De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

Onze Hervormde Jongelingschap

10 minuten leestijd

Onze Hervormde Jongelingschap
Men weet, dat wij sedert 31 October 1910 hebben onzen Bond van Herv. Jongelings-vereenigingen op geref. grondslag, aan welks oprichting wij ook een handje hebben mogen helpen, terwijl nu anderen met kracht en groote toewijding dit werk voortzetten. Die Bond van Herv. Jongelingsvereenigingen op geref. grondslag, bedoelt overal, waar 't eenigszins mogelijk is, in stad en dorp, de Hervormde jongens van gereformeerden huize in een Jongelingsvereeniging saam te brengen en van die plaatselijke Hervormde Jongelingsvereenigingen op geref. grondslag in één Bond te vereenigen, onder leiding van een Hoofdbestuur, met een eigen Bondsorgaan (nu reeds de 13de jaargang) enz.
Dat werk is aanvankelijk gelukt en alles loopt goed. Telkens worden er Vereenigingen opgericht, of bestaande Vereenigingen voegen zich bij onzen Bond, zoodat er nu ruim 90 afdeelingen zijn, met een totaal aantal leden van runn 2200. Terwijl naast genoemden Jongelingsbond een Bond van Ned. Herv. Knapenvereenigingen op geref. grondslag is ontstaan, met ongeveer 40 afdeelingen en ongeveer 1000 leden in totaal. Ook wordt er gedacht over de oprichting van een Bond van Herv. Meisjesvereemgingen op geref. grondslag. Bij de oprichting van den Bond hebben we voornamelijk gedacht aan „de rijpere jeugd", dus aan jonge menschen van 15—16—17 jaar, met de jaren die daarop volgen, tot een grens van ongeveer 23 jaar.
Aan die jonge menschen, die in den overgangsleeftijd zijn, moet gearbeid worden, terwiji ze ook zelf graag arbeiden; ze moeten geleid woriden, terwijl ze ook zelf zoo graag loopen; om ze zóó te vormen, zooals God in Zijn Woord wil, dat ze gevormd zullen worden, om geschikt te zijn straks om als menschen Gods op elk terrein des levens uit te komen, zooals het strekken kan tot Gods eer en des naasten heil. In drieërlei ridhting moet op onze Jongelingsvereemigingen dan gewerkt worden: 1 er moet zijn een godsdienstig-zedelijke opvoeding; 2 een sociale opvoeding of opvoeding met het oog op het gemeenschapsleven; en ten 3de moet er wezen de politieke opvoeding, om te mogen weten straks wat er te doen is in betrekking tot het Staatsbestuur en het pubiieke leven.
Die het eerste zou verwaarloozen, doet aan onze jonge menscihen grootelijks tekort wat aangaat het religieuze, zedelijke en kerkelijke leven. Die het tweede zou nalaten, doet dwaas, daar de Heere ons als sociale wezens heeft geschapen; „elkanders leden" zijnde. En het derde mag ook niet verzuimd, daar 't geen in verband staat met het bestuur en de regeering van land en volk en de inrichting van den Staat een christen, die bidt: „Uw Naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede gelijk in den hemel alzoo ook op aarde" zéér zeker ter harte moet gaan en we in onze jonge jaren, wanneer onze „bildung", onze „vorming" moet plaats hebben, dan ook zeer zeker van deze gewichtige dingen moeten hooren. Wat ook zij begrijpen en voelen, die z.g.n. tegen behandeling van politiek op jongelingsvereenigingen zijn, wat blijkt uit het feit, dat als men het heeft klaargespeeld, dat b.v. geen antirev. politiek zal worden behandeld, men zelf duchtig niet-antirev. politiek propageert! Men roept dan „geen politiek", om de handen voor de politiek vrij te krijgen, maar dan een andere politiek dan wij, gereformeerden, behooren voor te staan!
Zulk handelen is wel héél „politiek" ; maar dan het woord "politiek" in heel ongunstigen zin genomen.
Bij de „bildung" (in dit Duitsche woord komt zoo mooi uit, dat het beeld Gods in den mensdh gevormd moet worden) of vorming van onze jongelingschap (wij denken aan het woord van Paulus in 2 Tim. 3 : 17: "opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust") moet natuurlijk worden uitgegaan van beginselen. We moeten bij dat werk langs rechte en vaste lijnen gaan. En die vinden we in de H. Sdhrift en in onze Drie Formulieren van Eenigheid. Daarom ligt het vlak voor de hand, dat we een Bond van Herv. Jongelingsvereenigingen hebben opgericht met die gereformeerde belijdenisstukken ten grondslag.
Waarom zouden we voor onze jongemannen in deze mooie stukken, die God ons in Zijn ongehoudene goedheid gaf, niet ons uitgangspunt kiezen bij al ons „vormend" werk?
Natuurlijk is er een strooming onder de jongeren, die principieele bezwaren hebben tegen de Drie Formulieren van Eenigheid. Die jongens willen het anders en weten het dikwijls beter dan in onze belijdenisschriften is uiteengezet; waarbij die jongens niet zelden door ouderen dan zij zijn, worden gesterkt in hun antipathieën tegen de gereformeerde leer; ouderen, die beter moesten weten en die, wanneer ze de jongeren opzetten tegen de gereformeerde leer, dan ook maar royaler moesten zeggen, dat zij de gereformeerde leer , "haten als de pest." Er kon dan met open vizier gestreiden worden en het zou blijken, dat velen, ook van de ouderen niet eens kennen wat ze bestrijden; dat ze zelfs vaak niet eens gelezen hebben (Ned. Gel. belijdenis in 37 artikelen of de Vijf Leerregels van Dordt), wat ze veroordeelen en verwerpen!
Een strooming is er, die principieele bezwaren heeft tegen de Drie Forimulieren van Eemigtheid; en ja, dan moet de een dezen kant uit en de ander moet naar den anderen kant heen. Bij elkaar gaat niet, omdat men niet bij elkaar hoort. Wat op grond van Gods Woord, gescheiden is, zal de mensch niet samen voegen!
Zoo hebben we gevoeld, dat voor onze Hervormde jongelingen (knapen en meisjes eveneens) een afzonderlijke organisatie noodig was. Want ja, er was (en is) wel het Nederlandsch Jongelingsverbond; doch, dat is in geestesrichting „ethisch"; niet alleen dogmatisch, wat de „leerstukken betreft, ook wat de beschouwing der „Kerk" aangaat. Veel goeds kan men in het Nederl. Jongelingsverbond waardeeren; en wij doen het gaarne. Maar 't is geen kweekplaats voor de jongens van gereformeerden huize; voor hun „bildung", vorming niet geschikt! Want wel zijn er menschen, die zeggen: stuur ze er maar heen, dan kunnen ze daar een invloed ten goede uitoefenen. Maar ten eerste gaan onze jongens naar een Vereeniging om „gevormd" te worden en dat laat men dan bij voorkeur niet doen door particulieren, onderwijzers, leeraren van Kweekscholen, enz., die „ethisch" zijn; waarbij ten tweede het gevaar van door anderen meegevoerd te worden veel grooter is dan dat zij op anderen invloed ten goede uitoefenen. „Gij zult den Heere, Uwen God, niet verzoeken" staat er. Wat meer klemt, dan de menschelijke redeneering: „onze jongens kunnen misschien nog een invloed ten goede uitoefenen!"
Wij moeten kweekplaatsen hebben in school en vereeniging, waar gereformeerde onderwijzers en gereformeerde leiders zijn; anders gaat het verkeerd met onze kinderen en onze jongens. En dan is het ook trouwens onze eigen schuld. We moeten van het begin afaan toezien; daar zijn we verantwoordelijke menschen voor!
Onze geref. jongens uit Herv. kringen zijn 'n afzonderlijke organisatie waard! Ze wenschen geleid te worden in geref. banen, om meer en meer het mooie van onze geref. belijdenis te zien en de geref. waarheid te leeren kennen als een lichtend licht en een zoutend zout. Daarbij moeten we ons intensief bezig houden met de vragen van onze bange dagen en onze jongelingen (en knapen en meisjes) aan de hand nemen, om met hen ernstig over deze dingen te spreken, alles belichtend met het licht van Gods Woord en de waarheid onzer belijdenisschriften. We mogen ons niet terugtrekken in zelfvoldaanheid, niet tevreden zijn met wat verkregen is. We moeten bewaren wat we hebben en in goeden, gezonden zin dan naar vooruitgang staan. Waar bij onze roeping ten opzichte van de Kerk, de School, den Staat, de Maatschappij, de wereld ons voor oogen moet staan. We "' moeten de oude paden" niet verzetten, die onze Vaderen gemaakt hebben, maar we moeten ook verder wandelen, vooruit, doch „in rechte paden .Geen radicalisme. Men moet het historisch gewordene maar niet met wortel en tak gaan uitroeien en opruimen. Dat is bolsjewistisch!
En we krijgen op de ruïne revolutie-bouw!
Maar aan den anderen kant moeten we niet alles wat de jongeren vragen met een hooghartig gebaar van ons afschuiven. We moeten de jongeren welwillend tegemoet komen, met hen meevoelen en met hen arbeiden — ook, waar 't noodig is, ernstig hen waarschuwen. Want de gevaren dreigen van alle kanten: dogmatisch, door allerlei redeneeringen, die 't geen heilig is te na komen; wat levenswijze aangaat, die der wereld gaat gelijk worden; ook in zake litteratuur en het wegloopen met moderne, ongeloovige schrijvers en schrijf­sters. Gevaren zonder tal! Omdat zóó de dingen staan moeten we beginnen onze Organisatie in eigen sfeer goed en degelijk inelkaar te zetten; gelijk we getracht hebben te doen in den jare 1910. Toen kwam op ons aan dat woord: „opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust" 2 Tim. 3 : 17. En voor dat „toerusten" van het zaad der Kerk, van onze jongelingschap, is allereerst noodig vast te houden aan het vers, dat onmiddellijk voorafgaat aan bovengenoemd Schriftwoord n.l: Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is" (2 Tim. 3 : 16). Dat fundament moest voor onze Organisatie gelegd worden: Al de Schrift is van God ingegeven". En we begrepen, dat we dan niet bij de Ethischen moesten zijn; we moesten een „eigen" Bond hebben, een Bond op gereformeerden grondslag. 't Is dus geen bet-weterij, geen stijve, stuursche, halsstarrige narigheid die ons tegenover en naast het Ned. Jongelingsverbond een plaats deed reserveeren voor onze Hervormde jongelingen van gereformeerden huize. Neen, 't was en is een beginsel-kwestie.
Met een algemeen-christelijk beginsel, zóó verheven, dat het boven geloofsverdeeldheid uitgaat, kunnen we niet volstaan; mogen we geen genoegen nemen; we moeten het als onbruikbaar verwerpen. We hebben liever hetgeen beter is dan hetgeen minder-goed is. Als dus het Wereldverbond met het Parijsch-statuut zegt: „de Christelijke Jongelingsvereenigingen hebben ten doel jongelieden te verzamelen die Jezus als hun Heiland aanzien, naar den regel der Schrift hun leven begeeren in te richten en bereid zijn om, voor hun deel, aan de uitbreiding van het Rijk Gods te arbeiden — waarbij geen verschil van meening de broederlijke gemeenschap der vereenigingen onderling storen mag" — dan is dat voor ons on-aannemelijk. Want dan voelen we, dat de Gereformeerde Waarheid het loodje moet leggen. Want dan moet fundamenteele ..... stukken worden geen. Dan komt, wat voor ons hoofd, is, er erbarmelijk slecht af; ter wille van „de eensgezindheid".
De bedoeling is natuurlijk vogels van diverse veeren onder de vleugelen van het Ned. Jongelingsverbond te kunnen huisvesten, velerlei kleurschakeering is welkom, maar dat kan nu eenmaal niet. Temeer, waar naar ónze opvatting het doen van een Jongelingsvereeniging niet bekeeringswerk of evangelisatiewerk, maar bildung, vorming van het zaad der Kerk, van onze jongelingsdhap als hoop der toekomst, naar de ideaal-woorden van Paulus: „opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust".

Dan moeten we het over het beeld Gods in den mensch, den gevallen mensch, met elkaar eens zijn, willen we aan de „bildung", aan de vorming van onze jongelingschap naar behooren kunnen werken. En dat brengt ons bij de verkiezing Gods, bepaalt ons bij het verbond Gods, dat doet ons in aanraking komen met wedergeboorte en Bekeering — in één woord, dat bepaalt ons bij al die onmisbare zaken, die in onze gereformeerde Belijdenisschriften zoo keurig uiteengezet zijn.
Moeten we dus in deze met onze jongens in een omgeving verkeeren, waar men over al die fundamenteele, geestelijke dingen anders denkt, on-gereformeerd niet zelden, heel dikwijls sterk anti-gereformeerd, dan is dat voor ons toch een sfeer waar we het met onze jongens niet kunnen uithouden; waaruit we noodzakelijk weg moeten!
En daarom onze eigen Bond, met eigen sfeer en werkwijze, om onze jongens daar zoo deugdelijk mogelijk tot alle goed werk toe te rusten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's