De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

Weinig logisch - Eer is teer - Een kloek getuigenis - Onze principiëele bezwaren

16 minuten leestijd

Weinig logisch.
In enkele Chr. Historische bladen blijkt van eenige gevoeligheid over de conclusie, welke wij onlangs bij de bespreking over de Olympische Spelen trokken, toen wij als onze meening deden kennen, dat de eenige Minster, die voor de aanvrage van het millioen de verantwoordelijkheid draagt, de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Neen, zeggen de Christelijk Historischen, zoo is het niet! Met zoo te praten doet ge Minister De Visser onrecht en laadt ge al de schuld op zijn hoofd, want dezelfde verantwoordelijkheid welke de Minister van Onderwijs draagt, diezelfde verantwoordelijkheid heeft ook de Minister van Financiën. Nu is zulk eene redeneering ons niet duidelijk. Deinst dr. De Visser dan voor de volle verantwoordelijkheid van het voorstel betreffende de Olympische Spelen terug? Niets liever zou dit ons wezen, want dan zou daarvan het gevolg zijn, dat het wetsontwerp werd ingetrokken. Maar hoe kan men ter wereld een Minister, hier Minister Colijn, verantwoordelijk stellen voor den inhoud van een wetsvoordracht, welke hij niet teekende. Natuurlijk staat ten slotte het gehele Ministerie schuldig voor het beleid, dat het Kabinet voert, maar die verantwoordelijkheid is een geheel andere als die waarover het hier loopt. Een paar voorbeelden mogen dit duidelijk maken.
Het is bekend, dat er eenig verschil van meening bestaat tusschen den Minister van Oorlog en van Financiën ter zake van de militaire waarde van „Per­manente Werken". Nu staan op de laatste begrooting van Minister Van Dijk heel wat gelden, uitgetrokken ten behoeve van de Vesting Holland. Zou men nu tot Minister Colijn mogen zeggen, omdat gij uwe medewerking als Minister van Financiën hebt verleend om de gelden aan 't Departement van Oorlog toe te staan; draagt gij voor deze oorlogsuitgaven ook de volle verantwoordelijkheid ? Het zou dwaas zijn, om zoo iets te zeggen.
Een ander voorbeeld. De Minister van Onderwijs trekt op zijn begrooting voor 1925 uit de som van ƒ 165.300 ten behoeve van muziek en zang en een bedrag van ƒ 92.675 voor subsidie aan het Koninklijk Conservatorium voor muziek. Aan beide posten zijn niet verbonden het niet spelen op Zondag. Zou men nu den Minister van Financiën, omdat hij zijne medewerking verleende voor deze zaken, mogen aansprakelijk stellen? Geen mensch, die er aan denkt. En als dit nu alles zoo is, met welk recht kan men dan van een zelfde verantwoordelijkheid van Minister Colijn met die van Minister De Visser spreken bij het toekennen van een millioen aan de Olympische Spelen? De logica daarvan ontgaat ons ten eenenmale.
Eer is teer.
Ds. Lingbeek moet een niet bepaald helder oogenblik hebben gehad, toen hij onder het opschrift „Waarheidsvrienden" de onderstaande ontboezeming in „de Gereformeerde Kerk" van 30 April liet opnemen: Onlangs schreven wij (ds. Lingbeek) over wat dr. Beerens (Hervormd-predikant te Utrecht) had gezegd, dat wij n.l. het schoone en liefelijke in Rome niet mochten verachten. Wij antwoordden niet te willen ontkennen, dat er in Rome's godsdienst christelijke elementen waren overgebleven, maar ontkenden, dat 't daarover ging in de quaestie van het Toorop-raam, dat immers juist om zijn onchristelijk karakter werd verworpen. Met dat eerste, de christelijke dementen, bedoelden wij natuurlijk: de belijdenis der twaalf artikelen, den Doop en dergelijke dhristelijke dingen die Rome heeft overgehouden. Maar wat schrijft nu de heer D. v. Twist in „De Waarheidsvriend"? Ds. Lingbeek in bewondering voor Rome's Kerk, zoo schrijft hij letterlijk. Natuurlijk kan de heer D. van T. z'n lezers vertellen wat hij wil, nog veel meer zelfs, dan dat wij Rome's Kerk bewonderen. Maar wij hadden toch van een oudofficier iets anders verwacht. Toen wij dit stuk in „de Gereformeerde Kerk" lazen, hebben wij ons afgevraagd, hoe wij een dergelijke conclusie: „ds. Lingbeek in bewondering voor Rome's Kerk" uit zijn schrijiven naar aanleiding van dr. Beerens' opmerking hebben kunnen trekken? Daarom sloegen wij nog even na, wat op dit punt in het nummer van „de Gereformeerde Kerk" van 26 Maart van de hand van ds. Lingbeek verscheen. Maar daarin staat van het heele relaas, dat hij thans van de zaak geeft, niets. Met geen woord staat daar iets gemeld van: „christelijke elementen, welke in Rome's godsdienst waren overgebleven". Letterlijk lezen wij ter plaatse: Want zekerlijk, wanneer er in de Roomsche Kerk „schoone en liefelijke dingen" gevonden worden; wanneer daar iets geschiedt, „tot Gods eere", (en wij zullen geenszins ontkennen, dat er bij de Roomsche Christenen zulke dingen gevonden worden!) dan verblijden wij ons daarover, evengoed als dr. Beerens. Wij cursiveeren den zin, welke hier in het geding is. En wat blijkt dan uit dien zin, welken ds. Lingbeek neerschreef ? Dit, dat hij onderschrijft wat dr. Beerens opmerkte
1e. dat bij de Roomsche christenen schoone en liefelijke dingen gevonden worden;
en 2e. dat in Rome's Kerk dingen geschieden tot Gods eere.
Bedoelde hij nu met deze bewondering van Rome's Kerk te zeggen, dat in Rome's godsdienst christelijke elementen, als de belijdenis der twaalf artikelen, den Doop en dergelijke christelijke dingen zijn overgebleven, dan had ds. Lingbeek zich hier anders en duidelijker moeten uitdrukken. Want het vinden schoone en liefelijke dingen en dingen, welke tot Gods eere geschieden, zijn toch niet eensluidend met christelijke elementen, welke zijn overgebleven. De fout ligt dus bij ds. Lingbeek zelf. Maar dan had hij niet mogen spreken van „wat vertellen van den heer D. V. Twist aan zijne lezers" en van de eer van een oud-officier.
Eer is teer.
Wij hopen en vertrouwen, dat ds. Lingbeek zal inzien dat zijn houding niet correct was en dat hij bereid zal zijn, evenals wij zijn artikel, voor wat de zaak betreft, in zijn geheel in ons blad overnamen, hij ook de door ons gegeven opheldering in haar geheel in „de Gereformeerde Kerk" zal plaatsen.
Een kloek getuigenis.
Velen onzer lezers kennen den heer M. J. P. Vermooten, het bekende A. R. gemeenteraadslid van Utrecht en het ijverige bestuurslid van den Gereform. Zendingsbond. Van dit raadslid vonden wij in zijne kwaliteit van voorzitter van de Prot. Chr. Raadsfractie een interview in het „Utrechts Dagblad". Uit het onderhoud, dat dr. Ritter, hoofdredacteur van het blad, met den heer Vermooten had, nemen wij het volgende over:
Na te hebben laten voorafgaan, dat de Prot. Chr. Raadsfractie in het debat steeds tracht kort te zijn, en waaromtrent de heer Vermooten enkele inlichtingen gaf, schrijft dr. Ritter: „hier roerde de heer Vermooten even iets aan van het diepere beginsel: ge kunt u niet voorstellen, hoe de gemeenschap van godsdienstig leven, hoe het openen der fractie-vergadering met gebed en het sluiten met dankzegging een vruchtbaren, een opbouwenden invloed heeft".
Volgt dan een kort overzicht van den levensloop. De heer Vermooten „is van ouder tot ouder orthodox-protestant en anti-revolutionair".
Wat de raadsvraagstukken betreft: „Er zijn eenige dingen, waarmede de Protestantsch Christelijke Raadsfractie niet wil laten spotten. Een belangrijke zaak is voor haar de quaestie der Zondagsrust. En, de heer Vermooten voegde er onomwonden aan toe, — voor ons is de Zondagsrust een middel in dienst der Zondagsheiliging. Met voldoening zag hij terug op de aanvaarding van een voorstel, indertijd door den heer de Waal Malefijt en hem ingediend, waar­ bij de Zondagssluithig van barbiers-en kapperszaken werd ingevoerd en op een ander voorstel, waarbij het verbod van luidkeels venten op Zondag zich over den geheelen Zondag en de geheele stad (dus niet alleen in de omgeving van kerken) had uitgestrekt". Ook over de kerkelijke vragen en eenige algemeene principiëele vroeg de heer Ritter de meening van den fractievoorzitter. Wat de laatste betreft, de hr. Vermooten zag alle reden „om de school met den bijbel (wij zouden schrijven Bijbel) te bewaren, al brengt dan de financiëele geijkstelling voor de schoolbesturen vele zorgen mee". Warm loopt de heer Venmooten voor de nationale, de groot-Nederlandsche gedachte. En ten slotte: Het derde en laatste waarover de heer Vermooten wilde spreken had hij tot het laatst bewaard, om daarin al zijn mededeelingen te doen culmineeren. Er is geen andere troost in dit benarde leven dan de godsdienst. Als God geen metgezel is bij onzen arbeid, dan is de arbeid een vloek, is Hij niet metgezel bij onze rust, dan is die rust vloekwaardig. Hij kon zich dan ook niet voorstellen, hoe er een onwrikbare levensovertuiging kan zijn, die niet haar rustpunt heeft in Gods Woord. Wie de Antirevolutionaire partij gestorven waande met dr. Kuyper, had geen kijk op het Antirevolutionair beginsel. En hij wees op het merkwaardige feit, hoe tijdens de laatste Deputatenvergadering een ambtenaar naar voren was getreden, een van degenen dus, die door het bezuinigingssysteem van Colijn het zwaarst getroffen waren, en die het pijnlijke van Colijn's plicht had erkend èn spontaan had voorgesteld Gods zegen te vragen over den Antirevolutionairen leider. Dr. Ritter schrijft aan het slot van zijn interview: „Wij namen afscheid van een eenvoudig man, maar een man met een levend en sterk beginsel in zijn ziel, en wiens laatste woord nog in ons naklinkt: Wat onze samenleving op het oogenblik mist is: „Godsvertrouwen".
Onze principiëele bezwaren.
Vrijdagmiddag hebben zich in de Tweede Kamer zoowel de voorstanders als de tegenstanders van het voorstel tot het verleenen van subsidie aan de Olympische spelen doen hooren. Tot de laatsten behoorden ds. Kersten en Prof. Visscher, die beiden op overtuigende wijze de principiëele bezwaren tegen het voorstel uiteenzetten. Om de belangrijkheid laten we hieronder het kloeke woord volgen, dat prof. Visscher sprak. Na de materieele bezwaren, die in den breede werden aangegeven, kwam onze A. R. afgevaardigde tot de principiëele bezwaren. Daarvan zeide hij : Maar, Mijnheer de Voorzitter, behalve deze materieele bezwaren zijn er principiëele bezwaren aan deze zaak, die ze voor mij veel bedenkelijker maakt. Deze Regeering is, als ik het op oud-Hollandsche wijze zou zeggen, "tot onderscheidene reizen" als een phoenix uit haar assche herrezen, en bij iedere opstanding heeft zij verklaard; dat zij wilde zijn een Christelijke Regeering, die de Christelijke grondslagen van ons volksleven zou behartigen en handhaven. Ik betwijfel echter, Mijnheer de Voorzitter of zij zich steeds en althans bij deze voordracht ten volle bewust is gebleven van hetgeen zij daarmede, met dat praedicaat „Christelijk" aangaande zich zelf beleed, want dit voorstel beweegt zich niet in de richting van dat schoone aangegeven doel. Als ik dit zeg, dan bedoel ik daarmede niet de lichaamsoefening en sport zonder meer af te keuren. Integendeel, de sport is als zoodanig geworteld in ons organisch wezen. Zij is algemeen wenschelijk en wordt dan ook bij alle volkeren gevonden en misschien wel bij alle individuen, ook bij hen, die er geen goed woord voor over hebben. Te recht heeft ook de lichaamsoefening een functie in de opvoeding. De lichaamsoefening is dus op zich zelf een goed ding. Maar er zijn meer goede dingen, die, wanneer zij misbruikt worden, in een kwaad verkeeren. Daaronder behoort ook de wijze waarop heden ten dage de sport wordt beoefend. Voor duizenden is de sport een doel op zich zelf geworden. Zij wordt beoefend om zich zelf, is voor velen niet langer dienstbaar aan een ander, hooger doel. Zij is niet meer een middel tot bevordering van de lichamelijke ontwikkeling. Voor duizenden en duizenden is zij veel meer dan dat. De sport verkeerde in een sportmanie en alzoo veelal een nadeel voor de geestelijke ontwikkeling en misschien voor velen ook voor hun lichamelijke ontwikkeling. De hedendaagsche sport is minderwaardig in vergelijking met wat zij in oud-Hellas was. En deze Olympiaden zijn minderwaardig in vergelijking met de Grieksche van voorheen en kunnen de vergelijking daarmede niet doorstaan. In de Helleensche cultuur was de sport gewaardeerd als een factor, die nader bracht tot de verwerkelijking van het aesthetisch en daemonistisch cultuurideaal, dat de Grieken kenden. Ook de sport was hier middel tot wat zij noemden de kalokagathia, verwerkelijking van het Grieksche menschheidsideaal, waarin alle menschelijke gaven en krachten tot ontplooiing werden gebracht. Daarom werd zij opgenomen in het religieuze leven des volks. En juist om die zelfde redenen hebben, de oude Christenen geweigerd om deel te nemen aan deze spelen en velen hebben om die weigering de martelaarskroon ontvan­gen. Heeft niet Augustinus onder de opsomming der zelfde verkeerde verschijnselen, die heden ten dage met de sport gepaard gaan, deze aan een critiek onderworpen, zóó snijdend en striemend, dat met leedwezen vervuld wordt, wie opmerkt, hoe de ontkerstening van dit moderne leven zich bijzonder openbaart in een drift naar de sport, waarvoor duizenden alle ideëele genoegens verwaarloozen. De sport is op deze wijze een schadelijke factor voor de geestelijke vorming van velen.
Dit is merkwaardig uit het oogpunt der Christelijke waardeering van de sport. Zoodra als het Kruis over de volkeren heerschappij verkreeg, was het gedaan met de Olympische spelen. Theodosius de Groote schafte ze af in 394 en precies 1500 jaren later, in 1894, komen ze weder op in den vorm waarin wij ze kennen. Dit is niet toevallig. Als de ontkerstening ver genoeg is voortgeschreden, dan komt ook op een overschatting der sport, een sport, die haar doel voorbijstreeft. Het misbruik viert zijn triumfen. Deze spelen zijn niet wat zij waren bij de Grieken, natuurlijk niet. Maar zij zijn veel minder. Zij zijn weggenomen van onder het ideëele licht der Grieksche wereldbeschouwing. Daar waren zij instrument tot de ontplooiing van alle gaven en krachten, waardoor de mensch zich den toegang tot de bergtoppen des lichts meende te kunnen openen. Maar deze Olympiaden weten daar van niet. Zij zijn een herleving der classieke, doch zonder den ideëelen bodem, zonder den ideëelen achtergrond, waarop de oude Olympiaden hebben gebloeid. Deze sport is uit menig oogpunt slechts uiting van brute kracht, in het gunstigste geval een vermaak, maar een vermaak waar op Thackeray's qualificatie past: zij is vanity-fair, een kennis der ijdelheid. En wie niet blind is voor wat rondom hem geschiedt, weet dat de geestelijke vorming van dit geslacht er onder lijdt. Maar hoe is het dan mogelijk, dat een Regeering, die op den naam „Christelijk" prijs stelt, aan zulk een actie steun wil bieden met tien tonnen gouds in een tijd als deze, waarin zij zelfs voor het allernoodigste en allernuttigste geen geld heeft?
De Minister wijst in de Memorie van Antwoord op het groote internationale belang dezer zaak, op den roem aan zulk een sportfeest verbonden, op de verbroedering der volkeren en natuurlijk op de kunst. Alle deze schoone zaken hoop ik niet minder te waardeeren dan wie ook, maar het doet mij leed te moeten zeggen, dat mij al deze grootsche beschouwingen als een phraseologie in de ooren klinken. Zulke argumenten mogen van beteekenis zijn in de ooren dergenen, die zich verdringen om den sterken man toe te juichen, die daareven in het worstelperk zijn tegenstander een „knock out" toebracht, of misschien opgeld doen in de een of andere Kamer van Koophandel, die zegt, als het over de winst gaat: sst, men moet het ideëele op den voorgrond stellen, maar voor wie iets dieper ziet, hebben zulke argumenten absoluut geen kracht.
Van alle glorie der wereld geldt de oude spreuk: sic transit gloria mundi, maar van de glorie, die verworven wordt op het gebied der sport, geldt zij het allermeest. Zij is slechts schijn. Hierin kan de geschiedenis een rechtvaardig oordeel zijn ook over deze phrasen uit de Memorie van Antwoord en haar oordeel is rechtvaardig.
Er zijn in de Grieksche historie 293 Olympiaden gehouden. Telkenmale sneed een knaap met het gouden mes de twijgen van den heiligen olijfboom, waaruit de krans gevlochten werd voor den Overwinnaar. Zijn naam was op aller lippen. De menschen verdrongen zich om hem te zien. Maar wie kent nog hun namen? Welke namen bewaart de historie als een heiligen schat? De namen van allen, die aan de nageslachten blijvende goederen hebben bereid. Alle denkers en kunstenaars, allen, die groot waren door energie en een nieuwe toekomst ontsloten. Alle groote Hellenen spreken nog nadat zij gestorven zijn, maar de helden der Olympiaden zijn vergeten. Dat is de critiek der historie en ook over de phraseologie in de Memorie van Antwoord. De beteekenis van een volk, ook van ons volk, ligt niet op sportgebied, nu niet en nooit. De beteekenis van een volk ligt in zijn nationaal genie, waardoor het goederen der cultuur verwerven kan, waarvan de gansche menschheid geniet, in wat het geven kan aan de komende geslachten.
Ik hoorde straks met nadruk ons geacht medelid daar aan de overzijde, den heer Kleerekoper, spreken en hij deed mij onwillekeurig denken aan den tijd van de Makkabeën en de vraag bij mij opkomen, wie grooter verdienste hebben gehad in de menschelijke geschiedenis: de Hellenistische Joden, die in Jeruzalem het gymnasion hebben ingevoerd onder den tegenstand van Makkabé, of de Makkabeën, die met hun worsteling den eerbied van de gansche wereld hebben afgedwongen. De beteekenis van Israël voor de wereld is meer gemanifesteerd door het geslacht van Makkabé dan door de Hellenistische Joden, die een gymnasion in Jeruzalem stichtten. IJdel is alle manifestatie van brute kracht, alle heldhaftigheid op sportfeesten, omdat het niets voortbrengt, dat blijvende waarde heeft. En zoo wordt de internationale positie van Nederland niet gesterkt door deze Olympiade. De groote natiën trekken zich er niets van aan, of deze hier of elders plaats heeft. En het is ook niet juist, dat de verstandhouding der volken er door verbetert. De internationale wetenschappelijke congressen hebben in dat opzicht nimmer iets vermocht. De harmonie der natiën werd zelfs daardoor niet gehandhaafd. Natuurlijk niet, omdat deze relaties van gansch andere orde zijn, die niets hebben uit te staan met feestelijke stemmingen. De bedreigingen met nationale schande zijn dan ook zonder eenige kracht. Als zij waarheid bevatten, dan zou het de zedelijke plicht der Regeering geweest zijn geen enkele toezegging in die richting te doen, zonder daarover eerst de Volksvertegenwoordiging te raadplegen. Als deze dingen, waar mede in de Memorie van Antwoord gedreigd wordt, juist zijn, dan heeft de Regeering uiterst lichtvaardig de eer van ons volk in de waagschaal gesteld. Maar het is gelukkig niet zoo erg, als de Regeering in het uitzicht stelt. Zeker, zij heeft toezeggingen gedaan, maar ik zie niet in waarom zij die niet zou kunnen terugnemen. De Regeering heeft wel eens ernstiger toezeggingen teruggenomen. Waarom dan deze niet, die gedaan wordt in gansch andere omstandigheden. De groote massa van ons volk zal zich daarover niet beklagen. In elk geval, wij zullen ons niet laten verlokken tot een steunen van dit ontwerp. Zelfs het lokaas van de stopzetting der feesten op Zondag kan er ons niet toe brengen, omdat wij, op geen anderen dag der week mogen meewerken aan een subsidie, dat ten goede komt aan een beweging, die is opgekomen uit de ontkerstening der Westersche volken, uit ontaarding onzer cultuur. Wij kunnen aan dit voorstel onze stem niet geven.
Dus: 1°. niet, omdat het niet aangaat in dezen tijd, financieel zoo benard, dat de werkelijke cultuurtaak van den Staat óf niet voldoende óf slechts nauwelijks kan worden volbracht, een millioen uit te geven voor feesten;
2°. niet, omdat het niet behoort tot de roeping van den Staat;
3°. niet, omdat daardoor steun geboden wordt aan de ontkerstening, die ons volksleven bedreigt en de grondslagen van onze volkscultuur aantast;
4°. niet, omdat dit voorstel in strijd is met het apostolisch woord, dat van de lichamelijke oefening zegt: zij is tot weinig nut. De Regeering zegt tot veel, de Schrift zegt tot weinig. Wij houden het met de Schrift.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's