Stichtelijke overdenking.
Dicht bij den Heere
Hand. 2 vers 43 en vlg.
Dicht bij den Heere.
Daar zijn niet vele dingen, waarover men het in onzen tijd eens blijkt te zijn. Wat altijd als achtenswaardig heeft gegolden, daarover haalt thans menigeen de schouders op, en waarvoor de een waarschuwt als een gevaarlijke nieuwigheid, daarvan verwacht de ander heil en haakt er naar met al de krachten hem gegeven. Daar is een veelheid van levensopenbaring en een aanzien der dingen zóó veelzijdig, dat er haast geen twee gedachten zijn welke elkander dekken. Elke positieve uitspraak heeft dan ook kans tal van bestrijders te vinden. En toch waag ik het ééne uitspraak te laten hooren, één oordeel te vellen, waarop ik, inplaats van critiek van velen, den bijval verwacht zoo niet van velen, toch van verreweg de meesten.
Welke uitspraak dat zijn zal? Deze. Daar is een liefdeloosheid losgelaten in onze dagen, waarvan zich moeilijk de wederga laat wijzen. Dat 't schrikwekkende tijden zijn welke we beleven, behoeft niet gezegd; dit voelt ieder. Ontzettende tijden, die we beleven. De haat en vijandschap, de lust elkander te verderven is onder de volken nooit in zulk een vastbeslotenheid, nimmer in zoo'n taaiheid van volhouding doorgezet als thans. Wat een verdeeldheid. In hoevele brokken en stukken viel het volk dat voor één God zich buigt, van één Christus zijn heil verwacht, één geloof belijdt, één doop heeft, ééne zaligheid tegengaat, uiteen. Hoe is hier de liefde verkoeld. Wat een eigenzinnigheid blijkt hier te heerschen. Ieder zoekt z.g.n. het welzijn van zijn eigen kring, en, om geen sterker woord te kiezen, hoe koud en onverschillig laat menigeen wat wegzwierf en wegzonk, onbewogen vergaan. „Liefdeloos". Zoo werd als kenmerkende eigenschap geschreven op het voorhoofd onzer dagen. Is er iemand onder u, lezers, die er iets tegen durft in te brengen? We geloven het niet. We willen hier aan dadelijk een vraag vastkoppelen. Is er iemand die dezen toestand verdedigen durft? Denkt slechts aan dit ééne woord: hieraan zullen ze allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander. Daarnaar roept, hierom schreit onze tijd. Zullen we evenwel de vruchten willen, zoo moet aan den voet van den eenigen stam waarvan zij afvallen, wederom worden plaats genomen.
Weet dit: het hart des menschen levert niet anders op, van den wereldakker wordt niet anders ingezameld dan haat, nijd en doodslag, maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdsdhap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Willen we dit in aanschouwelijke lijnen ons zien voorgesteld, zoo leggen we u voor wat ons beschreven staat omtrent de moedergemeente uit Hand. 2: En eene vreeze kwam over alle zielen, enz.
Hier behoeft nog niet onmiddellijk gedacht te worden aan eene vreeze, die op de knieën bracht, die tot God bekeerde. Het kan ook zoo worden verstaan, dat vijanden voor een wijle zich als gebonden voelden. Zij konden niet verstorend tusschen beide treffen. We zouden zeggen: de ovenmacht van Gods Geest bleef op dien van den Duivel. Rijk en arm, aanzienlijk en onaanzienlijk, allen kwamen onder den indruk. Is dit niet iets bijzonder heerlijks? Wanneer vanwege de overvloeiende genade Gods de wereld een oogenblik met verbazing het hoofd keert, vragende, wat dit te beteekenen heeft. Weest er verzekerd van, dam is het geschudde maat, als het gelden mag:
Toen hieven zelfs de heid'nen aan,
De Heer' heeft hier wat groots gedaan.
Ontkennen hielp niet. Wat ieder zag, moesten ook zij toegeven: vele teekenen en wonderen geschiedden door de Apostelen. Blijft er nu wel een mogelijkheid anders open dan te belijden: wat geeft de Heere aan die Hem dienen wonderlijke vermogens. Niets kunnende discipelen zetten de wereld in verbazing. Daar viel eene vreeze op allen. Was er een uitvloeien van genade naar de buitenzijde, naar binnen was 't nog rijker. Er leeft in 't menschenhart van nature slechts ééne gedachte: wat levert het mij op, wat heb ik er aan? Al heeft men vaak den mond vol van naastenliefde en laat men het voorkomen alsof het gemeenschappelijk heil een der drijfveeren is van heel het doen, hoe jammerlijk was vaak de ontgoocheling. Het bleek te zijn pure eigenliefde.
Hier is iets anders. Hier is een andere wortel, vandaar ook een andere vrucht. De Geest des Heeren zat hier voor en waar Deze werkt met ongemeene kracht, ziet ge hier ook een uittreden van wat deze aarde eenmaal sierde: de liefde der broederen werd in daden vertolkt. Niemand heette iets 't zijne meer. Men beschouwde zichzelven niet als eigenaar, doch als beheerder van goederen, welke God hun had toebetrouwd.
Te veel is afgeleid uit de woorden: „en zij verkochten goederen en have en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van noode had", zelfs is de lijn zoover doorgetrokken, dat de strijders tegen elk persoonlijk bezit hebben verkondigd: ziet hier ons ideaal. Wat hier duidelijk wordt weergegeven is dit: wat nauwer bij den Heere, wat dichter bij elkander. Er was niemand in deze Gemeente die gebrek leed. Het vloekte niet tegen elkander. Hier gold: de een had niet over en de ander niet te kort. Is hier niet voor een enkele opmerking ruimte?Van vele zijden is naar dit liefelijk tafereel het hoofd gewend. Zoo begeeren wij het nu ook, zegt de man, die niets van deze moedergemeente overnemen wil dan enkel dit samenzijn.
Och, gelooft hem niet. Wie deze liefdebloem wenscht te plukken, moet eerst vragen naar den naam van dezen hof, of nog beter, naar dien van den Eigenaar. De wereld, welke stelsels ook door haar worden bedacht, zal het nooit zoo ver brengen. Wat meer gejaagd wordt naar den vrede, wat verder hij zich hier verwijdert. Een leven met God, geleid door Zijn Geest, laat alleen deze vruchten achter. Eén woord, éen leven, éen liefde, éen Christus, zoo mag van de eerste christengemeente worden getuigd. Met verheuging en eenvoudigheid des harten was men tezamen. Maakt het uwe jaloerschheid niet gaande, lezers?
Verheuging en eenvoudigheid zijn zeker wel twee planten, in onzen hof zeer weinig voorkomende. 't Zijn wel twee planten, maar de wortels liggen niet ver uiteen. Zou daarom de verheuging niet zóó zelden worden aangetroffen, wijl de eenvoudigheid des harten ontbreekt? Ziet, de vreeze des Heeren maakt pas eenvoudige harten. Dan ziet men 't pas wie en wat wij geworden zijn door de zonde, dan merkt men het voor goed wat wij waard zijn, dan geeft men het zoo volmondig toe: God alleen is groot en wij beteekenen niets. Tusschen nederige menschen is het gemakkelijk verkeeren; daar is een liefelijke omgang en daarvan straalt verheuging uit. Immers hier eindigt men nooit in zichzelven. Vandaar, dat ge ook leest: zij prezen God. En nu volgt de eene aanteekening de andere. „Zij hadden genade bij het gansche volk". De tol der eere kon hun niet worden onthouden.
Is dat niet iets schoons? Niet, dat dit menschen zal bekeeren, immers dan had zich een ieder moeten gewonnen geven, die den Heere Zelf gedurende Zijn omwandelingen had ontmoet, maar wat dit wel voor heeft, dat Gods werk in dit alles zoo duidelijk uittreedt. En wat ook niet verzwegen mag worden: zulk een stille hulde van een buitenstaander spreekt zooveel luider dan van een der broederen. God wordt er in verheerlijkt. En zou het nu wel anders mogen worden verwacht? Het slot luidt aldus: „en de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden".
Het staat niet los naast elkander. De Heere maakt het zeker waar: die Mij eeren, zal Ik eeren. De uitbreiding van het Koninkrijk Gods heeft plaats als de discipelen mogen wandelen in de vreeze des Heeren. En dat is zeker wel het allerschoonste. Daar is geen enkele vrucht, welke het hierbij haalt. Een liefelijk samenzijn, een gemeenschappelijk leven, een goede naaan bij de menschen, het is alles prijzenswaardig, 't Kan onze jaloerschheid gaande maken, maar wat als slotuitkomst naar voren wordt gebracht, stelt alles in de schaduw. Dagelijks werden toegedaan tot de Gemeente, die zalig werden. Niet, dat het ledental zich uitbreidde. Och, het mag den hoogmoed streelen van den mensch, als het getal uitwendig groeit die zich voegen bij de Gemeente, 't blijken vaak geen vruchten van Gods akker. Maar wat hier staat, laat geen twijfel open, dat het goed werk, was: de Heere deed toe tot de Gemeente, die zalig werden. Dagelijks kon worden getuigd: alweer één toegevoegd; al weer heeft iemand de knieën gebogen; al weer wordt de roem des Allerhoogsten verkondigd.
Van dit punt uit willen we den blik eens laten rondgaan. Vele zijn de klaagtonen welke beluisterd worden. In geen enkelen hoek is het stil. Naast tijdelijke zorgen is er ook een zuchten onder de liefdeloosheid. Niet alleen op maatschappelijk terrein, hoewel dit niet alleen en op zichzelf mag gedacht, immers ons dagelijksch leven is geen eiland, dat ergens drijft midden in de zee, maar het hangt samen met de geestelijke wereld. Ook hier trilt door wat er voor leven wordt gevonden op het erf des Heeren. Niet alleen op het terrein van staat en maatschappij, maar overal is een kilte, een doodschheid welke huiverig doet vragen: waar gaan we heen? Ja, waar gaan we heen? Dit is een alles-inhebbende vraag. Hoe moet zij worden beantwoord? Zouden wij niet terug moeten naar 't punt van uitgang? Aan de voeten van den Heere Jezus Christus, zooals Hij uitgedragen werd en verkondigd door de Apostelen. Als bedelaars voor God: allen even schuldig. Zou dan ook niet in het maatschappelijk leven eene doortrekkende lijn gezien worden? Zou er zich dan ook niet een geestelijke lentegeur verspreiden, welke het harte verkwikt van rijk en arm?
Moet nu met schaamte vaak niet worden toegegeven, dat de wereld niet eens weet, dat er een Gemeente wegschuilt. Zij rekent niet in het minste met haar. Is dit op zichzelf reeds geen kleine zaak, wat 't allerzwaarste moet wegen is dit, dat zoo zelden wordt vernomen „deze en die is daar geboren". Daar worden zoo weinigen toegedaan. Zalig worden is niet iets, dat van den mensch uitgaat. Het staat hier wel zeer duidelijk: „de Heere deed dagelijks toe". Maar waarop onzerzijds de nadruk moet worden gelegd: staat ons dagelijksch leven, ons liefdeloos leven ook, wat hier zooeven werd genoemd, in den weg?
Wij hebben onszelven eerst te onderzoeken. Alle recht van klagen vervalt, als het niet van onszef uit begint. Zou Gods hand zich terugtrekken om dat zij niet behouden wil, of zou 't liggen aan gebrek aan teederheid onzerzijds? Daar is slechts één weg. Eendrachtelijk volhardende in bidden en smeeken. Ziet hier de roeping.
Naar liefde haakt elk menschelijk wezen. Naar liefde zoekt iedere ziel. Hoe beschamend toch, dat men uit zichzelve nooit zoekt en begeert, waar zij alleen te vinden is: alleen bij Hem; enkel aan de voeten van Christus.
Geve de Heere vooral in deze dagen ons een teeder harte, opdat in alles blijke dat Hij met Zijne genade niet is geweken van ons land en volk en dat nog menige ziel mag getuigen: door des Heeren hand werd ik geleid, zoodat de band der broederen versterkt werd en de liefde aangewakkerd, waardoor de Allerhoogste werd geprezen.
Utr. J.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's