit te gaan van een belijdenis of principe, welke de Overheid niet heeft, of niet aan allen kan opdringen; en 4*. omdat er tal van practische bezwaren zijn (o.a. van financieelen aard), die tegen de overheidsbemoeiing worden ingebracht. Uit dit standpunt vloeit voort, dat de Overheid ook geen Schoolwet heeft te geven, maar de interne aangelegenheden heeft over te laten aan de ouders, of aan de scholen zelf, welke in scholenbonden etc. over deze dingen kunnen beslissen.
Tenslotte noemt spreker nog enkele bedenkingen. In de eerste plaats meent hij, dat de Overheid zelf niet heeft op te treden, waar het particulier initiatief tekort schiet, omdat hij dit laatste in een toestand, waarin het onderwijs geheel oudertaak is, vrijwel onmogelijk acht. Ten tweede vreest hij allerminst, wanneer de Overheid zich van een schoolwetgeving onthoudt, voor een warboel. Hij wijst naar de orde in het kerkelijk leven, dat niet onder de suprematie van de Overheid staat, en waarin de Kerken haar eigen leven regelen. En in de derde plaats acht hij met het oog op den reëelen toestand van tegenwoordig het meest gewenscht, dat naar de lijnen van het gewijzigde Unierapport de Overheid zich zoo spoedig mogelijk, maar geleidelijk van het onderwijs terugtrekke. Door de historisch geworden toestanden is alles niet ineens te veranderen, maar moet de weg der geleidelijkheid worden ingeslagen. Mits het beginsel voor ons in zijn ouden glans schittere, en wij den strijd voor de vrijheid der vrije school, niet vreezen. Tot dien strijd wekt spreker tenslotte met kracht op.
De Rijpere Jeugd. Op de vergadering van den Bond van Geref. Jeugdorganisaties sprak Prof. Ds. T. Hoekstra, Hoogleeraar aan de Theol. School te Kampen, over „De leeftijdsgrens (naar beneden en naar boven) van de leden der Geref. Knapen-en Meisjesvergaderingen."
Nadat Prof. Hoekstra den leeftijd van knaap en meisje als een overgangsleeftijd heeft beschreven, komt hij op psychologische en praktische gronden tot de conclusie, dat de leeftijdsgrens naar beneden van knapen en meisjes die de vergaderingen bezoeken, moet gesteld worden op het dertiende jaar, dus na den voltooiden twaalf-jarigen leeftijd. De leeftijdsgrens naar boven is: voor meisjes te stellen op het zestiende jaar en voor jongelingen op het zeventiende jaar. Eerst wanneer de jongen zestien jaar geworden is kan hij overgaan naar de jongelingsvereeniging. Voor de stelling dat de leden der Knapenvergaderingen eerst in den loop van het achttiende jaar, dus op zeventien-jarigen leeftijd, tot de jongelingsvereeniging overgaan, zijn wel gegronde motieven aan te voeren, maar voor de bewering dat de overgang reeds op vijftien-jarigen leeftijd zou kunnen plaats vinden, acht spreker geen steekhoudende argumenten aanwezig. Alle groei, ook van het psychisch leven, heeft tijd noodig en het is verkeerd onrijpe vruchten te plukken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Kerk, School, Vereeniging.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's