Uit het kerkelijk leven.
Het objevtieve bij de Ethischen - De veronderstelde wedergeboorte
Het objectieve bij de Ethischen.
Men kan er van zeggen, wat men wil, maar in den volksmond heet het telkens weer, dat ethische dominé's „lichte" domine's zijn; niet zoo „zwaar" als andere dominé's, als confessioneele of gereformeerde dominé's. En dat „licht" bestaat dat hierin, dat men het niet zoo „zwaar" neemt in onderscheidene dingen, die anderen nog al gewichtig en belangrijk achten. Hierin heeft de volksmond niet heelemaal ongelijk. Zoo noemt men de ethische dominé's „licht", omdat zij in het stuk van de H. Schrift niet zoo „zwaar" zijn als de gereformeerden. Want beschouwen deze laatsten den Bijbel als Gods Woord, de ethischen zeggen: in den Bijbel is Gods Woord en doen dan aan Schriftcritiek, om zelf uit te maken wat in den Bijbel Gods Woord is en wat in den Bijbel op zij gelegd kan worden als ballast of verouderd, ook wel gebrekkig menschenwerk. Dan zijn de ethische dominé's ook nog al „licht" ten opzichte van de belijdenis der Kerk. De belijdenisschriften beschouwen ze als gebrekkig menschenwerk en zij zeggen meer te hechten aan de inspraak van eigen hart. Daarom gaan ze nog al „vrij" met de belijdenis der Kerk om; en ze zetten niet zelden ook van den Catechismus heele stukken op zij „waarover ze niet meer preeken kunnen", zooals ds. James van Delfshaven onlangs schreef.
Dat „men" de ethische dominé's dus soms wat „licht" noemt, moet aan gereformeerde menschen niet zoo héél kwalijk geduid worden. Want bij het bovengenoemde komt b.v. ook. dat zij nog al gemakkelijk omspringen met het lezen van de Wet, met de Kerkliederen, met de dogma's of leerstellingen; waar bij de ethischen ook niet zoo veel geven om de Kerk, om de inrichting der Kerk, nog al „vrij" staande tegenover buitenkerkeliike richtingen en bewegingen; zich niet zelden oriënteerend naar links meer dan naar rechts.
Als prof. dr. G. van der Leeuw het 1ste boekje, dat als „Liturgisch Handboekje" door den Liturgischen kring is uitgegeven, inleidt, dan zegt hij: „wij leven in dezen tijd van vrijheidsbeperking, in onze vaderlandsche Kerk althans, nog in de meest volstrekte en vaderlandsche vrijheid. Wij hebben allen die vrijheid lief, die de toga, de gekleede jas, en zelfs het colbert evenzeer naast elkaar verdraagt, als de onvervalschte confessie, ketterijen van allerlei slag en zelfs volstrekte belijdenisloosheid. Er is iets gezonds in deze volslagen ongebondenheid". „Alles is beter dan dwang". „Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid" enz.
Ziet, dat prijzen van een vrijheid, die zich als volstrekte belijdenisloosheid openbaart; een vrijheid, waar de onvervalschte confessie naast ketterijen van allerlei slag wordt geduld — dat noemt men iets van „lichte" dominé's. Ook als ze dan er bij zeggen: „Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid". Dat is een „licht" gebruik maken van de Schrift!
Men moet het den menschen, met name den gereformeerden niet zoo kwalijk nemen, als ze de ethische dominé's met „lichte" dominé's aanduiden. En dat zit 'm dan niet in broek of jas, in baard of hoed; ook niet in gezangen, nieuwe-gezangen, of het gebruik van 't woord „Heer". Ja, in dat laatste óók wel. Want hierin gaan de ethischen wat „licht" om, met hetgeen van ouds onder ons is geworden; en het getuigt dikwijls niet van gezonde paedagogische begrippen, als men strak en wild niet zelden, het oude en goede, het statige en eerbiedige, wegrukt en er het korte, bijtende, irriteerende voor in de plaats geeft — wat dikwijls bij ethische voorlezers nog meer voorkomt dan bij ethische dominé's.
Onze gereformeerde menschen zijn doorgaans niet zoo gecharmeerd op de ethischen. Om de wille van die „lichte" dingen niet, inzake Bijbel, Confessie en Kerk. Maar ook niet om 't geen de ethischen verder nog hebben.
Wat dat is ?
Laten wij den ethischen dominé Beerens van Utrecht even roepen. Die zal het ons zeggen, wat de ethischen verder nog voor leelijks hebben kunnen. Hij zegt op blz. 7 van zijn brochure: „De Ethisdhen en de iKerk" — een brochure, die men lezen moet! — „ daarom kan een ethische nooit een enghartig partijman, een exclusief kerkelijk fanaticus zijn, die op 't standpunt staat: „Bij ons is de waarheid en bij de anderen de leugen". Hij mag zich niet blind staren op de voortreffelijkheden van eigen ridhting en zonder eenige waardeering spreken van de andere. Het is wel noodig (en dit bedoelen we, dat dr. Beerens het ons maar eens zeggen moet, daar hij het beter kan doen dan wij) dat dit eens nadrukkelijk wordt in herinnerinig gebracht. Menige ethische is niet vrij te pleiten van zelfgenoegzame hooghartigheid. Alsof hij het monopolie der waarheid alleen in bezit had. Dat is klein, enz." (De cursiveering is van ons. Red. Wh.vr.).
Men zal wel kunnen begrijpen nu, waarom de gereformeerfden in den regel niet zoo gecharmeerd zijn op „de ethischen". Omdat ze nog al „licht" omgaan met den Bijbel, met de Confessie, met de Kerk. Omdat ze niet altijd ook zijn vrij te pleiten van „zelfgenoegzame hoog hartigheid" (woorden van dr. Beerens). Waarbij dan verder nog komt wat dr. Beerens op blz. 15 zegt : „Velen meenen, dat ethiek zoo ongeveer 'hetzelfde is als moraal; dat een ethische prediking bij voorkeur gaat over „heiligmaking". Er zijn inderdaad ethische predikanten, die aan die meening voedsel hebben gegeven. De tweede tafel der wet stond bij hen te veel op den voorgrond en werd vaak los gemaakt van de eerste. Zóó ontaardde hun prediking in een geven van allerlei zedelijke wenken en voorschriften". Ziet, dat is ook een oorzaak, dat de gereformeerden de ethische dominé's wel eens lichte dominé's noemen: van die deugdpredikers, die allerlei mooie lesjes geven op den preekstoel, inplaats dat zij stevig en grondig het Woord Gods bedienen.
Verder zegt ds. Beerens op blz. 16: „Er wordt menigmaal geklaagd, dat de ethisdhen zoo zwevend, zoo vaag, zoo negatief zijn. Dat mag niet het geval zijn". Ja — dat is óók een oorzaak, dat „onze" menschen ethische dominé's wel eens „licht" noemen, „'t Onbegrensde wordt maar al te vaak het luchtledige, ijle" (blz. 8)g; dat hebben de ethische dominé's wel te bedenken! Ook ethische professoren als prof. v. d. Leeuw, die met welgevallen spreken van „volstrekte belijdenisloosheid" en zeggen: „Er is iets gezonds in deze volslagen ongebondenheid". „Zonder vrijheid is er weinig kans, dat de Geest des Heeren er ooit komen zal" zegt prof. Van der Leeuw verder! Dat is wat "licht" gesproken, vinden wij.
Wat wij nu evenwel in dit artikel wilden opmerken is dit: dat de ethischen gaan voelen, dat er bij het sterk individuëele of persoonlijke, waarbij ieder doet wat goed is in zijn oogen „een zekere inperking der vrijheid" noodig is (blz. 7, prof. Van der Leeuw). Vandaar het bevorderen onder de ethischen nu van "liturgie voor het Geestelijk en Gemeentelijk leven".
Het persoonlijke, inidividuëele, werd willekeur, onvastheid, dwaasheid. Ieder zegt maar wat hij wil. Ieder doet maar wat hij wil. Men begint den dienst, zooals men persoonlijk op een oogenblik de dingen „aanvoelt". Men bedient de sacramenten, zooals men op een oogenblik „gestemd" is. Men laat zingen; men laat opstaan; men laat lezen; men laat bidden; men laat het orgel spelen; men laat zangeressen galmen; men laat ja, wat doet men al niet, in ethische kringen? Alleen aan de bediening van Woord en Sacrament, zooals de Gereformeerde Kerk dat volgens haar confessie en formulieren wenscht, ontbreekt nog al eens wat; soms heel veel; soms veel te veel. En wat ziet men nu? In „Bergopwaarts" — toen dat nog bestond — klaagde een ethisch dominé, dat de ethischen veel te veel op „dogmatische" preeken hadden afgegeven, veel te veel de dogmatiek hadden geminacht en nu voor het feit stonden, dat alles veel te veel inhoudloos geworden was. De vastigheid der dingen had er onder geleden. En men zou goed doen zichzelf te herzien op dit punt! Dus eigenlijk dezelfde klacht als we zooeven hoorden uit den mond van ds. Beerens „dat de ethischen zoo zwevend, zoo vaag, zoo negatief zijn". „Onze" menschen zeggen: er zit geen ruggegraat in. Omdat men veelal de objectieve, vaste waarheid losgelaten heeft en omdat ieder is gaan liefhebberen, om er iets „eigens" van te maken, zooals men zelf de dingen zag en aanvoelde — wat ten slotte slapheid en hopelooze verwarring heeft gegeven. En nu voelt men weer, dat men iets „objectiefs" noodig heeft. En men vraagt er weer naar. Men grijpt er weer naar. Men zoekt er weer naar.
„Er heerscht wel nergens zulk een onaesthetische en onvrome anarchie als in onze Kerk. Elke predikant doet wat hem behaagt of invalt" klaagt zelfs een man als prof. Van der Leeuw (blz. 8). En nu komt er „een zeer-rechtmatig verlangen naar het onpersoonlijke en objectieve. Hier ligt het geestelijk beginsel van alle liturgie", (blz. 9). Wij verblijden ons in zooverre over dat liturgisch streven onder de ethischen, omdat daarin uitkomt dat het ethisch individualisme, waarbij iedere ethische dominé maar spreekt en handelt, zooals hij het op een oogenblik „aanvoelt", ons kerkelijk leven naar den afgrond voert. Gelukkig grijpt men weer terug naar „de oeroude liturgische formules"; waarbij men „van het eigene wil afzien" om „met de gansche christenheid zich in veelvuldige eenheid te weten". „In het oplevend verlangen naar liturgische vormen kan men zien een bescheiden symptoom van reactie op de opperheerschappij van het individualisme". De liturg wil „bescheiden terugtreden achter het monument, door de eeuwen gewijd" en hij wil de gemeente laten spreken in woorden „die natuurlijk ook beperkt zijn en onvolkomen, maar die reeds de uiting waren van talloos veler eindeloos genuanceerd geloofsleven en waarachter wij het warme hart der gemeente van Christus voelen kloppen". (blz. 15, prof. v. d. Leeuw). Gelukkig! zeggen we, dat men blijkbaar genoeg krijigt van „de opperheerschappij van het individualisme"! Dikwijls tyrannie en vandalisme! Ja, met dat „individualisme" hebben de ethischen veel kwaad gedaan; veel verwarring gesticht; veel in de wereld gebracht wat „persoonlijk" 'heette, maar bij lange na niet kon halen, bij hetgeen de Heere ons in Zijn Woord en in den loop der tijden in de belijdenis van Zijn Kerk in dezen lande heeft geopenbaard en toebetrouwd! Gelukkig, dat men weer vraagt naar het objectieve, naar het oude, naar hetgeen de eeuwen door bij de ware Kerk des Heeren lief is geweest; naar de oer-stukken.
Alleen — waarom grijpt men nu terug naar oude liturgische formulieren, gebeden, vormen — en waarom wordt er niet een kloek getuigenis gehoord: wij, ethischen, hebben met het verwerpen van het objectieve Woord des Heeren en het daarvoor in de plaats schuiven van ons persoonlijk „aanvoelen" en „waardeeren" van de waarheid, zoo ontzaglijk veel kwaad gedaan? Men heeft ten opzichte van Gods Woord gedaan, „een ieder doende wat goed was in eigen oogen", al sprak men van "het geloof der gemeente". Heerlijk, dat men vraagt naar liturgische vormen, als reactie op "de opperheerschappij van het individualisme". 't Ging ook al te ver. 'Dikwijls ook al te dwaas. De vrijheid was soms bandeloosheid en de individualiteit van menigeen was niet bewonderenswaardig. Maar nu moet men verder. Nu moet men achter de liturgische formulieren grijpen naar het Woord des Heeren, naar den Bijbel. „Tot de Wet en tot de Getuigenis" zegt de Heere „als ze niet spreken naar Mijn Woord, zullen ze geen dageraad hebben". (Jes. 8 : 20).
Ds. Snethlage zegt in no. Ill van de Liturgische Handboekjes, dat handelt over „Begrafenisdienst": „De Dienaar zij ambtsdrager, in den besten zin van het Woord. Hij spreke niet zijn eigen woord, maar dat van God en de Gemeente". „Liturgie geeft een achtergrond, liturgie geeft een gewijde schaduw". Wij zouden zeggen: laat Gods Woord de achtergrond, de schaduw zijn. Kom met Gods Woord en het zal goed zijn.
Wij zeggen niet, dat de ethischen niet uit Gods Woord willen lezen en spreken en dat zij er niet naar willen luisteren. Maar men neemt onder de ethischen den Bijbel veel te veel als „eens menschen woord" en veel te weinig als Gods Woord". (Jer. 8:9).
Als we b.v. bij ds. Beerens op blz. 8 het volgende lezen, voelen we, dat de ethischen zoo heel anders staan tegenover den Bijbel als de gereformeerden. Daar zegt hij immers: „Wij, beperkte menschen, die leven in een wereld van betrekkelijkheid, hebben noodig dat het geestelijke telkens voor ons begrensd wordt in een stoffelijken vorm. Zulk een vorm is de Bijbed, de Confessie, maar ook de Hervormde en de Gereformeerde Kerk. Zij alle zi|n menschelijke, d.w.z gebrekkige, onvolkomen middelen, waar door God Zijn geestelijke schatten aan een arme menschenwereld wil meedeelen. Daarom gelooft geen ethische aan het bestaan van een ware, zuivere Kerk, die bewaarster zou zijn van de volle, goddelijke waarheid. Hij zal er dan ook nooit toe komen om een zichtbare Kerk, de Hervormde, Gereformeerde, of welke ook, te gaan vereenzelvigen met het lichaam van Christus, evenmin als hij den empirischen Bijbel gaat indentificeeren met het geestelijk begrip „Gods Woord". In deze zinsnede staan zeker veel waarheden, waarmee we ons voordeel kunnen doen. Maar de ethische komt op deze wijze zoo „vrij" te staan tegenover den Bijbel, dat het gereformeerde en het ethische in deze ver uit elkaar loopen. Want de gereformeerde belijdt van ouds met onze Ned. Gel. belijdenis: „Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt; maar inzonderheid omdat ons de H. Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; en dewijl zij ook het bewijs van dien bij zichzelven hebben: gemerkt de blinden zelven tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden". Dat is het persoonlijke, het individuëele, het geestelijke, het ware — met het objectieve, het vaste, het eeuwige, onwankelbare Woord des Heeren; zooals Geest en Woord, Woord en Geest altijd samen werken.
De greep naar het objectieve, naar 't Woord Gods, naar den Bijbel, dat hebben de ethischen noodig. Het Woord vraagt om de heerschappij; dat „oeroude" Woord, dat niet veroudert.
't Gereformeerd Protestantisme heeft van ouds wel goed begrepen, dat gezag en vrijheid, het gezag Gods en de vrijheid van den christenmensch, alleen maar samen kunnen gaan, wanneer de basis voor de geloofsleer in de Heilige Schrift, die eeuwig zeker is, kwam te liggen en niet het fundament werd gezocht in het „inwendig licht" of „de geloofservaring dés christens" of „het geloof der gemeente". Toen er nog geen „ethischen" waren schermde men al met het persoonlijke, met het eigene van den christenmensch, daarbij wegschuivend de objectieve waarheid van Gods Woord. Maar daarom heeft het Gereformeerd Protestantisme èn tegenover Rome, die de Kerk en de traditie boven de Heilige Schrift stelde èn tegenover de Wederdoopers, die 't inwendig licht van de geloofservaring boven den Bijbel roemden, kloek positie genomen, van stonde af aan belijdend, dat alléén uit de Heilige Schrift, onder leiding des Heiligen Geestes, de christelijke waarheid kan worden gekend. De Heilige Geest getuigt niet van Zichzelven, maar verzegelt, dat Gods Woord, de Heilige Schrift, waarachtig is. Waarom gaat het in Gods Kerk altijd weer om Gods Woord gaat, óók ter beproeving van de geesten, of ze wel uit God zijn.
De openbaring Gods bestaat voor de Gereformeerde Kerk in den vorm der H. Schrift. Door de Heilige Schrift draagt God Zijn openbaring de wereld in. Door de Heilige Schrift heeft Hij gerealiseerd wat Hij wilde openbaren in het leven en in de gedachten der menschheid. En Cadvijn zegt dan ook: „Niemand kan zelfs den geringsten smaak der rechte en gezonde leer bekomen zonder te luisteren naar Gods Woord. Door eerbiedig te omhelzen wat God in Zijn Woord van Zichzelven getuigt komen wij tot de ware kennis". (Inst. VI § 2). De Heilige Geest heeft dat Woord tot stand gebracht. 2 Petr. 1: 21: „Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken". 2 Tim. 3 : 16 : „Al de Schrift is van God ingegeven". Uit den mond des HEEREN is dat Woord uitgegaan (Ex. 17: 14; Num. 33: 2a; Amos 3:7; Jes. 30: 8; Hab. 2: 2, enz.) om te zijn het blijvend rapport tusschen hemel en aarde, tusschen God en Zijn kinderen. En de H. Geest gebruikt dat Woord om Christus' Kerk te vergaderen, te leeren, te waarschuwen, te troosten.
Zoals de Heilige Schrift is, zóó wil God spreken tot Zijn Kerk en tot de wereld; zóó hebben ook ervaren al Gods kinderen, ieder persoonlijk en tezamen. Terwijl in de afwijking van Gods Woord altijd verwarring, verslapping, achteruitgang ligt. Jer. 8:9 : „De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; zie, zij hebben des HEEREN Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?" (Ps. 119: 105, Gal. 6:16, Jes. 8: 20, Joh. 10: 34b). De Heilige Schrift dient zichzelf altijd aan als zijnde Gods Woord. En Christus heeft Zijn gangen gericht nooit anders dan in den weg der Schriften. Zóó is Hij geboren, zoó heeft Hij geleefd, zoó heeft Hij geleden, zoó is Hij opgestaan, alles „naar de Schriften". Gelijk Hij ook bij „de Schriften" leefde, opdat wij naar al de Schriften zouden wandelen.
De Christelijke Kerk is onder het gezag der Heilige Schrift geboren en opgegroeid; en zóó ver is het er vandaan dat de christen allengs boven dit gezag zou uitgroeien, dat hij juist hoe langer hoe meer gaat belijden, dat, met verloochening van eigen wijsheid God geloofd moet worden op Zijn Woord! Jes. 8 vs. 20: „Tot de wet en tot de getuigenis! Zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben".
Daarom nu zouden wij zoo gaarne willen, dat onder de ethischen, die gaan reageeren tegen „de opperheerschappij van het individualisme", omdat het toch al te dwaas is, wanneer ieder maar doet wat goed is in zijn oogen — en die nu gaan teruggrijpen naar de oude, gewijde, gemeenschaps-formules der aloude, klassieke liturgie, dat zij nog een stapje vérder gingen, om n.l. terug te gaan tot de objectieve waanheid, tot Gods Woord, tot den Bijbel, waarbij de Christelijke Kerk is geboren en opgegroeid. Kunnen we ons samen niet vastklemmen aan dat Woord? Om met de Confessie te zeggen: „ ten tweede geeft God Zichzelven nog klaarder en volkomener aan ons te kennen door Zijn Heilig en Goddelijk Woord, te weten : zoo veel als ons van noode is in dit leven tot Zijn eer en de zaligheid der Zijnen". (Art. 2 Ned. Gl. bel.). Met dat Woord des Heeren kunnen we het wel wagen, ook in 1925. Ook nu geldt nog, wat art. 7 Ned. Gd. bel. zegt, uit naam van alle Gereformeerden, neen als getuigenis der Geref. Kerk: „Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomen bevat én dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt".
Indien we het hierin ééns konden worden — niet, dat A. moet gelooven wat B. gelooft, alsof een mensch of eens menschen woord met autoriteit zou zijn bekleed! — maar dat Gods Woord, de Bijbel, voor ons saam de norm, de wet en de regel is voor leer en leven, welk Woord de Heilige Geest wil heiligen aan de harten der geloovigen, dan zouden we saam een objectieven, oer-ouden grond voor ons geloof krijgen; ook een objectieven, oer-ouden, God-gewijden regel voor leer en leven; ook een regel en maatstaf voor ons kerkelijk leven; en we zouden saam dan beter ook kunnen spreken, ja, óók over regeneratie of herboren worden ten opzichte van de Kerk, maar toch ook van een schriftuurlijke organisatie, wat ten opzichte van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk tot zegen kon worden, als alle Christus-belijders meer elkander in den weg der Schriftuur mochten vinden.
Wie, wie zal dan over ons heerschen, in deze bange tijden, waarin zooveel staat te gebeuren; waarin ook de Kerk des Heeren een zoo hooge, heerlijke, heilige taak en roepinig heeft; waarin ook voor ons volksleven van de Kerk der Vaderen zoo'n grooten zegen kon uitgaan? Wie, wie zal over ons heerschen? Partijschap? Richting-strijd? Het woord van deze of het woord van die? Mocht het voor ons allen meer en meer, zijn en worden: het Woord onzes Gods! Ps. 19: 8b: „De getuigenis des HEEREN is gewis, den eenvoudige wijsheid gevend". Komt, laten we het eens wagen met Gods Woord; laten we saam eens wandelen in den Schriftuurlijken weg !
De veronderstelde wedergeboorte
Daar wordt in den kring van „de Geref. Kerken" nog al eens over gesproken. En omdat het daar „een kwestie" is, hoort men er ook onder ons nog al eens over praten. Meestal om aan „de Geref. Kerken" een verwijt te maken. Uit „de Wachter", weeklblad tot steun van de Theologische School te Kampen, knippen we dit stukje uit:
„Er was in een vroegere periode van ons kerkelijk leven over deze zaak veel te doen. Dr. Kuyper stond n.l. de meening voor, dat de kinderen der gemeente den Heiligen Doop ontvingen óp grond van de veronderstelling dat zij reeds het leven der wedergeboorte bezaten. En door den Doop werd het geloofsvermogen dat in de wedergeboorte gegeven was, versterkt. Daarover is heel wat geschreven en gewreven. Verschillende broederen spraken hun instemming met of veroordeding van dit gevoelen uit. Om kort te gaan, de Synode van Utrecht 1905 heeft aan de leergeschillen een einde gemaakt, en heeft vastgesteld, dat het minder juist is te zeggen dat de Doop werd toegediend op grond van de veronderstelde wedergeboorte, maar dat de grond voor den Doop was het Verbond Gods met de daarin gegeven beloften".
Als dit juist is, wat „de Wachter" zegt - en waarom zouden wij er aan twijfelen? -dan kunnen we ons er mee vereenigen, met hetgeen in „de Geref. Kerken" inzake den H. Doop geleerd wordt. Want dan is het overeenkomstig de oude Gereformeerde leer, zooals die ook in 't Doopformulier tot uiting komt. Daar lezen we immers: „Want als wij gedoopt worden in de naam des Vaders, zo verzegelt ons God de Vader dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, enz."
Verder wordt herinnerd aan het verbond, met Abraham opgericht (Gen. 17) en gezegd: Daarom heeft hen God voormaals bevolen te besnijden, hetwelk een zegel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs was". Terwijl dan volgt: „Dewijl dan nu de Doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, zoo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het rijk van God en van Zijn verbond doopen, enz. Hier komt de leer des Verbonds dus wel duidelijk uit en blijkt het wel, dat onze gedoopte kinderen kinderen des Verbonds zijn.
Leeft dat wel genoegzaam in onze Gereformeerde kringen. Dat zal noodig zijn. Want er staat immers: „en de ouders zullen gehouden zijn hunne kinderen, in het opwassen hiervan breeder te onderwijzen"!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's