De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

De uitstorting des Heiligen Geestes

10 minuten leestijd

„En als de dag van het pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtiglijk bijeen. En er geschiedde uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest". Handelingen 2 vers 1—4a.

De uitstorting des Heiligen Geestes.
De discipelen van den Heere Jezus in ruimeren zin, Zijn volgelingen waren op Zijn bevel te Jeruzalem gebleven om den Heiligen Geest te ontvangen. En nu waren zij vergaderd in een van de groote zalen, die gebouwd waren rondom den voorhof van den tempel, om het Pinksterfeest te vieren. Maar niet alleen om het Pinksterfeest te vieren. Er staat zoo eigenaardig: „als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd". Dat wijst er op, dat gewacht werd op het Pinksterfeest. En als nu de tijd, die hen nog scheidde van het Pinksterfeest zijn voltooiing genaderd was, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. In de vervulling van dien tijd zagen zij ook de vervulling van hun wensch naderbij komen, overeenkomstig de belofte van den Heere, dat zij met den Heiligen Geest zouden gedoopt worden, niet lang na de dagen, waarin hij nog tot hen sprak. Een wachten op het heil des Heeren zien wij dus bij de discipelen, en wel bij alle discipelen. Zij waren allen eendrachtelijk bijeen. Eendrachtelijk, het wachten was bij allen op hetzelfde doel gericht, en daartoe waren zij tezamen gekomen. En ziet, toen liet God zich ook niet onbetuigd.
Met Pinksteren vieren wij ook Pinksterfeest. Dan vergadert ook een groote menigte zich in het huis des Heeren. Maar als die dag dan aangebroken is, verheugen wij ons dan ook in de vervulling van iets waarop wij reeds lang hadden gewacht? Gaan wij dan op naar des Heeren huis om den Heere met Zijn Geest in ons hart te laten wonen, waar de belofte toch ook ons toekomt?
In onzen tijd wordt zoo weinig bemerkt van de werking des Heiligen Geestes. Maar zou dat hiermee niet in verband staan, dat er géén eendrachtig vragen is naar dien Geest. Wij vinden niet meer dat pleiten op de beloften Gods van een gansche gemeente tezamen. Het zijn tegenwoordig enkelingen, los van elkaar staande personen, die ieder op zichzelf gebracht worden tot die genade Gods, maar de gemeente toont niet meer het beeld van de eerste Christengemeente, waar eenzelfde verlangen allen dreef. En zoo gelooven wij ook niet meer, dat die God, die er op den Pinksterdag drie duizend toebracht, ook nu nog een gansche vergadering met Zijn Geest zon kunnen vervullen. Dat lijkt ons te groot of te wonderlijk. Alsof er bij den Heere iets onmogelijk zou zijn!
Laten wij daarom toch ook in dezen eens niet langer aan onze eigene redeneeringen vasthouden, maar ons door de Schrift laten onderwijzen op welke wijze de Heere Zijn Heiligen Geest uitstort. Het Pinksterwonder kan ons dat leeren, als we namelijk letten op hetgeen dat ons wil zeggen. Zoo veel menschen toch gaan bij het Pinksterwonder juist stilstaan bij de zaken, die voor hen persoonlijk niet van belang zijn. De aandacht wordt dan gericht op het groote voorrecht dat de discipelen ontvingen, om getuige te zijn van zulke groote teekenen. Maar dat was voor hen niet het belangrijkste. Het belangrijkste voor hen was, dat zij vervuld werden met den Heiligen Geest.
Wij vinden onder de menschen veel een overschatten van uitwendige teekenen. Ze moeten echter op de juiste waarde geschat worden. En daarvoor is het bij het Pinksterverhaal noodig dat we inzien, dat de teekenen op den Pinksterdag maar eenmaal geschied zijn en niet meer herhaald worden. Wij behoeven dus niet te wachten op zulke teekenen, want die behoorden bij de eerste uitstorting van den Heiligen Geest en hebben als zoodanig beteekenis voor de discipelen, die ze ervoeren en voor ons, die er van hooren spreken. Het is namelijk voor den geloovige noodig dat hij een duidelijke aanwijzing van 's Heerenwege heeft hoe het staat met de zaken, die den grond van zijn geloof vormen. Daarom heeft God ons Zijn Heilig Woord geschonken, opdat we daaruit den weg ter zaligheid zouden kennen. Maar de mannen, die de Heere gebruikte als middelen om dat Woord op te teekenen, werden rechtstreeks van God geleerd. Veelszins heeft de Heere dat gedaan door een inwendig getuigenis. Maar hier, waar het ging om een van de grondzuilen van het leven van Gods kinderen, heeft de Heere de zwakke menschelijke natuur der discipelen ook te hulp willen komen met uitwendige teekenen. Want, het was noodig dat zij, en na hen ook wij ten aanzien van de uitstorting des Heiligen Geestes wèl onderwezen waren. Zoo kon deze leer met gewisse overtuiging en op ondubbelzinnige wijze in de wereld uitgedragen worden. Dat moeten wij dus bedenken als wij lezen: „En er geschiedde haastelijk een geluid, gelijk als van een geweldigen gedrevenen wind en vervulde het geheele huis, waar zij zaten".
Een der teekenen waaronder de Heilige Geest kwam, was het geluid van een stormwind. De stormwind zelf werd niet gevoeld, alleen het rumoer werd gehoord. Dat wijst ons op het verborgen karakter van de werking des Heiligen Geestes. Alleen Zijn geluid wordt gehoord, maar van het overige van Zijn werking wordt niets waargenomen. Maar dat geluid alleen al doet bemerken dat de Heilige Geest zich als de machtige en geweldige aandient, voor wien geen hinderpalen bestaan. Dat is een troostrijke gedachte voor wie iets kent van de zondeslavernij, waarin we van nature allen geboeid liggen. Voor zoo iemand lijkt het een onmogelijkheid om zalig te worden, want hij kan niet eens voor zijn Heiland kiezen. Maar nu is de Heilige Geest de machtige en niets kan dien Geest verhinderen om den armen, verloren zondaar met zijn Zaligmaker te vereenigen. Door de discipelen werden ook gezien „verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen". Tongen als van vuur verdeelden zich over al de aanwezigen. Daaruit zien wij dat de Heilige Geest geen van die allen buitensloot, maar dat Hij hen hoofd voor hoofd kwam vervullen.
Wij zijn geen hartenkenners. Wij kunnen niet zien in wien de Geest Gods woont. En dat doet ons dikwijls veronderstellen, dat Hij in zeer weinigen woont. En hoewel wij er niets van weten, moet die veronderstelling al dikwijls ons geweten tot rust brengen, als wij erkennen moeten dat de Geest Gods in ons ook niet woont. Maar dat de Pinksterdag met zijn verdeelde tongen als van vuur op al de aanwezigen ons die Valsche gerustheid dan maar eens ontnemen. Daar werden allen door Gods Geest bezield.
En hoe staat het dan met ons? Is door onze ziel die Geest nog niet gegaan met zijn louterende werking, die aangeduid wordt door dat teeken van het vuur? Is ons hart door den Heiligen Geest al gereinigd en geheiligd? Dat is een vraag, die terneder werpt een ieder die iets van zijn zonden heeft leeren kennen. En hoe dieper hij graaft, hoe meer gruwelen hij zal vinden. Kan er dan in zijn hart plaats zijn voor den Heiligen Geest? Oppervlakkig zouden wij zeggen: neen. Maar Gods Woord zegt ons: „Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten". De Heilige Geest met zijn louterende werking vindt zijn arbeidsveld juist in de harten van de zondaars, die, hun zonde ziende, naar verlossing smachten. En laat het zulken tot troost zijn, dat het louterende vuur des Geestes op al de aanwezigen zat en dat ze allen vervuld werden met den Heiligen Geest. Het ging niet om enkele heiligen onder de discipelen, maar om de heiliging van allen, als zondaars. Zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Daar kwam het voor de discipelen ten slotte op aan. Daarin werden de teekenen aan hen bewaarheid. En nu zijn die teekenen voor ons niet weggelegd, maar van hetgeen ze aanduidden, hebben ook wij de belofte ontvangen.  Maar zijn wij dan ook al reeds vervuld met den Heihgeni Geest? Verstaan wij wel de beteekenis daarvan? Wat is de beteekenis van den Pinksterdag? Velen zal het misschien niet eens duidelijk zijn, dat Pinksteren iets nieuws bracht., Ook voor dien Pinksterdag was er toch sprake van den Heiligen Geest.
Van Johannes den Dooper werd het reeds vóór zijn geboorte gezegd, dat hij met den Heiligen Geest vervuld zou worden. Ook in het Oude Testament vinden wij menschen die door den Geest Gods bezield waren. Zelfs van een goddeloos man als Bileam lezen wij dat de Geest des Heeren op hem kwam, zoodat hij profeteerde. Maar vooral uit dat laatste zien wij dat de Geest des Heeren op velerlei wijze werkt. Bileam ontving door den Geest des Heeren een bijzondere gave, maar zijn hart werd niet geheiligd. De Geest Gods betoonde zich in hem nie als H. Geest die ook heiligt den persoon, waarin Hij intrek komt nemen. Bij Bileam hebben we alleen te doen met een inwerking, niet met een inwoning des Geestes. En zoo staat het feitelijk met alle personen, die den H. Geest ontvingen voordat Jezus ten hemel was gevaren. De Geest werkte in hen. Maar na Jezus' hemelvaart komt er sprake van een inwonen in een geheel anderen zin. De Heilige Geest openbaart zich dan ook op andere wijze. In het Evangelie naar Johannes kunnen wij lezen: „En dit zeide Hij van den Heiligen Geest, welken ontvangen zouden, die in Hem gelooven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was".
„De Heilige Geest was nog niet". Dat kan niet beteekenen, dat de Heilige Geest nog niet bestond. De Heilige Geest openbaarde zich nog niet op die wijze, zooals Hij een Heilige Geest zou zijn in de gemeente van Christus na diens heengaan. De Heilige Geest schonk ook vroeger vele gaven en werkte vele krachten, maar na Jezus' verheerlijking komt Hij inwonen in de leden van het lichaam van Christus, om zoo een onverbreekbaren band te leggen tusschen Christus en Zijn gemeente. Op den Pinksterdag is de Heilige Geest eerst ten volle geworden de Geest van Christus. Van te voren kon Hij wel heenwijzen naar Christus, maar nu brengt Christus door dien Geest de gemeenschap tusschen Zich en Zijn volk tot stand. En dat is dan de Geest, die bij hen blijven zal. Er is nu niet meer sprake van een tijdelijke inwerking, maar van een voortdurende inwoning. De apostel zegt later: „Gijlieden zijt tempelen des Heiligen Geestes". Het is dus een beteekenisvol woord, dat: „En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest". Maar we moeten er goed op letten, dat de Geest op den Pinksterdag niet zoozeer de Geest is, die ontdekt aan zonden en den mensch in de schuld brengt. Dat doet wel dezelfde Geest, maar eerst als het zondebesef levend is en het Evangelie der genade in Christus dan vernomen wordt, dan komt de Heilige Geest om blijvend woning te maken en blijvend het gemeenschapsleven met Christus te schenken.
De Geest der ontdekking geeft nog geen troost, maar de Geest, die tot het eigendom van Christus maakt, die geeft een troost voor leven en sterven. Daarom kunnen we ook den verharden zondaar op Pinksteren nog wel toeroepen: „Laat u toch eens leiden door Gods Geest". Maar dat zal dan toch voornamelijk zien op de inwerking van het oogenblik.
De Pinksterbelofte in haar eigenlijken aard en de Pinksterzegen is voor hen, die op het heil in Christus zijn hopende, wier hart reeds het leven niet meer kan vinden in deze wereld. En die zullen op hun gebed ook een Pinksterzegen mogen smaken.
Dat wij dan biddende Pinksteren tegengaan en den Heere vragen of Hij met Zijn Geest ons altijd wil vertroosten, ons altijd wil regeeren, opdat ons gansche leven zij een leven naar den Geest van Christus.
— Amen. —
M.                                                                                                                             B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's