Stichtelijke overdenking.
Johannes 3:7.
Toen Haman, de gunsteling van koning Ahasveros, teruggekeerd van den koninklijken maaltijd, met ophef kon vertellen van de heerlijkheid, die hij gezien, en de eer, die hij genoten had en kon mededeelen dat hij tegen den volgenden dag weer ter maaltijd was genoodigd, zeide hij: doch dit alles baat mij niets, zoo langen tijd als ik den Jood Mordechaï zie zitten in de poort des konings. Wat zou het voor dien ongelukkigen Haman beter geweest zijn, als hij met een zucht in zijne ziel had gezegd: doch dit alles baat mij niet, zoolang als ik niet weet, dat ik aan mag zitten aan den maaltijd van den Koning van hemel en aarde; want wat baat het een mensch, al gewint hij de geheele wereld en hij lijdt schade aan zijne ziel. Wat baatte het den rijken man uit de gelijkenis al leefde hij alle dagen vroolijk en prachtig, want hem wachtte de eeuwige smart! Wat baatte het een Nebukadnezar, al had hij dat groote Babel gebouwd, want hij had geen plaats in het huis des Vaders met zijne vele woningen! Wat baatte het een rijken dwaas, al had hij vele goederen opgelegd voor vele jaren, want hij had niets voor de eeuwigheid! Wat baatte het een Orpa, al kwam zij aan de grens van Kanaan, want zij kwam er niet in! Wat baatte het een rijken jongeling, al had hij nog zooveel goederen, want die goederen waren hem meer waard dan het Koninkrijk Gods!En zoo zouden wij kunnen doorgaan. Wat baat alles, en wij missen 't ééne noodige? Eén ding is noodig, zeide de Heere tot Martha, doch Maria heeft het goede deel verkoren, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.
Eén ding is noodig. Dat ééne noodige wordt op verschillende wijze genoemd, als: met God verzoend te zijn; vrede met God te hebben; het ware geloof te bezitten, enz., maar ook: dat wij wedergeboren zijn. Daarop wijst de Heere Nicodemus in Joh. 3 vers 7: „Verwonder u niet dat ik gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden". Het was voor Nicodemus een gedenkwaardige nacht, toen hij geen rust had in zijn consciëntie en als het ware door de onrust gedreven werd om 's nachts zijne woning te verlaten en naar Jezus te gaan. En als hij daar aangekomen is, handelt de hoogste Profeet en Leeraar met dezen leeraar over de wedergeboorte. Naar aanleiding hiervan staan wij een oogenblik stil bij:
I. De noodzakelijkheid der wedergeboorte;
II. De mogelijkheid der wedergeboorte;
III. De kenmerken der wedergeboorte.
I. De noodzakelijkheid der wedergeboorte. Het is opmerkelijk, dat de Heere met dezen Nicodemus zoo terstond begint te handelen over dit stuk. Als Hij met de Samaritaansche spreekt over 't levend water, vindt dat zijn aanleiding in het begeeren van het water uit de Jacobsbron. En zoo vinden wij het meermalen, dat de Heere uit het natuurlijke leven aanleiding neemt om over het geestelijke leven te spreken. En wat kan nu de aanleiding zijn om over de wedergeboorte te spreken? Nicodemus begint met te belijden, dat Jezus een leeraar is, van God gezonden; want niemand, zoo zegt Nicodemus kan deze teekenen doen, zoo God met hem niet is. Nu waren er velen, die in Zijnen Naam geloofden, omdat zij zagen de teekenen die Hij deed. Maar Jezus betrouwde hun zichzelven niet, omdat Hij ze allen kende. (Joh. 2 vers 23 en 24). Nicodemus is ook enigermate zoo'n geloovige, want hij doet belijdenis van zijn „teeken"-geloof. De Heere gaat nu door op die teekenen. Nicodemus is onder den indruk van deze teekenen, maar hij is onbekend met het bizonderste teeken, het grootste aller wonderen, n.l. de wedergeboorte. Het „teeken"-geloof is niet voldoende tot zaligheid. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. En dan later weer: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zoo iemand niet geboren wordt uit water en uit Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet ingaan". En daarna weer: Verwondert u niet, dat ik gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden". Dus tot driemaal toe wijst de Heere Nicodemus op de noodzakelijkheid der wedergeboorte. En daar had Nicodemus geen kennis aan. Hij wist, ofschoon hij een leeraar in Israël was, van deze dingen niets af.
Die echter eenigermate zelfkennis heeft, beseft wel de noodzakelijkheid der wedergeboorte, dat een nieuw mensch moet geboren worden. Want de oude mensch is vijand van God en vijand van den hemel, waarin tot in alle eeuwigheid den drieëenigen God wordt toegebracht alle lof, alle aanbidding, alle dankzegging. De onwedergeborene zou het zelfs in den hemel niet kunnen uithouden. De hemel zou voor hem een hel zijn. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch en het vleesch begeert tegen den Geest. Hoe kan nu het vleesch, dat tegen den Geest begeert, eeuwig met dien Geest verkeeren. Het zou een eeuwige strijd wezen. Verwonder u niet dat het moet, maar verwonder u wel, dat het kan.
II. De mogelijkheid der wedergeboorte.
Dat een mensch fean wedergeboren worden is een groot wonder. Alleen de onwederstandelijke, wederbarende Geest vermag dat. Het is een daad van goddelijke almacht en vrijmacht. In beginsel is de wedergeboorte deze weldaad Gods, dat Hij in het hart van den zondaar nieuw goddelijk leven instort door het zaad des Woords, vruchtbaar gemaakt door de kracht des Heiligen Geestes. Dat is nu een groot wonder, als het zaad des Woords valt in het hart van den zondaar, want van nature is het hart daarvoor gesloten. Het hart, dat open ligt en ontvankelijk is voor alle kwaad, omdat de kiem van alle kwaad er in ligt, is met koperen deuren en ijzeren grendelen gesloten voor het levende en eeuwig blijvende Woord Gods. Indien de Heere met Zijne almachtige kracht dat hart niet opent zal er ook nooit een zaadje in vallen. Met nadruk staat het dan ook van Lyidia vermdd, dat de Heere haar hart had geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. Zoovelen waren er onder hetzelfde Woord, gebracht door eenzelfden mensch, en van ééne vrouw lezen wij maar dat zij acht nam op hetgeen, gesproken werd. Bij de anderen viel het zaad des Woords er wel op, maar niet in, zooals bij Lydia.
Bij de wedergeboorte is de mensch niet alleen lijdelijk, maar bovendien nog tegenwerkende, zoo hard als hij kan. Wat wel eens gezegd wordt van de bekeering, n.l. dat de Heere (menschelijkerwijze gesproken) gemakkelijker de wereld kon scheppen dan een mensch bekeeren, daar bij de schepping niets weerstand bood en bij de bekeering zich alles verzet, geldt ook van de wedergeboorte. Alles in den gevallen mensch werkt de wedergeboorte tegen. Zoodra Adam en Eva de nadering des Heeren hoorden aan den wind des daags, gingen zij weg en verborgen zich in het midden van het geboomte des hofs.
Naarmate wij meer inzien in de verdorvenheid en vijandschap van den mensch wordt het wonder der wedergeboorte voor ons grooter. Het is geen wonder als er onder de bedieninig geen bekeerd wordt, maar wel als er één, al is het er maar één, bekeerd wordt. Maar het is mogelijk en dat geeft hoop aan degenen, die de noodzakelijkheid zien, maar ook de onmogelijkheid aan hunne zijde hebben leeren kennen. Wat nu bij den mensch onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. Welk een troost voor degenen, die klagen over de verdorvenheid, hoedanigheid en geslotenheid van hun hart. Het is mogelijk, door de onwederstandèiijke kracht des Heiligen Geestes.
En wat zijn nu de kenmerken der wedergeboorte?
III. In beginsel is de wedergeboorte de instorting van het nieuwe goddelijke leven in het hart van den zondaar door het zaad des Woords vruchtbaar gemaakt door den Heiligen Geest. Er valt dus in het zondaarshart een Woord Gods; dan komt er iets in, wat er vroeger niet was en dat hij niet kwijt kan raken. Wat hij ook soms doet om er van verlost te worden, hij draagt het mede. In dien toestand worden verschillende wegen bewandeld, verschillende toestanden doorgemaakt, maar 't komt bij allen, in langer of korter tijd, hierop neer, dat zij niet meer zoo gerust leven; hetzij dat zij het zóolang mogelijk zoeken te verbergen, hetzij dat zij door de kracht van het ingestorte leven terstond openlijk gaan zoeken die dingen, die zij vroeger ontvluchtten. Maar bij ieder komt het ten slotte tot een zoeken van de dingen die Boven zijn. Want zij zien nu alles anders dan voorheen. Zij hebben verstand gekregen, met goddelijk licht bestraald. Zij worden aan hun doodsstaat, waarin zij van nature liggen, ontdekt; beschaamd onder de goedertierenheden Gods, die hen zoolang gedragen heeft. Zij krijgen smart over hunne zonde en een droefheid naar God, Die zoo goed is. Zij gaan niets anders dan goed van God en kwaad van zichzelf spreken. Ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont, zoo roepen zij uit en noemen zich de grootste der zondaren. Zij worden overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel. Zij gaan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, zij doen de Ruth's keuze en volharden daarin. Het wordt een kermen, smeeken, worstelen en niet loslaten. Een aanhouden, een volharden in het bidden, een niet rusten voordat zij met een Job kunnen zeggen: „Ik weet, mijn Verlosser leeft !" Weeën en angsten worden doorworsteld totdat zij na korter of langer tijd, waarin de Heere ook vrij is, overgebracht worden in de ruimte en vrijheid, die in Christus is. Want dit hebben zij leeren verstaan, dat alleen die door den Zoon vrijgemaakt is, waarlijk vrij zal zijn.
Geheel onderscheiden kunnen de wegen en toestanden bij het werk der wedergeboorte zijn, maar deze overeenkomst zal er toch gevonden worden: 1e, dat door het zaad des Woords nieuw goddelijk leven wordt ingestort; 2e, dat dat leven in onderscheiden trap en mate vroeger of later, zich in handel en wandel zal openbaren; en 3e, dat de levend gemaakte niet rust voordat hij zich lin Christus geborgen en met God den Vader verzoend weet.
Bij Nicodemus zien wij zoo duidelijk de ontwikkeling van dat nieuwe leven. Nicodemus had van Christus en Zijn Woord gehoord. Dat liet hem geen rust. Hij ging des nachts naar Jezus. Daar werd Hij door den Heere onderwezen. Hij ging heen en nam mede wat de Heere gezegd had. Later blijkt, dat het in goede aarde gevallen is, want in de raadsvergadering neemt hij het al voor den Heere op (Joh. 7) en bij het kruis komt het duidelijk tot openbaring, als hij den Heere van het kruis neemt.
Gijlieden moet wedergeboren worden. Niet alleen gij, Nicodemus, maar meer-voudig, „gijlieden", gij allen, de geheele Joodsche Raad. Ja, wie niet? Wedergeboorte is voor ieder noodzakelijk. Het nieuwe goddelijke leven moet ingestort. Van die noodzakelijkheid door den Heiligen Geest overtuigd te zijn, is reeds het nieuwe leven. En dat nieuwe leven, die overtuiging blijft en wordt gevolgd door de overbuiging van den wil. Overtuigd is niet bekeerd, maar de overtuiging van het verstand door den Heiligen Geest wordt gevolgd door of gaat gepaard met de overbuiging van den wil. Overtuigden en gewillig gemaakten zijn dus reeds het nieuwe leven deelachtig. Hoe bang en benauwd zij 't nu ook mogen hebben, hoe aangevochten zij ook worden, God staat voor Zijn eigen werk in. Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.
Wat geboren is moet sterven. Wat wedergeboren is kan niet sterven, maar leeft tot in alle eeuwigheid.
M. d. O.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's