Uit het kerkelijk leven.
Gemeenschappelijke Godsdienstoefening.
Telkens wordt weer gevraagd, of het toch niet beter zou zijn, als voor de verschillende groepen in de gemeente een speciale godsdienstoefening werd ingesteld? Men is begonnen met de kinderkerk. En nu dringt zich het vraagstuk van "jeugddiensten" naar voren. Voor kinderkerk pleitte: dat er geen plaats was in de kerk voor al die kinderen. Waarbij verder kwam: dat de kinderen, volgens het oordeel van velen, niets van de gewone preek begrijpen en dus aan een gewone godsdienstoefening niets hebben. Die twee overwegingen: „geen plaats" en dat „niet begrijpen" — deden besluiten hier en elders z.g.n. kinderkerken te houden, waar door een godsdienstonderwijzer of dominé voor kinderen gepreekt werd b.v. Zondagsmorgens van 10—11 uur. Met het geven van belooningskaartjes en briefjes voor de Kerstfeestviering werd het bezoeken van de kinderkerk dan aangemoedigd, zoodat er soms honderden kinderen die diensten bijwoonden.
Heeft men daarmee het rechte middel gevonden ? Wij meenen van niet. Want ja, laat het waar zijn, dat het soms moeilijk is voor al de kinderen een plaats te vinden in de kerk — toch is er, met goeden wil, hier veel te bereiken, als men er op rekent dat de gezinnen een plaats moeten hebben. Niet 10 of 100 menschen gaan naar de kerk en moeten een plaats hebben. Neen! de gezinnen, die in de gemeente zijn, moeten kerkwaarts en moeten dan ook als vader, moeder en kinderen een plaats kunnen krijgen in de kerk. Gezin voor gezin. Natuurlijk geeft dat moeilijkheden bij de verdeeling der zitplaatsen in de kerk; maar de moeilijkheden zijn er om ze te overwinnen. Ook wat de zitplaatsen in de kerkgebouwen betreft. En dan: het niet alles begrijpen van de preek. Zeker, dat is óók waar. De kinderen kunnen niet alles zoo maar volgen en verstaan. Dat zal wel hier en daar een ietwat woeligen geest geven onder de kleinen. Maar laat men ook dat niet overdrijven. Gaat het in het huisgezin ook niet zoo, dat de kleinen niet alles kunnen begrijpen van de grooten, maar is toch het samen zitten, samen eten, samen lezen en samen zingen van grooten en kleinen niet het aangenaamste van den dag? Daarom gelooven wij, dat men het sterk overdrijft, als men zegt, dat de kinderen niet met de ouders naar de kerk kunnen gaan. Met de plaatsen moet een regeling getroffen worden. En wat het „niet begrijpen" aangaat, daarbij moet men niet uit het oog verliezen dat het er toch voor onze kinderen niet alléén en ook zelfs niet allereerst om gaat om in de kerk „alles van de preek te begrijpen". Er zijn voor onze kinderen nog andere dingen, dan het begrijpen van een preek. Het samen zitten in Gods huis, het samen zingen en samen bidden, het samen in den Bijbel lezen en uit den Bijbel hooren spreken — dat zijn dingen die indruk maken; die we later nooit vergeten; waarvan we later — ook al hebben we de preeken als kind dikwijls niet begrepen — niet zelden een zegen van genieten. Terwijl daarentegen het rumoerige, onstichtelijke van een kinderkerk dikwijls weinig geschikt is, ook al wordt er dan z.g.n. voor kinderen gepreekt, om een zegen te verspreiden en achter te laten. 't Zal nog de vraag zijn, waar onze kinderen meer zegen ontvangen, in de gewone godsdienstoefening of in de kinderkerk! Immers moeten we ook niet vergeten, dat onze kinderen dikwijls nog meer van de dingen begrijpen en meedragen, dan wij soms denken. Men heeft van liberalen kant altijd gezegd, dat kinderen niet in conditie waren om met den godsdienst in aanraking te worden gebracht; daarom geen Scholen met den Bijbel. Later, als ze volwassen zijn, dan moeten ze zelf maar kiezen! Niets, niets meegeven aan het kind en dan later maar laten kiezen — zonder voorbereiding! Wat dwaas toch. Maar bovendien: het is heelemaal niet waar, dat kinderen niet in conditie zijn om met de dingen van den godsdienst in aanraking te worden gebracht tot hun stichting en tot zegen. Eer is 't tegendeel waar. En tegenover al de praatjes van de liberalen, die het zonder godsdienst willen met de kinderen, zeggen wij met Gods Woord, dat onze kinderen moeten worden onderwezen en opgevoed naar den eisch van hun weg in de vreeze en de vermaning des Heeren, naar Zijn Woord. Daarom zeggen wij ook, dat onze kinderen met ons mee behooren te gaan naar de kerk!
Het verheugt ons daarom, dat ds. H. S. Bouma, Geref. predikant van Leeuwarden, het aangedurfd heeft om deze kwestie eens grondig te behandelen op de Geref. Predikantenvergadering. Daar heeft hij gezegd en aangetoond, dat, om allerlei principiëele en practische redenen de kinderen niet in eene kinderkerk, maar in de gewone godsdienstoefening der gemeente hooren. Niet ergens in een hoek of op een achterste bank, waar de dominé ze vaak allerlei spelletjes ziet doen, maar naast vader en moeder in de familiebank. En dan moet dominé in zijn preek wat meer kinderlijken eenvoud leggen, waardoor de arbeid in de studeerkamer allicht wat moeilijker zal worden. En heel de gemeente mag zich wel toeleggen op wat meer eerbied in de kerk. En als dan vader en moeder na de preek in huis nog eens spreken met de kinderen, over de preek, niet op langdradige en duistere, maar op eenvoudige en voor de kinderen bevattelijke wijze, dan zal het ook blijken dat de kinderen ook wel wat gehad hebben aan de preek. Nooit mag men vergeten dat de kinderen behooren bij de gemeente, en ook moeten komen onder den indruk van de majesteit des Woords, dat in 's Heeren Naam tot de gemeente komt. Wat ons bij deze dingen ons nog meer verblijdt dan het woord, door den Geref. predicant van Leeuwarden gesproken, is hetgeen de „Nieuwe Rott. Courant" naar aanleiding van deze gereformeerde beschouwing ten beste geeft. Want daar lezen we nadrukkelijk, dat het „niet begrijpen van alle dingen in de preek niet het motief mag zijn om de kinderen uit de kerk te houden".
De N.R. Cour. schrijft immers:
„Wie 't referaat van ds. Bouma heeft gelezen, zal tot de overtuiging zijn gekomen, dat, afgezien van de leerstellige grondslagen, er toch meer voor het Gereformeerde standpunt is te zeggen dan men menigmaal meent. Het is uiterst gemakkelijk, de aanwezigheid van kinderen in de kerk belachelijk te maken en zeer zeker is er uit aesthetische redenen veel aan te voeren tegen hetgeen inmiddels toch ook zelfs modernen in de doopdiensten aanvaarden. Maar omgekeerd is het evenmin moeilijk, de moderne zucht tot specializeeren aan de kaak te stellen. Moet men, om een godsdienstoefening bij te wonen, de preek kunnen begrijpen? Terecht heeft ds. Bouma opgemerkt, dat men in dat geval ook vele volwassenen zou moeten buitensluiten. Inderdaad is het de groote moeilijkheid voor den predikant in een steeds scherper gedifferentieerde wereld al zijn hoorders onder één hoedje te vangen. Groot is de verleiding, bijzondere diensten in te stellen voor bepaalde groepen, maar wanneer men eenmaal dezen weg inslaat, waar blijft men? De predikant zal er naar hebben te streven, zoo te spreken, dat hij voor allen alles kan zijn. Onmogelijk is het geenszins zich te richten naar een samengesteld gehoor, dat ondanks zijn veelsoortigheid toch de elementaire algemeen menschelijke behoeften en gevoelens gemeen heeft. Laat men het gemeenschaps-ideaal schieten, dan geeft men iets zeer bizonders prijs. Want niet alleen in de godsdienstoefening openbaart zich het verschil in bevattingsvermogen en levenshouding. Wie zijn preekdiensten specializeert, zal ook de overige instellingen in de gemeente specializeeren. Het niet begrijpen van de preek kan geen beweegreden zijn om de kinderen buiten de gemeenschappelijke godsdienstoefening te sluiten. Er zijn noodwendigerwijs in elke godsdienstoefening een vrij groot aantal toehoorders, die de preek niet begrijpen. De zonderlingste misvattingen komen Zondag aanZondag voor. Was de preek het eenige, dan zou een gemeenschappelijke godsdienstoefening een onmogelijkheid zijn. Het is, gelijk ds. Bouma gezegd heeft, meer het ontvangen van sterke indrukken dan 't volgen van een logisch betoog, dat de beteekenis van een godsdienstoefening uitmaakt. Nu is de vraag, of voor het kind er sterker indrukken uitgaan van de kinderkerk dan van de gemeenschappelijke godsdienstoefening. Menige biografie toont aan, dat het religieus besef is gewekt en onderhouden door den gezamenlijken kerkgang met de ouders, ook al begreep men niets van de preek. Een der ambtgenooten van ds. Bouma herinnerde bij de gedachtenwisseling aan een factor, die inderdaad van groote beteekenis is. Het is de eerbied, door ouderen onder de prediking betoond, die op de kinderen indruk maakt. Heel hun hart ontvangt een indruk onder heel het kerk gaan.
Wij vreezen, dat de indruk van de Kinderkerk over het algemeen minder verheffend is. Algemeen hoort men klagen, dat het met den eerbied daar vaak niet heel gunstig gesteld is. Maar buitendien mist men er ook zoo de orde niets te wenschen overlaat, de wijding, die er op het kindergemoed van een bijeenkomst met volwassenen uitgaat". Wij kunnen niet anders dan getuigen, dat dit uitnemend door de N. R. Cour. is gezegd.
En dat brengt ons nu tot een tweede punt: de jeugddiensten. Als men den weg van specializeering opgaat, dan is het einde niet te overzien. En nu bedoelen we hier niet: de verdeeling van arbeid in de gemeente ; maar we hebben het oog op het groepeeren van onderscheidene soorten van menschen in de gemeente; bizonder het beleggen van afzonderlijke godsdienstoefeningen voor verschillende groepen in de gemeente. Die daarmee begint, komt aan geen eind. Want dan moeten we diensten hebben voor kinderen, voor jeugdigen, voor ouden van dagen, voor ontwikkelden, voor eenvoudigen, voor rijken, voor armen, voor plattelanders en voor stedelingen, enz. enz. Maar dit alles is in strijd met het karakter van de samenkomst der geloovigen. Het Woord Gods moet in de samenkomst der gemeente aan allen worden bediend, jongen en ouden, vrouwen en mannen, geleerden en ongeleerden. Het Woord heeft hun allen wat te zeggen. Terwijl juist bij het specializeeren het Woord gevaar loopt op den achtergrond te komen, terwijl allerlei speciale dingen dan op den voorgrond dringen. Daarom zijn wij tegen al dat organiseeren van afzonderlijke godsdienstoefeningen. Waarbij in betrekking tot den jeugddienst dan ook deze zaak in het geding komt.
Gaat men hier niet twee dingen verwarren? En dan wel: godsdienstoefening voor jonge menschen (wat in een geordend kerkelijk leven niet kan en niet mag) en evangelisatiewerk onder de z. g. n. intellectueelen. Wat heel iets anders is dan jeugddiensten?
Bedoelt men: afzonderlijke godsdienstoefeningen met jonge menschen? Dan verzet zich daar ons gereformeerd beginsel tegen. Bedoelt men: evangelisatiewerk onder de z.g.n. intellectueelen? Laat men het dan noemen, zooals het genoemd moet worden en het niet noemen: jeugddienst; wat het niet is.
In Rotterdam zien we duidelijk de verwarring in deze en daardoor de vertroebeling hoe langer hoe meer, met de onaangenaamste gevolgen. Waarbij we ook weer denken aan 't geen de N. R. Cour. schreef in betrekking tot de jeugddiensten:
„Het is alleen jammer, dat zij de gemeenschappelijke godsdienstoefening vervangt. Opgezet juist met het doel, de jeugd naar de kerk te brengen, kon zij wel eens vervreemding van de kerk ten gevolge hebben. Want een jeugdkerk is en blijft een principieel volstrekt ander ding dan een gemeenschappelijke godsdienstoefening, waarvan het indrukwekkende bepaaldelijk in het massale is gelegen. De gemeente is een symbool van het gezin, gelijk het gezin symbool der gemeente is. En in het gezin zijn kinderen en volwassenen vereenigd. Het is wenschelijk, ook op deze zijde van de zaak de aandacht te vestigen nu en allengs is gaan meenen in de kinderkerk en de jeugdkerk de oplossing te hebben gevonden van het probleem, hoe de kerk en de jeugd voor elkaar te behouden. Er blijft heel veel te zeggen voor de Gereformeerde practijk met haar gezinsgewijzen kerkgang". Waarom onderscheidt men de dingen niet méér zoo en waarom erkent men de bezwaren niet, die tegen de z.g.n. jeugddiensten zijn, welke dan een hopelooze verwarring bovendien zijn van jeugddienst en van evangelisatiewerk onder de z.g.n. intellectueelen?
Veel meer bezwaren zou men nog kunnen noemen, speciaal wat de Ned. Hervormde Kerk betreft. Het geeft niet zelden een kerk in de kerk. Het geeft een jeugdkring met sterke neigingen tot zelfregeering en zelfbeschikkingsrechten. Het geeft een arrogant en drijverig optreden tegenover Kerkeraad en predikanten. Waarbij minachtend gesproken wordt over de „gewone" godsdienstoefeningen. Het wordt niet zelden een wapen in den kerkelijken strijd, met eigen kaartregister, eigen verkiezingsleuzen, eigen verkiezingsagenten enz. Bij hopelooze verwarring van twee takken van den arbeid geeft het groote verwarring in de gemeente bovendien. En zoo beantwoordt het niet aan het doel, dat men zich ideaal gesteld had. Zouden we ook hier niet terugkeeren naar de grondbeginselen van Gods Woord? Ook bij al de z.g.n. problemen van de rijpere jeugd is God's Woord nog altijd bevonden te zijn het licht tot verlichting, dat wijs kan maken tot zaligheid.
Een Evangelische leerstoel in Groningen.
De Evangelische-of Groninger richting is niet een richting die in het midden van de Ned. Hervormde Kerk bizonder op den voorgrond treedt. Dat komt omdat zij in getalsterkte niét uitmunt en ook, omdat zij zoo tusschen modernen en ethischen in staat. Daar, waar zij als kerkelijke partij — b.v. in de stad Leeuwarden — nog al wat beteekent, staat zij èn leerstellig èn kerkrechtelijk vlak naast de modernen en vlak tegenover de confessioneelen. Dat maakt altijd een pijnlijken indruk. Het is moeilijk te zeggen wat en wie de Evangelischen of Groningers zijn. Zeventig jaar geleden, toen de vader van de Evangelische richting nog leefde, prof. P. Hofstede de Groot, ging dat gemakkelijker. Toen was er meer éénheid onder hen. Maar nu? Is iemand „ethisch" of „evangelisch" of „modern"? 't Valt dikwijls niet mee om het van bepaalde predikanten te zeggen. Enkele jaren geleden zei ds. P. de Buck van Leeuwarden — intusschen gestorven —: „Is 't nog wel mogelijk te spreken over de levens-en wereldbeschouwing van „de Evangelischen" als een vast omlijnde, niet enkel eensgezinde, maar ook eensdenkende groep? " (Het beginsel der Evangelischen, blz. 4). En hij vervolgt: "Het kan wel zijn, dat een dusgenaamd Evangelische in mijn meeningen eigen overtuiging niet steeds weervindt en anderzijds, dat gij vele trekken, waarmee ik het beeld der Evangelischen schets, herkent bij anderen, die volstrekt dezen naam niet zouden willen dragen". Wat het kleine aantal der Evangelischen betreft, zegt dezelfde ds. de Buck op blz. 5 van zijn brochure: „Thans is het getal der aanhangers van de Evangelische richtüig zeer klein; het bezoek van onze jaarlijksche vergadering, meestal te Zwolle, laat zich niet vergelijken bij dat van de zustervergaderingen van rechts en links, te Utrecht en te Amsterdam; roemt men daar in honderdtallen, wij tellen schuchter de tientallen; bescheiden is de plaats welke de Evangelische partij of kring heden ten dage in het kerkelijke of godsdienstige leven van ons vaderland inneemt; verdrongen is zij uit de theologische faculteiten onzer Universiteiten, verdrongen uit de meeste gemeenten, waar zij vroeger onder de predikanten talentvolle vertegenwoordigers bezat".
Honderd jaar geleden was dat anders. In 1830 was Hofstede de Groot, na een paar jaar predikant te zijn geweest te Ulrum, tot professor te Groningen benoemd en weldra stonden mannen als van Oordt, Pareau en Muurling hem ter zij. Het N. Testament werd vooral bestudeerd. Het bekende tijdschrift „Waarheid in Liefde" werd opgericht. En met geestdrift werd door velen de nieuwe richting begroet. Een volledige reeks handboeken voor de verschillende vakken van godgeleerd onderwijs werd de wereld ingezonden. Wat het nieuwe was? „Niet een leer van Paulus of Christus moeten wij prediken" — zoo zei Hofstede de Groot — „maar het Evangelie, d.i. de blijde boodschap van een historie, van hetgeen God ons openbaart en schenkt in Zijnen Zoon".
Van Oordt antwoordde: „Ook mij is het duidelijk geworden, dat eigenlijk de historie hoofdzaak is in het Christenom en alles neerkomt op hetgeen God in en door Jezus Christus heeft gedaan n nog doet". Pareau zei ook: „Op de openbaring van God in Jezus Christus komt alles an; daar moeten we met onze theologie heen!"' Toen was (zie ds. de Buck's brochure blz. 11) de Groninger-of Evangelische richting geboren; in den winter van 1833—34! Het objectieve had men noodig ! — zoo zeiden de Groningers. Maar dan niet „de leer, maar „de Heer". De persoonlijkheid van Jezus Christus!
En dan de opvoeding des menschdoms door God tot God. Over erfzonde en val en dergelijke sprak men bij voorkeur niet. De opvoeding door God tot God was het voornaamste. Die opvoeding was wedergeboorte. „Wij vertrouwen ons toe, geven ons over aan den levenden Christus, onzen Broeder, en aan den levenden God, onzen Vader, opdat wij ons door hen laten reinigen en volmaken" was hun leer; 't welk Hofstede de Groot noemde een werk van 's menschen gemoed, geest en wil.
„Breng de menschen tot Jezus om hen te plaatsen tegenover het beeld zijner persoonlijkheid — en heb dan den moed hen met Jezus alleen te laten — dan zullen ze Hem vinden". Geen wonder dat aan de Groningers de beschuldigingen van Pelagianisme en Remonstrantisme niet zijn gespaard gebleven! Te meer niet, waar de Groningers, die bij voorkeur zeiden „niet de leer, maar de Heer" — niet geschroomd hebben op de Kerkleer critiek te oefenen. Zij hebben nooit gestreefd naar den naam van orthodox. Zij hebben hun kracht gezocht „in den geest van Christus' evangelie". Zij hebben de leer der verkiezing bestreden. Ook konden zij zich niet vereenigen met de leer der Drieëenheid. Christus noemen zij den Godmensch en willen niet weten van de leer der twee naturen; zij spreken van „een godmenschelijke persoonlijkheid"; Jezus als de ware mensch is de Zoon Gods. Ook hebben zij critiek geoefend op de leer der verzoening der zonden door het bloed van Christus; op de leer van het borgtochtelijk lijden en sterven van Jezus, als Sions Borg en Middelaar. In Christus' kruisdood erkennen zij de openbaring van 's menschen zonde en van Gods liefde; meer niet.
De Groningers hebben altijd gestreden voor de vrijheid der Evangelieprediking in de Kerk. Reeds in 1833 gaf Hofstede de Groot een boekje uit, waarin hij het openlijk uitsprak ('t was in de dagen van de Afscheiding), dat de Evangelieprediker het recht en de vrijheid had, om af te wijken van de Kerkleer. En sinds hebben de Evangelischen altijd geijverd tegen alle pogingen om langs kerk rechtelijken weg uit de Kerk uit te bannen. Het christelijk karakter der Kerk willen zij handhaven (christelijk in „Evangelischen" zin genomen, zie boven) en dan aan het geweten van elk het overlaten te bepalen of hij in die christelijke sfeer zich thuis voelt of niet.
„Daarom hebben wij steeds ook aan andere richtingen plaats gegund in Kerkeraad en onder predikanten", schrijft ds. de Buck, blz. 33 — „en dat niet uit beginselloosheid, maar uit kracht van ons beginsel, uit geloof in de kracht der waarheid die in Christus is, uit besef ook van den rijkdom des Evangelies, die niet door ééne richting wotdt uitgeput — uit overtuiging, dat wij niemand die tot Jezus zelven begeeft te komen, den weg mogen versperren door hem te dwingen alleen langs onzen weg te gaan".
„ Deze Kerkrechtelijke overtuiging heeft de Evangelische, telkens aan de zijde der Modernen doen staan, waar het gold tegenover orthodoxe zijde de vrijheid in Christus te verdedigen, en tegenover het confessionalisme zichzelven en hun plaats in de gemeente te handhaven, en daardoor is de klove tusschen Evangelisohen en Orthodoxen niet weinig verbreed en het verschil verscherpt" (blz. 34). Van deze Evangelische richting, waar van niet gezegd kan worden — volgens cis. de Buck — dat zij leeft uit een eigen levens-en wereldbeschouwing; — die klein in getal is —overal schier verdreven - altijd nog zeer critisch staande tegenover de belijdenis — steeds aan de zijde der Modernen en tegenover de Orthodoxen — van die Evangelische richting lezen we nu in de bladen een merkwaardig bericht. En wel het volgende:
„Voorstanders, der Evangelische (Groningsche) richting in de Ned. Hervormde Kerk doen pogingen om, nu geen enkele theologische leerstoel meer door een Evangelischen hoogleeraar is bezet, door middel van het instituut der bijzondere leerstoelen toch een vertegenwoordiging aan een der Universiteiten te krijgen en wel die te Groningen. Het Bestuur der Ned. Evangelische Vereeniging, voorzitter ds. R. H. Drijber te Zutphen, verspreidt een circulaire waarin meegedeeld wordt dat de jongste algemeene vergadering besloten heeft pogingen aan te wenden tot het verkrijgen van een lectoraat, of, zoo mogelijk, van een professoraat aan de Groningsche Universiteit. Deze pogingen zijn, wat betreft het vinden van een bekwaam persoon, aanvankelijk geslaagd. Aan jaarlijksche kosten is ƒ 1000.— noodig, waarvoor in de circulaire steun gevraagd wordt". Men gaat dus een bij zonderen hoogleeraar benoemen! Men gaat een leerstoelfonds vormen. Men heeft ƒ 1000.— per jaar daarvoor noodig. Allemaal dingen, die bij ons allerlei herinneringen oproepen; die onwillekeurig ons vergelijkingen doen maken. Doch die ons ook zeggen: waar anderen, èn Modernen èn Evangelischen gebruik maken van bijzondere leerstoelen en bijzondere hoogleeraren (welke bijz. hoogleeraren blijkbaar dominé tegelijk blijven) daar mogen wij, Gereformeerden, niet vertragen. Op voor ons Leerstoelfonds! En bij één hoogleraar mag het onder ons op den duur niet blijven — al hebben wij het voorrecht, dat wij ook onder de gewone hoogleeraren gelukkig onze geestverwanten tellen. Ons beginsel zegt: niet vertragen — voortvaren!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's