Stichtelijke overdenking.
Manasse
"Toen kende Manasse, dat de Heere God is ". 2 Kronieken 33 vers 13c
Manasse
God, de Heer regeert;
Beeft, gij volken eert,
Eert Zijn hoog bestel,
Die bij Israël
Tusschen Cherubs woont
En Zijn grootheid toont:
Dat zich d' aard bewege:
Hij is Israël's zege.
Met dit lied in het hart en op de lippen, Waarde Lezer, ging ons voorgeslacht vaak kommervolle tijden in èn.... uit. Met een lied, immers, uit het „Gebedenboek" der Vaderen!
Het was 15 Mei 1648. Te Munster zou de uitwisseling plaats hebben van het tusschen Nederland en Spanje aangedane Vredesverdrag. De wederzijdsche gemachtigden, die meerendeels naar hun haardsteden teruggekeerd waren, bevonden er zich ten gezetten tijde. Zij vergaderden in de groote gehoorzaal van het stadhuis. Ten aanschouwe van eene talrijke schare — o, machtig aangrijpend oogenblik! — beëedigden onze Staatsche gezanten het gesloten Verdrag met het opsteken der twee voorste vingeren der rechterhand en de Spaansche door de handen te leggen op een Evangelieboek, waarop 'n zilveren kruis geplaatst was en door ze vervolgens op te heffen ten hemel
Vijf dagen later een plechtige dankdag in het geheele Vaderland, in de meeste steden kanonschoten, vreugdevuren op het platte land en door dit alles heen het lied: „God, de Heer, regeert"!
Meermalen werd ons kleine Nederland vergeleken, —en zeker niet ongegrond! — met het eveneens kleine Joodsche land. Dikwerf werd ons land genoemd het „Palestina van het westen". Beider geografische ligging, beider historie toonen en wijzen vaak op merkwaardige overeenkomst. Israels God was immers ook der Vaderen God. Bij beiden evenwel maar al te vaak, helaas, schromelijke afval en was de stem van Hem, die het al regeert, te beluisteren in den alouden klaagzang: „Keert weder, gij afkeerige kinderen, en Ik zal uwe afkeeringen genezen!"
Bezien wij zulks nader in de navolgende, bekende geschiedenis van Gods uitverkoren volk.
„Toen kende Manasse, dat de HEERE God is". 2 Kronieken 33 vers 13c.
Hiskia, Juda's godvruchtige Koning, krijgt drie jaren na zijne genezing een zoon, maar, helaas, zulk eenen, dat, had hij het kunnen voorzien, het beter ware geweest kinderloos te zijn gebleven. Op Juda's troon zien wij een opvallende verwisseling van goede en kwade vorsten. De goddelooze Achas volgt den vromen Jotham, de godzalige Hiskia daarentegen zijn goddeloozen voorganger op, na dezen de in goddeloosheid niet onderdoende MANASSE. De goddelooze Koningen dienden tot beproeving van de Kerke Gods, de godvruchtigen daarentegen tot hare vertroosting. Manasse dan kwam als kind op den troon. Slechts 12 jaren was hij oud. Hem paste toen nog beter de roede ter kastijding dan den scepter van het Rijk tot heerschen. Zijn jong hart neigde, gelijk bijna altijd bij de jeugd, meer tot het kwade dan tot het goede. Zijn regeering was bovendien van langen duur. Hij zat meer jaren op den troon, dan zijn vrome vader leefde. Dat genade geen erfgoed is, wij zien het hier weer zoo duidelijk en toch, Manasse's geschiedenis staat in de teekenen van de macht der zonde en der genade. O, onbegrepen liefde Gods!
De kroniekschrijver teekent het keerpunt in Manasse's leven in de woorden; „Toen kende Manasse, dat de HEERE God is".
Maar, eilieve, eer het zoover kwam! Zijn vader had hem opgevoed in de vreeze Gods, had tot hem gesproken van zonde en genade, van de psalmen, waar in de godvruchtige zanger zingt: „Rond om Jeruzalem zijn bergen, alzoo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid".
Als kind ging hij aan de hand zijns vaders mede op naar Gods huis, bad hij met hem, knielde hij met hem en toch.... Nog eens, genade is geen erfgoed! Manasse groeide op tot een tyran, een moordenaar, een afgodendienaar, een verachter van God en gebod!
Bekend is van den kerkvader Augustinus, dat zijn vrome moeder Monica hem leerde bidden. Als kind moest hij naast zijne moeder nederknielen. Hij moest haar nazeggen wat Gods Geest haar uit het hart op de lippen beliefde te leggen. En, wat denkt gij? Op hare woorden. „Heere, bekeer mij!" liet Augustinus er steeds ondeugend, zonder dat moeder 't hoorde, op volgen: „maar NU nog niet!" Toch zou die tijd wel aanbreken. Gezeten aan moeders sterfbed werd hij aldus aangesproken: „Mijn kind, ik heb den Heere steeds gesmeekt, dat ik niet sterven zou vóór ik u bekeerd mocht zien. Mijn bede werd verhoord, nu kan moeder sterven!" Terecht had Ambrosius Monica troostvol geprofeteerd: „'n Kind van zoovele tranen kan niet verloren gaan!" „Toen kende Manasse, dat de Heere God is". Toen. Wanneer? "Waar? En hoe? Ziehier, waarde Lezer, een drietal als voor de hand liggende vragen.
Wanneer. Salmanezer had 't Rijk der 10 stammen gegeeseld, Ezar-Haddon zou in de hand Gods het werktuig Zijner wrake zijn over dat der 2 stammen en diens koning. Sanherib's zoon, de Vorst van het Assyrisch-Babylonisch Rijk, had Egypte den oorlog verklaard. Manasse bood den Egyptenaar hulpe aan, zich stellend aan het hoofd zijner troepen. Deelende in de gevaren, kwam hij bijna om. Ezar-Haddon verslaat hem. Manasse vlucht. Hij versteekt zich onder de doornstruiken. De Heere liet hem ontdekken. Manasse is een gevangene...! Ziehier het voorspel als 't ware van het „Toen". 's Heeren tijd brak" aan, Manasse's tijd was daar! Tot hiertoe en niet verder!
Waar? Manasse's schuldig hoofd vond geen afdoende bedekking onder de doornen tegen het geweld zijner vijanden. In ijzeren boeien gaat hij naar Babel. Daar ligt hij, beladen met koperen ketenen, in een ellendige gevangenis, op velerlei manier gekweld en gepijnigd, gevoed met 'n grove portie brood en een weinig water, hetwelk eert onwillig leven tot straf van deszelfs eigenaar onderhouden mocht. Misbruiker van zijn vrijheid, is hij nu een geketende slaaf. Welk oog zal en kan hem in deze diepe ellende beklagen? Wat kwam dezen man des bloeds anders toe dan een stervend leven en een pijnigende dood?
Manasse's gevangenis is het teeken van een beteekenende zaak. Zij wijst op het recht Gods. Hieronder ligt van nature ieder mensch, wie hij ook is. Onder dit recht moet hij, zal het goed zijn, uit. Hiertoe bestaat slechts één middel. De hand van JEZUS! Ook van dit middel zou deze Manasse, deze onverlaat profiteeren. Jesaja's profetie: „Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEBREN dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden" gold niet alleen 's Heeren erfdeel in het algemeen, maar óók ieder Zijner kinderen, óók Manasse, den zoon van Hizkia. „Dubbel van de hand des HEEREN", de hel gesloten, de hemel geopend, de gevangenis uit, de vrijheid in, van Babel weer terug naar Jeruzalem!
Hoe? In ons teksthoofdstuk, vers 12 en 13, lezen wij: „En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen, en bad Hem; en Hij liet zich van hem verbidden, en hoorde zijne smeeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen kende Manasse, dat de HEERE God is". De kastijding van den Almachtige leert vaak letten op Zijn Woord. De adder, geslagen wordend, werpt al haar vergif uit; de verrader, op de pijnbank uitgerekt, bekent de waarheid, die hij anders had verborgen, en, zoo het kruis ons niet naar den hemel voeren kan, o, zeg het mij, welk middel, wat kan het dan wèl doen? Door het kruis naar de kroon, niet waar? De Heere benauwde Manasse. Benauwen, benauwd, wat is dat? Het is geen adem hebben. Zie op uwe kranke, Iet op het sterfbed. Zoo ook in het geestelijke. De letter, Mozes, doodt, de Geest, Christus, maakt levend. Door de door hem geschonden wet kreeg Manasse een klaar en onderscheiden gezicht op zijne zonden, in zijn schuld. Hij kreeg het, met 't gezicht op zijn schuldeischer van binnen benauwd, ja, doodsbenauwd; hij wou vluchten, maar kon nergens heen! Wat bleef hem nog over? Eén ding. Of leert de ervaring niet, dat, de tijden en oogenblikken van benauwdheid, zelfs den spotter — laat staan Gods kind — maar één wapen van verweer, n.l. het gebed overblijft? Gelijk de schelp, een deel en schepsel der zee, aan 't strand, bij tijden en oogenblikken de zee in al hare verbolgenheid als aanschouwen en in die verbolgenheid deelen moet, zoo ook de ziel, die uit hare benauwdheid als een schepsel, als van Gods geslacht, op het vlakke des velds leert roepen om gena en geen recht. Zoo roept de afgrond tot den afgrond, bij het gedruisch van Gods watergoten. Zoo zucht en kermt de ziel: „al uwe baren, al uwe golven zijn over mij heengegaan". Dan wordt de ware ernst geboren, de ongeveinsde vernedering aanschouwd. Dan juicht de hemel èn mag de aarde niet treuren, de Heere liet zich verbidden. Gelukkige Manasse! Nu — wie had het ooit durven denken of kunnen droomen? — nu wordt ge met uwen vader, al ging uw weg door het dal der schaduwen des doods, in den beloofden Borg een erfgenaam Gods en een medeërfgenaam des eeuwigen levens! En, wat valt hier meer te bewonderen, uwe bekeering óf de barmhartigheid Gods? Zonder te aarzelen roepen wij uit: „de laatste!" Ik heb uw gebed gehoord. Ik heb uwe tranen gezien", dit was de zoete druppel honig, welke de Heere in beider lijdensbeker, in dien van den vader, maar óók van het kind, èn van Hizkia èn van Manasse, vallen liet. „Zalig, die alzoo treuren, want zij zullen vertroost worden".
„Toen kende Manasse, dat de HEERE God is". God in Zijn heilig recht, God in ondoorgrondelijke genade. Hugo Binning zegt hiervan: het zijn, recht en genade, als twee stralen, welke in den weg van bekeering door de ziel worden aanschouwd. De straal des rechts doodt, die der genade maakt levend! Gelukkig, ja driewerf gelukkig dan ook de ziel, die onder dit licht komen en in dit licht wandelen mag! Gelukkig „Toen", want op het „toen", waarde lezer, — onthoud het — volgt eenmaal, zeker en gewis, een even onafwijsbaar en nog gelukkiger "Dan"!
Ds. A. DEKKER Opheusden (Geld.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's