Stichtelijke overdenking.
Blijdschap des Geestes
Want hij reisde zijnen weg met blijdschap. Hand. 8: 39.
Blijdschap des Geestes.
De vrucht des Geestes is blijdschap.
Het staat wel vast dat de uitstorting van den Heiligen Geest groote vreugde verwekte bij de discipelen. Zij vormden een blijde schare. En hun blijdschap zal zich uitgesproken hebben in hun woorden, hun houding en in hun gelaat. 't Was daar gewis geen klagen en zuchten, maar een zich verheugen in den Heere. Zij verkondigden de groote werken Gods. En dit verkondigen is een zaak van blijdschap, van eene vreugde des harten, die het beginsel der eeuwige zaligheid genoemd wordt. Het ware te wenschen dat deze blijdschap nog altijd blijkt een vrucht des Geestes te zijn.
Niet dat het om de vreugde gaat! Neen, zij is nimmer doel. De vreeze des Heeren brengt haar mee. Zij is er een gevolg van ..... Voor hen die de vreugde dezer wereld liefhebben is deze vaak doel. Als men maar blijdschap heeft! 't Geeft niet waardoor en waarom. Dan vergeet men alle narigheid eens en alle akelige dingen zet men dan eens even op zijde. Laat ons vroolijk zijn, zoo zegt men. Maar ach, het hart heeft onder het lachen nog smart.
De vreugde des Geestes is nimmer doel. Het gaat om den dienst des Heeren. Het verkondigen in woord en wandel van de groote wenken Gods! Deze dienst geeft onvermengd genot. Het is een zalig dienen. Zooals men in zijn dagelijksch werk zijn vreugde kan hebben; de geleerde in zijn wetenschappelijk onderzoek; de artist in zijn kunstwerk. Des menschen lust is zijn leven. Zoo brengt ook de meest verheven dienst, het geestelijke werk, de hoogste vreugde met zich mede. Zij is geen lichtvaardige vreugde. Daarbij wordt de ellende dezes levens niet vergeten. Integendeel, zij wordt goed onder de oogen gezien, in haar juiste afmeting aanschouwd. Haar oorzaak wordt gepeild. En nochtans, zegt Gods kind, zal ik in den Heere opspringen van vreugde.
Zij vergeet het meest droevige niet, de zonde en onzen afval van God. Een zaak om eeuwig te betreuren en bitterlijk te beweenen. Maar hoe groot is dan toch de vergevende liefde Gods in Christus! O, welk een voorrecht als wij ons met het „nochtans des geloofs" daarin verheugen! Wel, dan is het toch te begrijpen dat de dienst des Heeren de meest verheven blijdschap met zich voert.
De kamerling was iemand van zeer hoogen stand. Hij was machtig en rijk, had eer en aanzien, voor deze wereld een zeer begeerlijk leven. Hij had de vreugde zoo maar voor het scheppen! En toch, het blijkt wel, vrede kon hij in dit alles niet vinden. Niets gaf hem voldoening voor het hart. Hoe anders is het te verklaren dat hij van uit het verre Zuiden, uit Ethiopië, naar Jeruzalem reisde om te aanbidden? Hij miste den waren vrede. Er was eene leegte in zijn ziel, die ten slotte slechts alleen door het Evangelie der genade gevuld kon worden. En met zulk een troosteloos en zoekend hart keerde hij nu weer terug van Jeruzalem. Daar zat hij op z'n wagen en was ook daar bezig met hetgeen de leegte en begeerte zijner ziel uitmaakte. Hij las Jesaja's profetie, hardop. Natuurlijk om des te meer zijn aandacht er bij te hebben. Ook daarom had hij den woesten weg van Gaza gekozen. Hij wilde 't stil hebben, om ongestoord, geheel in zich zelf gekeerd, het Schriftwoord te lezen. Zijn denkend hoofd, zijn lezend oog, zijn sprekende mond, zijn luisterend oor, alles liet hij zich dienen, de eenzaamheid en zijn rijdende wagen, alles, om het heil te zoeken dat zijn ziel niet missen kon.
Het is de vraag, hoé wij den Bijbel lezen. Niet slechts of wij vele en lange keeren lezen. Niet slechts of wij getrouw gebruik maken van de prediking. Immers kunnen wij hierin louter plichtmatig zijn. Maar wél of zich daarin een begeerte uitspreekt naar vrede met God. O, die noodlottige zelfvoldaanheid van den mensch! Dat is omdat hij de kennis zijner zonde totaal mist. Hij weet niet dat hij vervreemd is van God en daardoor van het hoogste geluk. Geen wonder dat zoo velen, als met een breed gebaar, het Evangelie en de prediking daarvan verwerpen. Men wil en kan het niet begrijpen dat de Heere den mensch geen dienstwerk oplegt of eene reeks van plichten, maar dat Hij met de boodschap, de openbaring Zijner liefde komt. Het is zoo jammer dat men het Evangelie omkeert. Wij maken dan van de boodsohap des heils een godsdienstwerk om zelf het heil te verdienen. Dan lezen wij den Bijbel met de gedachte om een plicht te vervullen. Het gebeurt wel dat dit geschiedt op een dreunenden, zangerigen toon, zoodat er zelfs geen poging aangewend wordt om het te begrijpen of begrijpelijk voor te lezen. Er wordt dan ook maar een plicht werk volbracht! Het Boek gaat dicht! Het werk is gedaan! Ach, ach! zou iemand den moed hebben om te meenen dat de Heere zoo iets begeert? Het Evangelie wordt omgekeerd. Wij maken van de boodschap der genade een werk, een Godsdienstige, plichtmatige handeling.
Daarom is er zelfkennis noodig. Dan houdt het op met onze zelfvoldaanheid. Om te begrijpen dat wij niet anders kunnen doen dan onzen weg bederven. Door een stroom van godsdienstige handelingen kunnen wij geen penning van onze schuld betalen. De Heilige Geest maakt ons zondaren in eigen oog en neemt alles weg wat wij meenden meer dan een zondaar te zijn. Dan gelijken wij op den kamerling. De begeerte drijft, het verlangen leeft. Vrede zoekt dan het hart, vrede met God. In de eenzaamheid te zijn is ons dan lief, in de stilte om niet afgeleid te worden, tot een biddend bepeinzen van wat het Schriftwoord ons zegt. Hoe wordt mijn ziel gered? Hoe wordt mijn schuld vergeven? Zoo vraagt dan onze ziel. Wij zoeken 't antwoord af te lezen van af het heilig blad. Wij begeeren 't antwoord te vernemen uit de prediking. Er ligt veel bemoediging in de geschiedenis van den kamerling voor allen die oprecht naar den Heere vragen. De Heere ziet en kent hen. Hij slaat hen nauwkeurig in al hun zoeken gade en kiest ook het rechte tijdstip en het juiste middel om uitkomst te schenken. Hij zendt een Filippus, een der diakenen, uit diens drukken arbeid, heen naar een woesten weg om Zijn zoekend kind te troosten. De Geest dreef dezen prediker! Hij móést daarheen. De kamerling was er heen gereden; Filippus moest loopen. Zoo was de Geest bij Filippus al vooruit geweest, opdat zegenende handen gereed zouden zijn om eenen hulpelooze te zegenen.
Welk een voorrecht zóó de prediking van het Evangelie te ontvangen, zóó het Schriftwoord te lezen. Zegenende handen, die al lang gereeld zijn om met vrede en blijdschap te zegenen. De Geest dreef Pilippus en gaf hem ook vrijmoedigheid dien machtigen heer aan te spreken.
„Verstaat gij wat gij leest? " De meest noodzakelijke, maar ook de meest eenvoudige vraag. Lezen en toch niet verstaan. Dit is eene zaak van moeite en zorg voor menigeen die naar vrede zoekt. Niet dat men de waarheid niet kan begrijpen. Maar zij leeft niet in de ziel, zij wordt niet omvat door heel ons innerlijk zijn. Wij dragen haar niet in ons, zoodat zij ons draagt. In dezen zin wordt dan gezegd: ik hoor, ik lees de waarheid wel, maar ik versta haar niet. De kamerling legt zijn geestelijke armoede geheel bloot aan hem die door den Geest gedreven wordt. Het is tevens een brandend verlangen naar de kennis Gods. Daar zit dan Filippus naast den Moorman. De rol des boeks is voor hem ontrold. De kamerling wijst op hetgeen daar geschreven staat. „Ik bid u van Wien zegt de profeet dit, van zich zelf of van iemand anders?" Om dit laatste ging het hem. O, wist hij dit maar. Natuurlijk had ook hij gehoord van wat in Jeruzalem met den Heere Jezus geschied was, van Hem, Die gekruisigd werd. Zou de profeet Hem bedoelen? O, kon hij dit maar weten! Dan was er klaarheid in zijn ziel. Of van iemand anders! Zoo is de weg gebaand! Het vragend hart komt vragen over den grooten Verlosser.
Filippus deed nu zijn mond open! Wat is dit eigenaardig gezegd. Met bijzonderen nadruk ging hij nu spreken, met heilig bedoelen, met liefde voor 't Evangelie, met medelijden voor den verlorene. Hier was geen koude woordenvloed. Geen dorre uiteenzetting van geloofswaarheden. Geen voorlezing als van eene notarieele acte. Maar wel eene levende prediking! Hij had iets zeer belangrijks te zeggen! Pilippus deed zijn mond open. En verkondigde hem Jezus. Natuurlijk niet door steeds dien heerlijken naam te noemen, maar door te zeggen wat al met dien naam verbonden is, van Gods recht en van Gods liefde, van het offer der verzoening en de opstanding uit de dooden. Jezus, naar de Schriften! Dat was de inhoud van zijn levende prediking. En zeer nauw verbond hij zich hierin aan wat geschreven staat.
O, welk een heerlijk onderwijs! De Heilige Geest heiligde het aan het hart. Die wagen was een preekstoel; die wagen was ook een heiligdom. Dit heeft veel te zeggen voor de vergaderde Gemeente, maar ook voor hare Leeraren. Mochten er maar velen gelijken op dien hoorder op den wagen! Het zij hun te doen om van vrede met God te hooren. Een vragen naar den Verlosser. Maar dan moeten de predikers ook gelijken op den Evangelist op dien wagen. Niet slechts om veel menschen in de Kerk te krijgen. Filippus had slechts één hoorder. Maar toch zal de prediking op dien wagen nog meer zegen afgeworpen hebben, dan vele preeken in volle kerken. Het zij alleen te doen om Jezus te verkondigen, den Christus der Schritten. Dan zou het blijken dat er nog dezelfde God is, die blijdschap in de Gemeente weet te geven, die zóó zegent dat velen hunnen weg reizen met blijdschap.
Ook wij reizen onzen weg door het leven. De reis gaat altijd voort. Het gaat steeds verder. Wij reizen naar de eeuwigheid. Is het een reizen met blijdschap? Wie weet hoe spoedig wij aan het einde van onze reis zijn. Moeten wij dan nog vreezen voor een jammerlijk einde, voor een rechtvaardig oordeel? Het komt er ook bij ons op aan dat wij onzen weg met blijdschap reizen. Dan alleen is onze reis goed.
Wat maakte dan toch de blijdschap van den kamerling uit? Wat was de grond zijner vreugde? Toch niet zijn getrouw opgaan naar Jeruzalem, of zijn ijverig lezen van het Schriftwoord? Ook niet zijn zoekend en biddend lezen; of de wondervolle leiding des Heeren. Neen, maar enkel de hem verkondigde Jezus. Door Jezus Christus heeft hij vrede met God gevonden. Het Schriftwoord van den profeet over het geslachte Lam was in zijn hart geschreven. Daarom begeerde hij gedoopt te worden, omdat hij van harte geloofde. Hij was in Christus ondergegaan om uit Hem 't nieuwe leven te bezitten. De doop, het teeken en zegel van Gods liefde, van Gods trouw.
De eeuwige liefde des Heeren, Zijn eeuwig blijvende genade. Ziedaar wat dezen kamerling gelukkig maakte, wat hem met blijdsdhap vervulde. O, dat ook wij onzen doop verstonden! Wij zouden er met blijdschap aan denken en ook onzen weg reizen met blijdschap. Een blijdschap, die een kracht ten leven is in het aardsche strijdperk. Een blijdschap die den kamerling niet verliet op de hooge plaats die hij innam. Hij reisde zijnen weg met blijdschap. De vreugde over de liefde en trouw des Heeren! Hoe meer wij onze zonde leeren beweenen, des te meer zal zij ons deel zijn. Zij maakt den meest eenzamen weg, den weg des doods, tot een blijden weg. Zij maakt woeste wegen tot een heiligdom des Heeren. Zij eindigt nooit; ook niet als de reis ten einde is. Een stervend kind van God zeide eens: „ik geloof dat het nu eerst begint.'' Wij kunnen dan ten slotte alles missen, ook als een zegenende Filippus wordt weggenomen, want wij reizen onzen weg met blijdschap.
Kr. N.v.d.S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's