Stichtelijke overdenking.
En neem Uwen Heiligen Geest niet van mij
En neem Uwen Heiligen Geest niet van mij.Psalm 51 vers 13b.
Velen kunnen gemakkelijk buiten den Heilige Geest leven. Als zij in armoede en gebrek verkeeren, hooren zij gaarne van een God, die als Vader in de hemelen hun broodkast kan en wil vullen. Daaraan hebben zij dikwijls genoeg Anderen, die consciëntie-angst kennen over bedreven kwaad, zijn spoedig tevreden wanneer zij zich uit het Evangelie herinneren, dat Jezus voor zondaren stierf. Zij eigenen het zich gemakkelijk toe en leven gerustelijk voort. Feitelijk gelooven zulken niet in een drieëenig God, maar hebben aan een tweeënig God genoeg.
Weet ge wie den Heiligen Geest noodig hebben? Zij die zondaar voor God werden, die bij het gezicht van de onreinheid huns harten, vernieuwing door den Heiligen Geest behoeven. Verder, die den Heere met Zijn gemeenschap missen. Zulken hebben den Heiligen Geest noodig, niet alleen om wedergeboren te worden ........................ verkrijgen en te kunnen sterven, maar ook om te kunnen leven. Zij stemmen met Davids bede in: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij". David bezat blijkbaar den Heiligen Geest en kende Hem in Zijn onmisbaarheid.
De gansche psalm, waaruit deze bede genomen is, wijst er op, als wij het anders niet zouden weten, dat David wedergeboren was. Hoe had hij anders zoo kunnen bidden, zichzelf mishagend en verfoeiend, maar toevlucht nemend tot den genadetroon Gods? De Heilige Geest is missdhien reeds tot hem gekomen in zijn prille jeugd, om hem te wederbaren en te leiden in de waarheid van Gods gerechtigheid en genade.
Den Heiligen Geest heeft David bezeten in zijn profetisch ambt. Toen hij als schaapherder. neergezeten bij de kudde zijns vaders, de drijving des Geestes ervoer, om bij het tokkelen der harp te zingen van den God zijns vredes, die hem als een Herder leidde aan zeer stille wateren der rust. Maar ook toen de stormtijd zijns levens kwam, was het de Heilige Geest die hem op zijn zwerftochten bezielde, die hem in zijn psalmen deed klagen, schuld belijden, roepen om genade en hulp, of ook, die hem zijn hart deed uitstorten in woorden van geloof, hoop en liefde.
Als koning was hij ook gezalfd met den Heiligen Geest, die hem wijsheid en leiding gaf, om met geestdrift en geestkracht zijn volk te regeeren en te beschermen, als gunstgenoot des Heeren. David had een veelbewogen leven achter zich. Den eenen dag weidde hij de schapen in Efrata's velden en den anderen dag stond hij als strijder Israels tegenover den reus Goliath. Hij kende het weeldeleven aan Sauls hof, maar ook 't vluchten in woestenijen, vervolgd als een ree op de bergen. Hij heeft gestaan bij de puinhopen van al zijn aardsch bezit en geluk in het verbrande Ziklag en als balling gezworven in der Filistijnen land. Als koning was hij dikwijls omringd door vijanden en huichelende vrienden. Maar in droefheid heeft hij de vertroosting des Heiligen Geestes ervaren en in doodsgevaren leerde de Heiige Geest hem Zich te sterken in den Heere zijn God. Nu echter bidt David in angst en kommer: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij".
Zoo smeekt ieder kind des Heeren, dat door zonde verrast, van zijn God afgedwaald, de zalige invloeden des HeiIigen Geestes mist. Het is als een kind, dat in een groote stad, door allerlei schitterends verlokt de hand zijner moeder heeft losgelaten. Straks, omringd door allerlei gevaren, ziet het zijn moeder niet meer en wendt het zich schreiend en angstig naar allen kant, roepend om zijn moeder.
Er was groote oorzaak, dat David vreesde, verlaten te worden van den Heiligen Geest. Is de naam van den derden Persoon in het Goddelijk Wezen niet Heilige Geest? En David had zwaar gezondigd, toen hij bad: Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij". Zijn zonde met Bathseba, de dood van Uria zijn ......... van zware ongerechtigheid voor God. Deze zonde is in Gods Woord beschreven, opdat niet Davids val, maar zijn schuldbelijdend wederkeeren tot den Heere, ten voorbeeld zou zijn.
Toen keizer Theodosius door den kerkvader Ambrosius bestraft werd omdat hij in toorn zeven duizend menschen had laten ombrengen, wilde hij zich verontschuldigen met een beroep op Davids zonde. Maar de kerkvader antwoordde: "Gij hebt David gevolgd in zijn zonde, volg hem ook in zijn berouw". Want David smeekt hier in diep schuldbesef.
Immers de profeet Nathan was tot hem gekomen en had tot hem gezegd: Er waren twee mannen in eene stad, de een, rijk en de ander arm. De rijke had zeer vele schapen en runderen. Maar de arme had gansch niet, dan een eenig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk: het at van zijn bete en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als eene dochter. Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijne schapen en van zijne runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was". Vertoornd en verontwaardigd riep David uit: „Zoo waarachtig als de Heere leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods! En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft". Dan is het als een bliksemstraal, die neerschiet wanneer Nathan onmiddellijk zegt: „Gij zijt die man !" De zonde met Batlhseba, het laten dooden van Uria, haar man, worden David voor oogen gesteld in het licht van de rijke zegeningen, die de Heere David geschonken had. En hij hoort het oordeel, dat God over hem en zijn huis brengen zal. Dan valt de koning voor God in de schuld met de woorden: „Ik heb gezondigd tegen den Heere!" En Psalm 51 en 32 toonen, hoe David met gebroken hart in zelfaanklacht zijn schuld heeft beleden voor den Heere.
Hij zegt o.a. in vers 4: „Mijne zonde is steeds voor mij. Hij ziet één zonde, maar als een adderennest: begeerlijkheid, ontucht, doodslag, onbarmhartigheid, huichelarij, valsche raad, verblinding, kruipen over elkaar.
„Mijne zonde is steeds voor mij". Maar ook voor het volk, dat er schande over riep, voor de vijanden, die er over juichten, voor de rechtvaardigen, die er leed over droegen, voor Nathan, die ze kwam bestraffen, voor God, die er over toornde. En dat hij, de koning Israels, de voorganger zijns volks, de Gezalfde des Heeren, het kind Gods, zoo diep gevallen was!
„Mijne zonde is steeds voor mij". Nacht en dag brandde 't als een vuur in zijn geweten en stond het als een berg van schuld voor het oog zijner ziel. Schreef hij een brief, dan moest hij denken aan den brief, die hij Uria meegaf, kwam hij op het dak, dan ........... badwater aan, waar de .......... van de badende Bathseba, zijn lusten had opgewekt. Lag hij op zijn leger, dan weerde zijn zonde de sluimering van zijn oogen, evenals keizer Nero later des nachts de vermoorde Christenen voor oogen had, zoodat hij in angst vluchtte van kamer in kamer.
Er was alle reden voor God, om Zijn Heiligen Geest van David weg te nemen. David besefte: hoe zou de Heilige Geest wonen bij zulk een goddeloozen zondaar die zich had laten leiden door de geesten der wereld, des vleesches en des satans? Hij had den Heiligen Geest beroefd en uitgebluscht van zijn zijde. Getuigden zijn doodsheid en dorheid der ziel niet, dat God bezig was Zijn Geest in te trekken? Waar waren de gaven des Geestes van geloof, hoop en liefde, die anders zijn zieleleven vervulden? Die angst van David overvalt ieder kind des Heeren, als het afgezworven, ontdekt wordt aan de zonde of zonden, die scheiding maken tusschen God en onze ziel. De Heilige Geest wijkt terug en een booze geest neemt Zijn plaats in. Zal men als Saul straks een prooi worden van de geesten uit den afgrond?
Ieder waar kind des Heeren kan het echter onder dat besef niet uithouden. De onbegenadigden als Saul en Judas, gaan steeds verder van den Heere af, tot ze in zelfmoord een eind aan hun leven maken. Maar de door Gods Geest ontdekte, die als David in het woord van Nathan de stem des Heeren heeft gehoord, komt in het dal van ootmoed aan 's Heeren voeten, om schuld te belijden. Daar wordt gesmeekt om genade en reiniging des harten, maar ook met David de bede geslaakt: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij".
't Is opmerkelijk, hoe Sau en David beiden in de zonde zijn gevallen. Beiden toonen berouw. Saul is verworpen en David in genade aangenomen, 't Is te verstaan, dat menigeen de zonde van Saul minder zwaar oordeelt dan die van David. Saul had gansch Amalek met al hun have moeten verbannen, maar hij had 't beste vee verschoond en den koning Agag in 't leven gespaard. Daarom wordt hij bij monde van Samuel, door den Heere verworpen. Aangrijpend is 't verhaal dat ge daarvan leest in l Samuel XV. Als Samuel de ontzettende tijding zijner verwerping brengt, zoekt Saul zich eerst te verontschuldigen, dan echter belijdt hij schuld en verzoekt Samuel met hem te gaan, om den Heere te aanbidden. Als Samuel weigert, grijpt Saul hem bij den mantel, die scheurt. De profeet zegt dan, dat zoo het Koninkrijk Israels van hem gescheurd is. Daarop belijdt Saul nogmaals schuld met te zeggen: „Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks en voor Israël; en keer wederom met mij, dat ik den Heere uw God aanbidde". Dat middelste gedeelte: „eer mij toch voor de oudsten mijns volks en voor Israël", toont echter wat bij Saul het gewichtigste is en hoe licht men zijn schuldbelijdenis moet taxeeren. Hij heeft berouw over zijn zonde, om de gevolgen, het verlies van het koningschap.
Hoe verschillend met David ..................................berouw over de gevolgen van de zonden, vreest het ergst het koninkrijk te verliezen, en wanneer hij dan uit Samuels woorden begrijpt dat de Heere hem verworpen heeït, gevoelt hij niet het ontzettende van die verwerping zelf, maar zoekt hij Samuel voor zich te winnen, dat hij uitwendig toch als koning voor de oudsten en Israël door Samuel zal geëerd wonden.
Hoe anders bij David. Hij belijdt zijn zonde, niet slechts voor Nathan en God, maar ook voor-het volk. Hoe anders zouden wij in het bezit zijn van Psalm 51 en 53. Hij vreest niet het meest dat zijn koninklijke eer er onder lijden zal, daar hoort ge hem zelfs niet over spreken, maar het meest vreest hij het verlies van den Heiligen Geest, dus de gemeenschap met zijn God.
Hoe velen zijn op godsdienstig gebied aan Saul gelijk: Bedroefd om de zonde vanwege de gevolgen; men wenscht den Heiligen Geest om in den hemel te komen en wil daarom ook vergeving van zonde. David echter is het om God zelf te doen. Hij kan niet buiten den Heiligen Geest en Zijn werkingen. Hij wenscht gerechtvaardigd te worden, zeker, daar van getuigt het begin van Psabn 32, maar eveneens begeert hij den Heiligen Geest tot heiliging en reiniging des harten, opdat hij in Gods gemeenschap moge leven. Hoe smeekt hij in onzen tekstpsalm om een rein hart: „Schep mij een rein hart, o God! (vers 12a).
Hij heeft den Heiligen Geest noodig, om volvaardig in Gods geboden te wandelen: „en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest" (vers 12b), opdat hij niet weer valle. Door den Heiligen Geest begeert hij weer te komen in het licht van Gods vriendelijk aangezicht: „Geef mij weder de vreugde Uws heils" (vers 14a). Hij is zijn vrijmoedigheid van getuigen kwijt door zijn zonde. Daarom bidt hij: „en de vrijmoedige geest ondersteune mij, Zoo zal ik den overtreders uwe wegen leeren; en de zondaars zullen zich tot U bekeeren". (vers 15). Laten alle deugdzame steenwerpers, die David zoo verachten om zijn zonde, dezen boetepsalm van hem met ernst eens lezen. Een voorrecht is het, indien wij voor uitbrekende zonde als van David, bewaard bleven. Echter: „die sta, zie toe, dat hij niet valle". Maar dat ieder mocht verstaan de onmisbaarheid van den Heiligen Geest. Hoe zullen wij anders wedergeboren worden? En zonder wedergeboorte gaan wij met al onze deugd verloren. Gelukkig, wie zonder te vallen als David, toch eigen zwakheid leert kennen; de verdorvenheid zijns harten verstaande, ootmoedig naast David wil knielen in boete en berouw. Bid met David om dien Heiligen Geest, die door 't Woord den schuldverslagene wil vergewissen, wat Nathan tot David sprak: „De Heere heeft ook uwe zonden weggenomen". De Heilige Geest is immers uitgestort, om de verzoening, door Jezus Christus verworven, troostrijk te verzekeren aan wie treuren om hun zonden. Ja, moge al wie God vreest veel met David bidden: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij". Door Zijn getuige ................... Maar daarbij: Wie van Gods kinderen heeft kracht in zichzelf om te wandelen in het pad van Gods geboden? Hoevele zijn de gevaren, in-en uitwendig, waar onze doodsvijanden, Satan, wereld en eigen vleesch het op onzen ondergang gemunt hebben!
Daarbij, de eere Gods mag u niet en zal u niet onverschillig zijn, indien gij de grootheid van 's Heeren barmhartigheid in Christus ervaren hebt. En hoe wordt die eere Gods om uwentwil gesmaad indien gij in zonde valt. Maar inzonderheid het kind des Heeren kan Gods gemeenschap niet missen in leven en sterven, en heeft dus bij voortduring de invloeden des Heiligen Geestes noodig. Daarom, zoolang er een volk des Heeren op aarde is, zal uit dit land der zonde Davids bede opstijgen: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij".
U. B. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's