De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Op den Theol. schooldag te Kampen sprak ds. J. Douma, Geref. predikant te
's Gravenhage, over: „Evangelisatiepredikant", welk onderwerp in den laatsten tijd nogal besproken is en ook op de a.s. Particuliere Synode der Gereformeerde Kerken in N.-Holland aan de orde komt. Ds. Douma sprak als volgt:
Evangelisatie is een eisch des tijds. Ongeloof, anarchie en allerlei stelsels, maken slachtoffers. Nu is het tijd voor de kerk om te evangeliseeren. Alles heeft zijn bestemden tijd. Een vorig geslacht worstelde, om de oude waarheid weer boven te brengen; er is een tijd geweest, waarin men streed voor de Christelijke School; er was een periode dat men zich op de Zending concentreerde. Dat is nu gebeurd; de rails liggen, de spoor loopt, en wij hebben alleen voor vuur te zorgen in de machine. Daarom is het nu tijd om eens alle aandacht aan Evangelisatie te wijden. We moeten een bestudeerd, een academisch onderlegd prediker hebben, b.v. voor de gestudeerden en studeerenden: voor de verdediging van het Christelijk geloof, al slaat spreker deze apologetische voordrachten niet zoo hoog aan, zooals in de Hervormde Kerk, die men redden wil door een congres tegen Rome en vrijdenkers. Maar al brengt redeneeren niet tot het geloof, het geloof brengt wel tot redeneering. Verder: er moet een flink Ev. blad komen (niet de versplintering van thans) en lectuur, en dat is moeilijk werk; men moet de ziel der menschen en den tijd kennen. Ook moeten er cursussen zijn tot leiding van bv. arbeiders. Er moet iemand wezen, die organiseeren kan. Naast vroomheid en goeden wil (die het Heilsleger voldoende acht) moet er systeem gevonden worden; de werkers worden zonder leiding vaak eenzijdig en eigenwijs, ze kunnen niet altijd geven, als ze niet ontvangen.
Wij moeten een predikant hebben, om als motor de vele gaven in de gemeente mobiel te maken, om alles goed te laten werken. Als men wel Kaffers en Maleiers wil bekeeren, maar de drinkebroers en fatsoenlijke menschen, de onkundigen met den Bijbel wil laten lopen, dan is de dood in den pot; en na enkele generaties zijn we hard achteruit. Bij ons kan het. Wij hebben geen ricihtingsstrijd. En bij ons behoeft men niet uit het ambt, als men Evangeliseeren wil, zooals in de Hervormde Kerk is gebeurd. Laten de studenten zich eens afvragen: Is 't niet iets voor mij? Moge de zoekende liefde van den Heiland ons den weg wijzen tot voldoening aan de diepste behoeften van onzen tijd — zooals onze Koningin op het Congres voor Inwendige Zending eenmaal zeide.
Vervolgens sprak prof. dr. A. Noordtzij, hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Utrecht over „Schriftonderzoek" het volgende:
God heeft in Zijn Woord Zijn licht ontstoken voor ons, die in duisternis dwalen, en den vollen rijkdom van Christus volkomen geopenbaard. Met alle liefde onzer ziel keeren we altijd weer tot den Bijbel terug, om dat te onderzoeken, omdat door dat Woord de wondere vrede, die alle verstand te boven gaat, in de menschenziel kan inkomen. Nu zijn er duistere dagen geweest voor Schriftbeminnaars. Men heeft een stormloop op den Bijbel gewaagd. Men heeft de Schrift, de zelfopenbaring Gods omgegoten tot een belijdenis van vrome voorgeslachten; toen was God uit Gods Woord uit ; er was geen onverbiddelijke eisch en geen onveranderlijke norm meer. Dat gebeurde wetenschappelijk en met groote volharding. Men zei, dat het een niet te verdedigen waan was, om in de Schrift Gods verlossend woord en bevrijdende daden in het menschenleven te vinden. Dit waren donkere dagen voor degenen, die door God in het hart waren gegrepen en uit de Schrift leeren. Wel hangt het geloof niet af van de al-of niet toestemming van Gods Woord door de wetenschap; want God bindt ons hart zelf aan Zijn waarheid. Geloof is niet vrucht van verstandelijke overwegingen en wetenschappelijke kennis. Maar toch, wie zich aan het onderzoek van Gods Woord wijdt, wil dat Woord in zijn betrouwbaarheid aan de menschen en ook aan hun verstand doen kennen. Want wat in het hart van den mensch als waar wordt erkend, wil ook het verstand als waar zien. We moeten weten, dat we geen kunstig verdichte fabelen zijn nagevolgd.
Maar toen de ongeloovige wetenschap met overstelpende bewijizen aankwam, stonden de geloovigen beduusd en hadden ze eerst niet, wat ze den ongeloovigen in de poort zouden hebben te zeggen. Er is echter verandering gekomen. Straks werd gesproken van wonderen op Zendingsterrein. Ook hier, ten opzichte van het Schriftonderzoek, heeft God wonderen gedaan. We hebben leeren begrijpen, dat God, de eeuwige en absolute, Zich heeft gehuld bij Zijn open baring in de vormen van menschelijken tijd; en door de onderzoekingen daarvan heeft des te meer de Schrift haar waarheid voor ons verstand weer gevindiceerd. In de laatste jaren is ook in de kringen van hen, wier hart niet gebonden is door Christus aan de Schrift, erkend, dat de oude gemeente altijd heeft gelijk gehad, en dat de geschiedenis, die de Schrift geeft, betrouw baar is. Dit werd door Gods kinderen nooit vermoed. Dit eene wonderwerk valt in vele wonderen uiteen. Spreker noemt nog een ding. Toen de golf van Schriftvernietiging kwam aanrollen meende Schleiermacher, dat Gods kerk niet meer op het objectief, historisch gebeurde, maar op het subjectieve ervaringsleven den nadruk moest leggen. Men heeft getracht te doen, wat iemand doet, die een ladder rechtop zet en er boven op klimt, om dan de ladder te laten vallen, in de meening dat hij nu op dat hoogtepunt zou blijven. Wie poogt het objectieve op te geven, zal zweven en zinken. Maar uit ditzelfde Duitschland, in de jong-Zwitsersche school, roept men nu weer om het objectief gegevene. Men grijpt weer naar de waarachtigheid van Gods Woord.
Het voorafgaande geslacht, nu nog vertegenwoordigd door prof. Lindeboom, heeft gestreden. Wat kon wijlen prof. Noordtzij klagen over de moeilijkheden, om de waarheid van Gods Woord verstandelijk te betoogen. Maar de toestand is veranderd — we hebben den pijlkoker weer vol en kunnen laten zien, wat God heeft gedaan, om menschen te redden. Laat ons God danken voor dat wonder; maar ook bidden, dat de jongeren in dit tijdsmoment niet alvloeien in het subjectieve. Wat zou het tragisch zijn, wanneer wij, nu buiten ons het objectieve weer wordt gezocht en gegrepen, weer tot het subjectieve zouden terugkeeren. Het zieleleven heeft natuurlijk groote waarde, want Christus bindt ons hart, niet allereerst ons hoofd aan zich. Daarom moeten we door geloof aan de Schrift gebonden zijn, vóór we het objectief voor ons liggende Woord onderzoeken. Maar dan hebben we ook de roeping, om al het licht, dat over het Woord, ook door den arbeid van ongeloovige onderzoekers is opgegaan, bijeen te zamelen. Want als Christus, ons roept, is dat niet om ons terug te trekken, maar, om het licht in het midden der wereld te plaatsen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's