Uit het kerkelijk leven.
De diaconale Voorstellen - De heilstaat - Het Pessimisme -Vreemde stelsels
De Diaconale Voorstellen.
Wij hebben gezien, dat in de jaren 1854 - '56 de kerkelijke armenverzorging dus vrij is gekomen van de bemoeingen van de Regeering; en sinds is dat zoo gebleven. Van liberale zijde is er altijd op aangestuurd om Kerk en Staat zóó te verbinden, dat de Staat heerschappij kon voeren over de Kerk, waar door al heel wat ellende over de Kerk is gekomen, - maar sinds 1854 is toch gelukkig de Diaconie vrij om haar eigen zaken te beheeren. Dat wij dus huiverig zijn voor alle pogingen om wéér Staat en Kerk bij elkaar te brengen, zóó, dat de Staat zoowat alles moet doen wat er in de Kerk te doen valt, zal men in ons kunnen verstaan. Nooit anders dan ellende en schande en schade heeft de Kerk van Christus in dezen weg ingeoogst. En veeleer willen wij dan ook ijveren voor een eigen, vrij leven van de Kerk, met de kloeke belijdenis: De Heere is onze Wetgever en Christus is onze Koning! Nu gaat het er - voor de Diaconie om, dat zij als kerkelijke armverzorging de eischen van den tijd verstaat en met den tijd meelevend het werk verricht, dat er naar Christus' bevel en naar uitwijzen van het Woord, te doen is in het midden van de Gemeente. Want, neen! zij moet niet leven uit den tijdgeest, maar zij moet wel de eischen van den tijd verstaan, om practisch dan haar werk in te richten geleid door den Geest van Christus en wandelend in den weg van Gods getuigenis.
Nu hebben we aan de hand van het boekje van ds. J. G. Woelderink: „Het kerkelijk karakter der Diaconieën" al gemerkt, dat er hier en daar — vooral het platteland wordt in dat boekje geteekend — nog wel iets ontbreekt aan het optreden en het functioneeren van de Diaconieën, aan 't geen door diakenen verricht wordt. En wie het boekje van prof. dr. H. Visscher gelezen heeft: Gij Diakenen! — zal wel toestemmen, dat ook in de steden in dit opzicht niet alles is, zooals het naar de Schrift wezen moest. Dit geldt plaatselijk; maar dat geldt ook voor werk, dat gezamenlijk, classicaal, provinciaal en landelijk moet geschieden. Want ook voor de gezamenlijke Ker ken in classis en provincie is op het terrein van armenverzorging allerlei werk; en wel zuk werk, dat één gemeente alléén niet kan verrichten. Ook hier moeten we de gereformeerde lijn vasthouden; de oude, beproefde. paden moeten we niet verlaten; hoewel de nieuwe tijden ook nieuwe eischen stellen.
En wat de verzorging van weezen, èn wat de voorziening in de nooden van „nette" armen, èn wat de verpleging van zieken, herstellenden, moeders en kinderen aangaat — met de verzorging dikwijls van de gezinnen, waar zieken zijn, heeft de tegenwoordige tijd gansch andere behoeften en gansch andere eischen dan dit vijftig jaar terug b.v. was, hoewel mannen als Heldring c.s. toen al een nieuw geluid deden hooren.
Daarom is het geen wonder, dat, waar de Reformatie het ambt der diakenen, dat in de Roomsche Kerk geheel is ontaard, weer tot eere gebracht heeft in onze Gereformeerde Kerk, in de laatste jaren — na tijden van inzinking — allerlei plannen gemaakt worden, om de kerkelijke armvenzorging (de armen dan genomen in den zin van hulp-noodighebbende broeders en zusters der gemeente) meer te doen beantwoorden aan de eischen van den tegenwoordigen tijd. Niet gebonden, maar vrij zijnde, om zich in eigen banen te bewegen ligt de weg er voor open. In de dorpen, maar vooral in de steden, roept zooveel om voorziening. En ook hier geldt bij zooveel werk: „eendracht maakt macht". Vooral ten opzichte van de weezenverpleging, de verzorging van weduwen en „nette" armen, de verpleging en verzorging van zieken en huisgezinnen, door ziekte getroffen, is er samen nog wel iets te bereiken; waar het, zonder samenwerking, natuurlijk onmogelijk is. Wie er dagelijks mee in aanraking komt, voelt dat. Of moeten de Kerken zich het lot van krankzinnigen, van longlijders, van idioten en achterlijken, van weezen, van zieken, van moeders en kinderen maar niet aantrekken? Moet men hoogstens blijven onderhouden datgene wat het voorgeslacht ons gaf, om nu geen stap verder te gaan?
Vele vragen liggen hier, die om een antwoord, die om oplossing roepen en schreeuwen. We mogen toch alles maar niet overlaten aan; de burgerlijke gemeente, aan neutrale inrichtingen, aan particuliere instellingen? Zeker, niet alles behoeft „kerkelijk" gemaakt te worden. Voor de particuliere liefdadigheid moet ook werk blijven. Allerlei stichtingen, inrichtingen enz. hebben recht van bestaan. Maar — maakt de Kerk zich dikwijls niet al te gemakkelijk van allerlei af? Waarbij men dikwijls waant, dat men met het betalen van verpleeggeld of hulp in de onkosten, alles gedaan heeft, wat er te doen is. Daarom wil men concentreeren; en in samenwerking van de gemeenten — de plaatselijke Kerken — verwacht men heil.
Op zichzelf genomen uitstekend. Alleen dreigt hier, gezien vooral de kerkelijke toestanden en de Synodale organisatie, aanstonds weer groot gevaar. Of liever gevaren. Want er is zeker meer dan één gevaar! De Synodale organisatie — die al zooveel ellende gebracht, zooveel goeds bedorven en zooveel goeds verhinderd heeft — dreigt met haar groote vangarmen, die zoo door en door ongereformeerd zijn, ook hier bijeen te brengen wat niet bij elkaar hoort. De plaatselijke zelfstandigheid van de Diaconie, krachtens de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente, dreigt verloren te gaan. Het gemeenschappelijk werk dreigt principieel te verwateren. De Synodale organisatie dreigt weer versterkt te worden. En zoo wordt het zoo moeilijk in „nieuwe banen" te gaan.
Want men kan b.v. wel het werk afschuiven op „de Geref. Kerken". Door inrichtingen te gebruiken, die voor het grootste deel zijn ontstaan en worden onderhouden door hen die tot de Geref. Kerken behooren; waarbij dan wel patiënten worden gezonden, maar dikwijls zonder Hervormd geld, Hervormde collecten, Hervormde voormannen, die mee de schouders er onder zetten.
Geen hulp en geen steun — alleen soms wèl „Hervormde critiek! ' Men kan wel patiënten sturen naar neutrale inrichtingen. Men kan wel gebruik maken van stads ziekenhuizen, rusthuizen, enz. enz. Maar gaat de Hervormde Kerk, gaat de plaatselijke gemeente daarmee vrij uit?
(Wordt voortgezet).
De heilstaat.
De Socialisten hebben daar den mond vol van. Er moet, er zal een heilstaat komen. Daar heeft de menschheid recht op. De mensch heeft recht op een paradijs op aarde. En als het kapitalisme zal zijn vernietigd en alle proletariërs gelijk op zullen deelen als broeders één, dan zal er geen armoede en geen ellende en geen smart en geen zorg en geen strijd meer zijn: vrijheid — gelijkheid — broederschap.
Dan zullen de woningen ruim en zonnig zijn en alle ziekte, alle onzedelijkheid, alle gekijf is weg. Dan zullen de Ioonen volmaakt zijn en het humeur van man en vrouw goed, de toon der kinderen opgewekt; tevredenheid overal. Dat paradijs komt! En het zal gebouwd worden op de rechten van den mensch! Is dat niet valsch voorgesteld? Is het niet onwaar, onwezenlijk, anti-christelijk? Dan weet de Apostel-profeet Johannes het ons anders te teekenen in het boek „De Openbaring van Jezus Christus".
Die beschrijft ons het hemelsch paradijs, dat straks staat geopenbaard te worden voor al Gods volk; daar zal niemand zeggen: mij hongert; mij dorst; ik ben ziek of lijdende of stervende; daar zal gerechtigheid wonen en vrede en zaligheid en kleinen en grooten zullen verzadigd woorden met de vreugde huns heeren. Maar dat Paradijs zal niet gebouwd zijn op de rechten van den mensch — neen! in het hemelsch Jeruzalem, hetwelk Johannes zag, is het Lam Gods, staande als geslacht, het middelpunt.
Bij het Socialisme, dat de zonde loochent, zal het paradijs opkomen uit de rechten van den mensch. Voor den christen zal 't wezen vrucht van het offer, op Golgotha gebracht, door Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar. Wat kiest gij ?
Het Pessimisme.
Lijnrecht tegenover de optimistische wereldbeschouwing, die uitgaat van het ondersteld goed-zijn van het schepsel, waarbij de wereld als de beste van alle mogelijke werelden wordt aanvaard — staat de pessimist, die alles van den slechtsten kant beziet. In de pessimistische wereldbeschouwing wordt niet het goed-zijn, maar het volmaakt slechtzijn aller dingen als grondslag genomen voor alle beschouwingen.
Heel de schepping, zoo leerde de pessimist Arthur Schopenhauer (1788—1860) alles wat ademt en leeft en zich beweegt is product of voortbrengsel van een donkeren, in zichzelf onzaligen wil (welke onzalige, alogische wil, die zonder verstand werkte voor Schopenhauer God is). Deze onzalige, ongelukkige, verstandelooze wil (God) streefde naar verlossing uit zijn onzaligen toestand; daartoe zou de schepping het middel moeten zijn. De schepping moest dus het middel wezen tot bewust worden en zaligheid verkrijgen van dezen donkeren, onzaligen wil. Maar nu is alles voortgekomen uit een verkeerd, boos beginsel, waarbij alle logica, verstand en orde, wèg is. Zelfzucht is het wortel-beginsel van alle leven en zijn; en alles is boos en kwaad, radicaal slecht, in wortel en wezen.
Dus: de wereld is niet boos en slecht en ongelukkig geworden door de zonde; nadat zij door den eeuwigen, souvereine God goed was geschapen — zooals de christen dat belijdt, Neen, de pessimist leert, dat de wereld slecht ontstaan is; waarbij alles slecht is en blijft; waarom het slechtste uur voor den mensch is de ure van z'n geboorte; en de beste ure, als hij dood gaat; want dan slaapt hij in, in een staat van bewusteloosheid overgaande en daarna verdwijnend.
Hoe geheel anders ziet de christen de dingen! Die is geen optimist vanwege de leer en het feit der zonde; die is geen pessimist vanwege de leer der genade en der verlossing in Jezus Christus. Zonde en oordeel komt de Heilige Geest leeren. Genade en verlossing mag Gods volk kennen, tot roem en prijs van Hem, die dood is geweest en nu leeft tot in eeuwigheid. Zoo gaat het ook hier: met of zonder het kruis van Golgotha!
Vreemde stelsels.
Tegenover de leer der Heilige Schrift, waarbij als middenpunt moet genomen worden, a. dat de wereld door 't scheppende Woord Gods is voortgebracht; b. dat in die wereld soortelijk van elkaar onderscheiden terreinen zijn, die na en naast (niet uit) elkaar zijn ontstaan en c. dat de kroon op Gods werken is de schepping van den mensch als beelddrager Gods — staan de anti-christelijke leeringen, a. van het Materialisme, of stofvergoding, waarbij de eeuwige stof in de plaats komt van den eeuwigen God; b. van het Evolutionisme, dat het ontstaan der verschillende soorten in den weg van evolutie, d.i. in den weg van uitelkaar voortkomen verklaart; en c. het Darwinisme, dat den beelddrager Gods, den mensch, verlaagt tot een nazaat van orang-oetan, gorilla en chimpansé.
Helaas zijn die onschriftuurlijke, anti-christelijke leeringen niet zeldzaam, ook niet onder degenen, die als onderwijzer, leeraar, hoogleeraar enz., een vooraanstaande plaats innemen onder ons volk.
Het wezen van alle zijn is stof. Die stof is door eigen kracht gekomen tot veelvormigheid van verschijning. En waar er geen onderscheid is tusschen 't levenlooze en levende, is er ook geen scheiding tusschen mensch en dier. Het eeuwig proces der stof leert men met nimmereindigende cirkelgang van stof en kracht. Aan de tegenwoordige wereld zijn duizenden andere werelden voorafgegaan, die ook beurtelings naar dezelfde eeuwige wet der evolutie zijn ontstaan. En uit de laatste wereld, aan de onze voorafgaande, zijnde een gasvormige nevelmassa, is de tegenwoordige wereld met zon en maan en aarde ontstaan; waarbij de aarde door allerlei evolutiën eindelijk geschikt is gemaakt tot een verblijfplaats voor levende wezens; uit welke levende wereld de mensch is opgedoken, als de naneef van kwal of aap. Het wonder Gods bestaat niet. God bestaat niet. De godsdienst is een hersenschim. De mensch is stof, zonder ziel. De mensch is voor den tijd, zonder eeuwigheid.
Vreemde stelsels!
En die wil men nog maar altijd voordragen, ook aan onze jongens, op H.B.S., Gymnasium en aan de Universiteit, alsof men de hoogste wijsheid in pacht heeft en alsof het recht des christens, gefundeerd op en ontleend aan Gods Woord, niet bestaat. Zal ons christen-Nederland dat maar stil toelaten? Of zal de christenheid ook hier meer en meer haar roeping zich bewust worden en doen wat hare hand vindt om te doen om een dam op te werpen tegen den stroom van anti-christelijke leeringen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's