Uit het kerkelijk leven.
De Diaconale Voorstellen.
(Slot)
De Diaconale Voorstellen die, nadat nu 15 jaar telkens over wijzigingen in werkwijze en reglementeering gesproken is, door de Synode van het vorige jaar zijn aanhangig gemaakt laten zich splitsen in 3 groepen, die wel onderscheiden moeten worden.
De 3e groep, om met de laatste te beginnen, is van zuiver reglementairen aard. Men wil het woord „armen" in art. 20 al. 5 Alg. Regl. vervangen door „behoeftigen". Heel gewichtig vinden we dat niet. Het woord „armen" is Bijbelsch. De armen heeft de Heiland nagelaten-om hen te verzorgen enz. Maar 't is waar, dat vooral den laatsten tijd velen voorwerp van de zorgen der Diaconie zijn geworden, die we nu niet bij voorkeur „armen" noemen.
Verder wil deze 3de groep onzekerheid ten aanzien van het vaststellen der collecten voor de Diaconie wegnemen, (wijziging art. 20 al. 7) en ook de verhouding van Diaconie en Kerkeraad in juiste bewoordingen aangeven, door art. 20 al. 6 zoó te lezen: „Waar geen Bijzondere Kerkeraad is, handelen diakenen met medewerking van predikanten en ouderlingen; waar een Bijzondere Kerkerald is, handelt het college van diakenen als zoodanig, doch komt aan den Bijzonderen Kerkeraad het toezicht toe." Ook zal — naast andere wijzigingen — in art. 10 Regl. voor de diaconieën het woord „bedeelden" vervangen worden door „ondersteunden."
Wij verwachten dat wel niemand zich tegen deze 3de groep van de Diaconale Voorstellen zal verklaren. (Zie blz. 16-en 17 van de Synodale missive aan de Kerkeraden toegezonden ter behandeling op de Class. vergadering).
De 3de groep van de Diaconale Voorstellen door de Synode ingediend ter behandeling op de a.s. Classicale Vergadering is andersoortig en gewichtiger dan groep 3. De meeningen hieromtrent zijn ook veelszins anders dan ten opzichte van de 3de categorie. Om te weten wat de 2de groep bedoelt moeten we blz. 13, 14 en 15 van de Synodale missive opslaan. En dan bemerken we, dat men het aantal gemeenten met een Bijzonderen Kerkeraad (predikanten en ouderlingen) en een Algemeenen Kerkeraad (predikanten, ouderlingen en diakenen) wil uitbreiden. Dan komen er dus méér gemeenten waar de Bijz. Kerkeraad afzonderlijk vergadert en waar de Algem. Kerkeraad vergadert en waar de Diakenen dan een afzonderlijk college vormen. De Diakenen kunnen zich dan geheel aan den arbeid van de Diaconie wijden, terwijl het bestuur der Gemeente aan den Bijzonderen Kerkeraad komt. Héél lang geleden, toen er van deze Synodale Voorstellen nog geen sprake was, hebben wij in dit ons Bondsblad, naar aanleiding van een discussie in den Algem. Kerkeraad te Rotterdam, een paar artikelen geschreven: „De Regeering der Kerk" en „Wat is de plaats van de dialcenen in den Kerkeraad."
Wat wij toen geschreven hebben heeft dus geen schijn of schaduw van de Synodale Voorstellen te willen verdedigen of afbreken. Zuiver objectief hebben we toen uiteengezet, hoe wij ons, naar geref. kerkrecht, de regeering der kerk ons dachten en we hebben daarbij gezegd, hoe, naar geref. kerkrecht, de verhouding is van den diaken tot den Kerkeraad.
Laat ons uit die twee artikelen iets mogen aanhalen.
Art. 16 Dordtsche Kerkorde zegt: „Der Dienaren (dat zijn de Dienaren des Woords of predikanten) is, met de ouderlingen de kerkelijke discipline te oefenen (de regeering der kerk of gemeente) en te zorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede." Predikanten en ouderlingen saam dus als het college dat tot regeering der plaatselijke kerk geroepen is.
Art. 23 Dordtsche Kerkorde zegt vervolgens: „Der ouderlingen ambt is met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere medehelpers en diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen enz. enz." De Dienaren des Woords en de ouderlingen ook hier dus ten nauwste verbonden ten opzichte van de regeering der gemeente, de prediking, de sacramenten, de catechisatie, het toezicht op de armverzorging enz.
Deze ambtsdragers worden aangewezen door de Gemeente, om dan, als ambtsdragers den Koning der Kerk te dienen in het midden van de Gemeente. De Formulieren van bevestiging van predikanten en ouderlingen laten in deze geen onzeker geluid horen.
Maar nu de plaats van de diakenen in den Kerkeraad! Wij spreken van drie ambten in het midden van Christus' Kerk, verband houdend met de drie ambten van Christus Zelf. Als Profeet, Priester en Koning wil Hij Zich openbaren en heeft der Gemeente leeraars en ouderlingen gegeven; terwijl in den loop der geschiedenis zich uit het Ieer-en regeerambt zich het diakenambt heeft losgewikkeld, in den aanvang in de beide andere ambten ingesloten zijnde: leerende en regeerende en de tafelen bedienend. De opzieners en diakenen vormen met de herders en leeraars saam den raad der Kerk. Dat zijn de mannen — van vrouwen kan hier geen sprake zijn — die in de Kerk ex officio, krachtens hun ambt iets te doen hebben. Dat moeten niet andere menschen doen, neen, dat moeten de ambtsdragers doen. De Kerk is geen vereeniging met een bestuur, de Kerk is Kerk en de Kerk heeft de ambten, van Christus ingesteld. Maar natuurlijk moet nu nader geregeld worden, hoe de verhoudingen van deze drie ambten zijn en hoe onderling het werk moet geregeld. Hiervoor bestaan vanouds allerlei bepalingen.
Eerst zijn te Emden (1571), in de eerste redactie van de Kerkorde, in art. 6 de lijnen getrokken; en nader is dat geregeld te Dordt, op de Synode van 1574, art. 4, enz. In dat 4de artikel van de Dordtsche Kerkorde van 1574 lezen we: „Tot verklaringhe des 6 artikels des Embdtsdhen Synodi, soo sullen de Dienaers des Woordts, Ouiderlinghen ende Diakenen de Consistorie maecken. Alsoo, dat de Dienaeren ende Ouderlinghen alleen onder hen versamelen (d.i. vergaderen) sullen, ooak de Diaconen bysonder (d.i. afzonderlijk), om hare eyghen saecken die d' armen aangaen te vehandelen. Doch in plaetsen daer weinigh Ouderlinghen syn sullen de Diakenen toeghelaten mueghen (mogen) worden na de begheerte der Consistorie. Ende de Diaconen sullen ghehouden worden te verschynen, wanneer se in de Consistorie beroepen (d.i. geroepen) worden".
En het begin van artikel 5 luidt: „De Dienaer ende Ouderlinghen sullen wel voor hen sien, dat se niet en handelen in den consistoriën (Kerkeraad), Classen ende Synoden, dan 't gthene dat Kerkelick is (dat dus alleen kerkelijke zaken behandeld worden)".
Voor een gereformeerd mensch, die de dingen in zijn verband leest, is het dus duidelijk, dat „de Kerkeraad" (Consistorie), die de kerkelijke zaken behandelt, bestaat uit „predikanten en ouderlingen" die mét elkaar hebben te vergaderen („versamelen" in artikel 4, zie boven). Waarbij de diakenen, die geroepen zijn te zorgen voor de verzorging der armen enz. in de vergadering van den Kerkeraad geroepen woriden, als daar aanleiding voor is; b.v. den dienst der barmhartigheid rakende, of, naar usantie, als er zaken van beroeping van predikanten of benoeming van Kerkeraadsleden enz. aan de orde zijn.
In kleine Gemeenten doen de diakenen, als de Kerkeraad klein is, als het ware hulpdiensten als ouderlingen en wederkeerig de predikant en de ouderlingen doen hulpdiensten als dialkenen; zoodat in kleine Gemeenten, ja, zaken van tucht enz. meê door de diakenen worden behandeld, maar zóó, dat de predikanten en de ouderlingen hier de van God geroepenen zijn en de diakenen hulpdienst verrichten; terwijl de zaken der armverzorging, ja, meê door den predikant en de ouderlingen worden verhandeld, maar zóó, dat de diakenen hier de van God geroepenen zijn en de ouderlingen hulpdienst verrichten. Zoo bestaat in kleine Gemeenten: — en die zijn niet weinig in aantal in ons land — de Kerkeraad uit predikanten, ouderlingen èn diakenen — nochtans ieder in z'n orde. En in de grootere Gemeenten zijn het de predikanten en de ouderlingen die den Kerkeraad vormen; bijgestaan in sommige zaken door de diakenen, die een afzonderlijk College vormen.
In het diaconale ambt, in den dienst der barmhartigheid, ligt als zoodanig geenerlei roeping tot bestuur of regeering der Kerk.
En nu moeten onze broeders diakenen, vooral in de groote steden, geen oogenblik denken, dat ze op deze wijze, in hun ambt ook maar iets te kort gedaan worden, of dat hun macht en hun invloed in den Kerkeraad op deze wijze afbreuk wordt gedaan. Want het is naar gereformeerd Kerkrecht, dat de ambten in de Gemeente wèl onderscheiden moeten worden, waarbij in alles uitkomt, dat het diakenambt héél iets anders is dan het ambt van dienaar des Woords of ouderling.
Nu moeten diakenen b.v. niet zeggen: wij doen nog meer dan de ouderlingen en zouden wij dan nog minder moeten wezen Want daar gaat 't niet om, om meer of minder te zijn dan een ouderling. 't Gaat om het werk en het ambt in het midden van Christus' Kerk.
Het is dus geheel naar Gereformeerd Kerkrecht als art. 37 der Dordtsche Kerkorde zegt: „In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de ouderlingen, dewelke, althans in de grootere gemeenten, in den regel alle weeken ééns te samen komen zullen, enz." Waarbij dan in art. 38 nader wordt gezegd: „En waar het getal van de Ouderlingen klein is, zullen de Diakenen door plaatselijke regeling mede tot den Kerkeraad kunnen genomen worden; 't geen altijd geschieden zal waar dit getal op minder dan drie is bepaald".
De gewone Kerkeraad bestaat dus uit Predikanten en Ouderlingen. De Diakenen zullen zich dus 't liefst moeten houden bij hun eigen werk: het werk der barmhartigheid, terwijl de regeering der Kerk behoort aan de dienaren des Woords en de Ouderlingen. Dat is niet „minderwaardig" voor de Diakenen; neen, dat is hun eere. De Algemeene Kerkeraad of „aangevulde" Kerkeraad (aangevuld voor bepaalde zaken met diakenen) zal dus in het algemeen — om met prof. Rutgers te spreken — vergaderen „om mede te beraadslagen en te besluiten over de zaken, die betrekking hebben op het aantal en de beroeping van Dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen; op het houden van collecten; op de instructie voor en de benoeming van de leden der commissie van beheer (bij ons Kerkvoogden enz. genoemd); op het onderwijs van minvermogenden (denk aan onze z.g.n. diaconie-scholen) en op de armenverzorging". (Prof. Rutgers, Kerkelijke Adviezen). Hieruit volgt, dat diakenen ook niet op de Classicale Vergadering enz. verschijnen, daar zij feitelijk buiten de regeering der Kerk staan en een afzonderlijk werk hebben naar de ordinantie des Heeren.
In het Synodale Voorstel dat nu ter tafel ligt, is veel van dit Gereformeerd beginsel verwerkt, maar toch wordt een sprong gemaakt, waardoor de diakenen geheel los van den Kerkeraad zouden komen staan. En dat is een radicale fout.
De Commissie voor de kerkelijke armenzorg, in 1923 door de Synode benoemd, bestaande uit de h.h.: D. Eilerts de Haan, voorzitter; G. J. A. Ruys, secretaris; dr. J. H. Adriani, G. J. Harmsen, Jhr. dr. A. W. van Holthe tot Echten, J. C. Kruisbergen, C. J. van Paassen, dr. J. R. Slotemaker de Bruine en A. B. te Winkel, verdient zeker een woord van lof. Neen, niet één woord, maar vele woorden. Het zijn mannen die voor den diaconalen arbeid voelen en die gaarne alles zouden willen doen, om de kerkelijke armenverzorging zoo goed mogelijk te verbeteren en aan te passen aan de behoeften en de eischen van den tegenwoordigen tijd.
Maar het komt ons voor, dat de Commissie een principiële fout heeft begaan door in de voorstellen het diakenambt, dat wel naar Gereformeerd Kerkrecht andersoortig is dan het ambt van dienaar des Woords en ouderling en daarom ook geheel anders staat ten opzichte van de regeering der Kerk dan de beide andere ambten, nu geheel los te maken van den Kenkeraad (en het Kiescollege). Dat is in strijd met 't oud-Vaderlandsche, Gereformeerd Kerkrecht en met de oud-Vaderlandsche gewoonten.
Wil men méér gemeenten creëeren waar een Bijzondere en een Algemeene Kerkeraad komt, dan vinden wij dat best. Dat kan het werk van de Diakenen ten goede komen. Maar als men dan alles wat met de beroeping van predikanten en verkiezing van ouderlingen in verband staat van den Algemeenen naar den Bijzonderen Kerlkeraad wil verleggen en zoo de Diakenen dus eigenlijk van den Kerkeraad los maakt, dan is dat voor ons een onoverkomelijk bezwaar.
Bij scheiding van de ambten moet het werk tenslotte schade lijden en moet het ambt van diaken ontaarden in een betrekking, geheel vallend buiten het kerkelijk kader. Wat men ook in de wijze van verkiezing wil laten uitkomen, door de verkiezing van diakenen geheel buiten den zgn. richtingsstrijd te houden en alleen maar te letten op „geschiktheid en bekwaamheid". Dat is de geestelijke band doorsnijden en er een soort armverzorging van maken, die niet meer is de armverzorging van Christus' Kerk.
Wij kunnen dan ook niet adviseeren de 3de groep voorstellen aan te nemen; hoeveel goeds er ook overigens in gevonden wordt, en hoewel men in vele dingen het Gereformeerd Kerkrecht voor oogen heeft gehouden.
En nu wat de 1ste groep voorstellen aangaat. Die voorstellen zijn geworden uit de behoefte aan nieuwe banen. De Diaconieën worden tegenwoordig voor steeds nieuwe vraagstukken geplaatst, die samenspreking en samenwerking vereischen. Een goede onganisatie is daartoe dringend noodig. En daarom komt men nu met voorstellen, om binnen het bestuursraam der Kerk een organisme tot stand te brengen — dat voor ons onaannemelijk is. Wij hebben breed voorop gesteld, dat er in het werk van de Diaconieën op het platteland en in de steden zoo veel te kort komt, hoewel er zoo ontzaglijk veel goeds in het werk van onze diakenen gevonden wordt. Heel, héél anders zal het werk onzer diakenen moeten worden ingericht. Waarbij allerlei nieuwe, groote dingen vragen om andere wegen te gaan bewandelen. Kinderzorg, ziekenverpleging, krankzinnigen, idioten, weezen enz. — 't vraagt alles om nieuwe banen; óók om gemeenschappelijk optreden en samenwerking, gemeentelijk, classicaal en provinciaal en landelijk. Onze Hervormde Kerk, hoeveel goeds ook verricht wordt door onze diakenen, schiet hierin te kort, wat in dezen tegenwoordigen tijd een vreeselijk tekort is. Maar in dat werk mag men de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente niet aantasten. Ook mag men het diakenambt van de gemeente niet los maken. Ook mag men niet een andersoortige bestuursorganisatie van Diaconale Raden enz. invoeren.
Hoezeer het ons spijt, maar wij moeten ons dus principieel tegen de Diaconale Voorstellen verklaren. Wij zouden het betreuren, wanneer, waar de huidige Synodale Organisatie zoo ontzaglijk veel bezwaren in zich draagt, nu de Diaconieën op deze wijze ook nog een organisatie ontvingen die lijnrecht in strijd is met de eerste beginselen van Gereformeerd Kerkrecht. Waarbij ook geen gering bezwaar is, de kosten die dit alles meebrengt.
Laat men de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente — en de Diaconieën — eerbiedigen.
Laat men de ambten niet gaan scheiden, zoodat het „ambt" van diaken een „betrekking" gaat worden van maatschappelijken aard.
Laat men toch weer niet een organisatie toevoegen aan de ongelukkige organisatie, die we in het midden van onze Hervormde Kerk hebben.
Laten we bij dezen weg luide „halt !'' roepen, om ons te wachten van den wal in de sloot te vallen.
Wij zeggen dit geenszins, omdat er op het terrein van den diaconialen arbeid niets nieuwe en niets groots te doen is. Want stilzitten is hier zonde. Maar laat ons dezen weg niet opgaan. Want zoo gaat het van kwaad tot erger en van terugkeeren op dezen weg zal, als het begin gemaakt is, geen sprake meer zijn. Daarom ontraden wij dan ook héél ernstig met deze Synodale Voorstellen mee te gaan op de a.s. Classicale Vergadering van Woensdag 24 Juni a.s.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's