De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Om één ziel (Radio-voordracht van 29 april)

16 minuten leestijd

Ik zegge ulieden, dat er alzoo blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.Lucas 15 vers 7.

Voor één ziel 1)
Wij leven in een wereld van groote dingen! Geweldige machten strijden om den voorrang. Ontzettende beginselen stuwen ons voort in het leven der menschheid. Er is een wedijver in het groot, om het grootste. En al wat klein is en teeder, nietig en alleen staat, dreigt te geraken onder den voet. Op maatschappelijk en oeconomisch gebied domineert het genie, de wetenschap geeft den toon aan, de techniek beheerscht het al. Van allerlei uitvindingen wordt handig gebruik gemaakt in het belang of tot schade van de menschheid. Op staatkundig gebied klinken er groote woorden van politieke wedergeboorte en van wereldvrede door wereldbonden, van volkerenrecht als het eenig waardevol beginsel voor het volkenheil.
En op het terrein van den godsdienst heft men de allergrootste leuzen aan: beoogt men niet minder dan de christianiseering der geheele aarde, en is men druk, om door christelijke zending in allerlei vertakking, vorm en methode, met inspanning van alle krachten, als in heilslegers georganiseerd, het al meer verzwakkende heidendom te vangen in het net van het woord en den vang van het christendom.
Wij willen de laatste zijn om te beweren dat in al deze dingen geen groote beteekenis ligt. Wie zou hiervan de waarde en beteekenis durven onderschatten? Wie is blind voor wat ontroert en verbaast? Ook wij hebben onze uitgestrekte verwachtingen en onze uitgebreide gebeden. Er is aspiratie in, die weldadig aandoet, enthousiasme, dat de harten opheft, en een ideaal, dat bewondering afdwingt.
Maar — er ligt een gevaar! Een ontzettend gevaar, dat we moeten zien n.l. om te vergeten den dag der kleine dingen, dat kleine oorzaken groote gevolgen kunnen hebben, dat er in kleine gaven groote zegeningen verborgen zijn, en dat er van kleine zielen en krachten zoo grooten invloed kan uitgaan.
Om te vergeten, dat wie de massa wil grijpen, zoo vaak den enkeling over het hoofd ziet, en bij de betrachting van algemeene belangen de particuliere verwaarloost.
De waarde van één ziel wordt licht onderschat. Wat geeft een wereldveroveraar om één ziel? Een Napoleon, hechtte hij waarde aan één menschenleven, als het er om ging om den vijand te slaan?
En de wereldoorlog, o droeve herinnering! heeft die ons niet geleerd, en op de meest tragische wijze laten zien, dat het belang, het eeuwig belang van een menschenziel niets is in de oogen der toonaangevende, alles overheerschende mogendheden? Hoe zijn de duizenden gevallen, soms op één dag!
Of als wij lezen van groote catastrofen, van vulkanische uitbarstingen en mijninstortingen en spoorwegongelukken, overstroomingen, aardbevingen en scheepsrampen op den onmetelijken oceaan, zeg mij komt het er dan op één ziel meer of minder aan? Wij tellen ze voor 't gemak maar bij de honderden; bij zooveel hoeveelheden mist men één, twee zielen niet! Voor één ziel, een „zieltje" haalt men dan de schouders op. Immers, 't gaat om de massa! Om de wereld, om de groote wereld, om de geheele wereld, en dan liefst in één greep samengevat.
De Heere Jezus nam eens een kindeken en stelde dat in het midden. Toen sprak Hij: „de kleinste onder u is de meeste in het Koninkrijk Gods, en zoo gij niet wordt als een kindeken, gij kunt mijn discipel niet zijn". Dat geeft toch een anderen kijk op de dingen.
En als Hij, de groote hartenkenner en de wijste aller menschenkinderen, dan daaraan vastknoopt de levenspraktijk van het ontvangen van een dier kleinen in Zijnen naam, met de belofte, dat wie het doet Hem zelf, den Gezegende onder de menschen, ontvangt; maar ook: wie één derzulken ergert, beter met een molensteen om den hals in de diepte der zee kon nederzinken, dan ..... wij verstaan het, geeft dat een anderen blik op de dingen en begint de waarde van het kleine en de beteekenis van den enkeling bij ons grooter te worden. Wij gevoelen: dat is een andere zijde van het vraagstuk en van gewicht niet ontbloot; in beteekenis en strekking niet minder dan het eerste.
Wij kennen allen de gelijkenis van den goeden Herder. En als wij die lezen, komt er altijd weer verbazing in ons hart. Was dat toch geen ontzettende nonchalance, op het onverschillige af; die houding van den herder niet roekeloos en zorgeloos? Daar loopen honderd schapen rustig te grazen, en één van de honderd is er afgedwaald! Deze laat hij aan hun lot over. Maar wat kan er dan al niet gebeuren? Straks springt er een jonge, roofzuchtige leeuw of wolf tusschenin, en dadelijk liggen er tien te stuiptrekken op den grond. Een bliksemstraal — zig-zag — door het luchtruim, en dan tusschen de kudde door, en de schade is onberekenbaar. Is dat herderstrouw? Bewijs van menschenkennis, van liefde voor de kudde? Als de dierenbeschermers dat zagen! die de dieren met zachtheid behandelen en de vogels sparen — „onverantwoor­delijk !" zouden zij roepen, luide, alom. Maar die zoo spreekt, doet als de onwetende. Want de herder weet wat hij doet. Hij weet, dat zij het niet noodig hebben, momenteel, en veilig zijn onder 's Heeren oog. Maar die ééne is in gevaar van het leven! Op weg naar den dood, in het allergrootste gevaar op een steile klip, op een puntige rots, ten prooi wellicht van het rondsluipend roofgedierte. En nu is hij er herder voor om te weten zijn tijd, zijn roeping, zijn taak, zijn plicht, om in te grijpen als het noodig is om uit te gaan als het gevaar dreigt, om alles te geven, desnoods zijn leven, voor zijn verloren, althans verdwaalde beest.
Daar is nog iets in die gelijkenis dat altijd weer treft. Daar zijn honderd schapen, een bepaald getal. Mag er één ontbreken?
Behandelt die vraag zoo gij wilt. Uit dogmatisch of eschatologisch of uit pastoraal gezichtspunt, maar de slotsom is in alle geval: die ééne is ook een deel van het geheel, die ééne moet er ook zijn; het ontbreken van die éene zou schade doen aan het geheel, breekt de volkomenheid, maakt dat geheel teniet. En als het nu gaat om het geheel, dan gaat het ook om die eene, om den enkeling. Want Gods werk is er bij betrokken en Gods eer is er aan verbonden. Gods doel wordt alleen bereikt als het met die ééne in orde komt.
En dan doet het er niet toe, wat vóór een schaap dat is. 't Is natuurlijk een verkeerde onder de koppel, dat op de bergen is weggevlucht, en in onwetendheid, onbezonnenheid of onverschilligheid in de kloven en spleten zich schuil houdt; dat dartel en stoutmoedig, roekeloos verwaand of dwaalziek daarhenen doolt. Maar 't is er één van het geheel, en dus een deel van de zorg, van de liefde, van den arbeid van den Herder. En daarom moet het alles in beweging komen om de redding van dat ééne; al die zorg, inspanning mobiel gemaakt en al de moeite, tijd, kracht gegeven om 't gewenschte doel te bereiken: het ééne te redden.
En Hij gaat, en doolt, zwerft en zoekt totdat hij vindt, om het straks op zijn arm van den doolweg terug en terecht te brengen. Zoo sprak Jezus. En Zijn woord was een daad. Alles had Hij er voor over. Kroon en troon heeft Hij verlaten, arm is Hij op aarde gekomen, in dienstknechtsgestalte en om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Zelf heeft Hij, om zoo te zeggen, het herderspak aangetrokken en den herdersstaf ter hand genomen, en is er op uitgegaan, zoekende 't verlorene. Moeilijk werk van zelfopofferende liefde en volharding. Uitgegaan in kloven en rotsen, straten en heggen, tot hoeren en tollenaars, de paria's en de vagebonden. En Hij heeft ze gered, het verlorene gezocht, en op Zijn arm gevoerd, den zachten arm van de goddelijke liefde en zoo voor den Vader neergelegd.
Wat dunkt u van de waarde, die één ziel bij Jezus had? Als gij Zijn werk ziet, Zijn woord hoort? De stem van Gods Woord heeft tot u gesproken. Daarnaast hooren wij een tweede, de stem van uw hart. Ik ga van de veronderstelling uit, dat onder de luisteraars velen gevonden worden, die, als geestelijke menschen, ook persoonlijk iets verstaan van deze dingen. Hoe groot is dan bij u de waarde van een menschenziel, genomen naar eigen taxatie? Gij begrijpt al, wat ik bedoel. Wij hebben allen van die oogenblikken, het zijn de beste wel in ons drukke leven, waarin wij mediteeren over wat er in ons en om ons geschiedt. Stondt gij dan wel eens stil bij de vraag, waarom gij zelf een kind van God zijt? en hoe het mogelijk was dat gij persoonlijk mocht deelen in de liefde Gods? O, dan was daartoe geen reden te vinden bij uzelf, het werd zoo groot voor uw gedachten. Onwaardig en toch van waarde? En ten slotte moest gij daarin eindigen, als het zoo is, dan — dan ligt de reden daarvan alleen in U, mijn God, die mij eerst heeft liefgehad.
Ik mediteer al verder.
En als ik overdenk den rijkdom der verlossing, door den duren prijs van het bloed van Christus, als van een onbestraffelijk Lam, en wat het Hem gekost heeft om mij te maken tot Zijn kind — dan eindig ik weer bij de gedachte: als dat er voor betaald is, dan heeft mijn ziel waarde bij God. Ik heb nog meer, en ik denk aan al die heilige waarheden, die Gods| getuigenis mij deed verstaan, in haar diepte peilen, en in haar beteekenis bevatten, daaraan, dat een kind een erfgenaam is er dat die erfenis beloofd is van eeuwigheid, verworven in den tijd, tot een erfdeel geschonken en in het geloof aanvaard — dan — dan — als er dat op beloofd is — dan heeft mijne ziel toch waarde bij God.
Ja, ga nu voort, en neem voor u al de zegeningen van het leven des geloofs en de heerlijkheid der vrijheid der kinderen Gods, die, verlost van banden des doods, overgebracht zijn uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, en uit het geweld van des Satans macht tot de vrijheid en de zaligheid der kinderen Gods — en zie, dat er een zielsreddend werk van Christus is tegenover zielsverdervend werk van den Satan — dan — ja, dan, — als er dat alles voor gedaan, gewerkt en gegeven is, kan ik dan nog ontkennen, dat mijn ziel waarde heeft bij God?
Of — en verder ga ik niet in mijn zielsontroerend peinzen over al de wonderen van genade, als ik dan denk dat Hij, die ze verloste ook hen bij de verorven verlossing bewaart en 't woord van den Heiland kracht heeft en geeft aan mijn zoekend en zuchtend hart zoo vaak: dat niemand ze kan rukken uit de handen mijns Vaders, en dat zij daar nooit zullen kunnen verloren gaan, dan bij de gedachte aan de blijvende bewaring en de gedurige zegeningen, dan eindig ik in den jubel van Gods eeuwige trouw: „wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" en ik kan er niet van loskomen, als dat dan het deel van al de geroepen, gezochte, gevonden schaapjes van Jezus' kudde is, dan nog eens en ten slotte, heeft zoo'n ziel dan geen waarde bij God? Ja — meer waarde dan eenige menschelijke taxatie haar zal kunnen geven, want ik zie dat het daar altijd om ging en altijd om gaan blijft, om 's menschenziel, en redding, om er één, weer één en weer éen en weer één te redden, en om het zoo vol te maken in 's Vaders huis en om door de duizenden enkelingen het koor van de zalige zaligen te voltooien, die boven zingen het Hallel der verlossing ter eere van Hem, die ze kocht met Zijn bloed.
En zoo hooren wij dan vanzelf de derde of laatste stem. Want de stem van het woord was duidelijk, en de stem onzer ziel stemde in met de sprake van het getuigenis, maar wat alles overstemt en eenmaal overstemmen blijft, dat is dé stem van den hemel, een hemelstem, die boven de stem van de zoekende liefde van Jezus op aarde en van de stille stem van zoete meditatie der godvreezende ziel, als de stem van het volle koor van de gezaligden en der heilige Engelen klinkt met den machtigen zang van den jubel der blijde verlossing. Immers, „daar is gejuich in den hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig, die de bekeering niet van noode hebben". (Lucas 15: 7)
Hoe dat komt? Laat ik een voorbeeld nemen. Gij kent het leven in het huisgezin. De jongens vechten, stoeien, plagen; de meisjes kijven, kibbelen, kakelen. Zij zijn immers gezond en vroolijk! en 't kan wat lijden, zij kennen elkaar! Maar — daar komt de krankheid, en zware, ernstige, ten doode dreigende krankheid, en zij tast aan een lid van dat gezin, zeg 't kleinste kind. Wat dan? aller tong zwijgt, aller hart bonst, in aller oog is een traan, aller ziel en zin is op dat ééne gevestigd: aller gebed over dat ééne kind; want de band wordt gevloeld, de liefde lijdt, en al het andere is vergeten; want 't gaat er om, het gaat er alleen om — om dat ééne te redden van den dood.
En — o, als 't dan gered wordt, en als het dan behouden is, en als het dan als uit den dood teruggegeven, dan stijgt de vreugde ten top en in heerlijke harmonie stijgt op de vreugdezang der Godverheerlijkende blijdschap en ootmoedige dankzegging. Zoo is het ook met de geestelijke familie, met de kibbelende Kerk op aarde, die het zoo vaak al te druk heeft en zich al te warm maakt over — nu ieder weet het wel — maar o, als het er op aankomt, als Satan ..... als krankheid ..... als de slaande hand van den dood ach, vult het aan met uw eigen levenservaring! dan voelen wij het: ik ben er ook bij betrokken; dan vallen alle verschillen weg, dan trekken alle harten samen, dan gaat het om het ééne groote, zalige eeuwigheidsbelang en daarom alleen.
Trekt deze gedachte door! Verklaar de hemelvreude der engelen en gezaligden uit het contact tusschen de strijdende en de triomfeerende Kerk, want het is ééne geestelijke familie; leg het verband tusschen de tranen der worstelende zielen en de vreugde der verlosten, en gij hebt de oplossing gevonden van het vraagstuk en de oorzaak van de hemelvreugde, immers als er dan hier al vreugde is over de verlossing, hoeveel te meer daarboven. Daverend gejuich over één die zich bekeert. Zalige vreugde over één dat toegebracht, een schaap, dat zegt: „ik was verloren, maar ik ben gevonden!
Dat is de hemelstem. En die stem klinkt het machtigst en het mooist. Temeer, waar op aarde die stem van vreugde en dank maar te veel zwijgt en de wereld die stem maar al te gaarne wil smoren, en den zondaar, die juicht in blijde verlossing, wil doodzwijgen. Uitbundig gejuich! In de wereld daarboven, van 't hemelheir in koren en reien!
Want zij kennen de waarde van een menschenziel, zij zegenen dien arbeid der zaliging en zij begroeten de scharen die binnen komen, door goddelijk licht geleid, om zich te verblijden in het eeuwige licht van Gods aanschijn.
Blijdschap, ongestoorde, zuivere, innige, zalige, eeuwige blijdschap. Blijdschap over 't welgeslaagde werk, over den Persoon, die het volvoerde, over 't schaapje dat er in deelen mocht, over de gansche Kerk die er door verlost werd, want zoo alleen werd het bewaarheid, volkomen: daar is één ziel gezocht, gevonden, gekocht, gezegend, gezaligd en verheerlijkt.
Nu hebt gij wel begrepen, wat ik met dezen omroep bedoelde heden avond. Ik denk aan het werk der Inwendige en Uitwendige Zending, hier en overal, dat mooie, breede werk op het uitgestrekte terrein van de aarde. Wij staan midden in de verloren, onzalige, ten doode opgeschreven wereld. Naast het heidendom, in duisternis en schaduw des doods gehuld, in onwetendheid en zorgeloosheid, ziel en lichaam verdervenden zondedienst en afgoderij voortlevend, zien wij dagelijks die duizenden, wier namen ik niet zal noemen, wier toestand ik niet zal beschrijven, maar die als arme paria's hun kommervol en ellendig bestaan voortsleepen.
Wie zijn wij dan zelf? En wat is dan onze houding daartegenover? 't Is een ontroerende gedachte, dat alles snelt op de eeuwigheid aan. En hun getal groeit bij den dag. Uit allerlei kringen, ook uit de onze, helaas zoovelen, die ondanks eene christelijke opvoeding zich hebben geworpen in de armen van de verdervende machten van ongeloof en wereldzin.
Wat zullen wij doen ? Glimlachend en schouderophalend ons zelf wijs maken dat er toch niets mee te beginnen is? Of ons vromelijk en hoovaardig verheffen boven het gros van het menschdom en het over te laten aan piëtistische en methodistische dweepers? Of met een onbarmhartig handgebaar afwijzend beschikken op het verzoek dat van Godswege tot ons komt om het getuigenis van de liefde Gods te doen hooren; en de reddende hand ter hulp uit te steken?
De Leviet en de Priester gingen den geslagene op den weg naar Jericho voorbij, maar de barmhartige Samaritaan goot olie in de wond en langde reispenning en teerkost voor den arme ongelukkige. Ach, bedenkt dan wat de Heere van u eischt, en hoe gij met een weinig zelfverloochening zoo grooten zegen kunt bereiden.
Iemand preekte eens over de gelijkenis van den goeden Herder. Een meisje verliet de kerk, in haar oog was een traan, in haar hart en op haar lippen een zucht: „och, Heere, mocht ik dat ééne schaapje eens zijn!" 't Is al jaren geleden. God was haar ziel genadig. Hij verhoorde het gebed. Thans leeft zij nog als een levende ziel, als een leesbare brief, van Christus geschreven. Gaat dan rond in de straten en stegen, op de markten des levens en in den verborgen hoek, waar het verderf verwoest met het woord der getuigenis, met de olie des Geestes! Nog zoovele christelijke en onchristelijke, kerkelijke en onkerkelijke, brave en goddelooze verlorenen zijn er, die ook toegebracht moeten worden.
Er is werk te over! Handen uit de mouwen, de lendenen omgord, de voeten geschoeid, de lampen brandende! Wanneer zullen de onbetaalde rekeningen van de Kerk worden voldaan? Het achterstallige werk worden ingehaald? Grijpt nog wat ten doode wankelt! Met Engelenhand moeten zij uitgeleid uit het Sodom des verderfs.
En — waar gij kunt, laat uw woord, uw daad, uw leven nog velen ten zegen zijn! 't Kon uw vader wel eens zijn, uw kind, uw zuster, uw beminde, wien het geldt! Zoudt gij dan ook de gelegenheid laten voorbijgaan?
O, legt ze van avond nog in uw gebed aan de voeten van Jezus! Hij zal zich hunner ontfermen, want Hij redt nog, keer op keer.
Ik besluit met een groet van deze plaats aan allen! Weest tezamen Gode bevolen! en der genade van Jezus Christus, onzen Heere, die den Paaschgroet Zijner vertroosting uitzendt, draadloos en nochtans met stevig contact: „Vrede zij ulieden !"
                                                                                                                           G. H. B.


1) Op verzoek van den redacteur, met de verzorging van deze rubriek belast, geef ik hier de Radio-voordracht, uitgesproken te Hilversum op den Zend-avond van 29 April j.I. op uitnoodiging van de Nederl. Chr. Radio-Vereeniging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's