De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

11 minuten leestijd

Onze Herv. Jongelingschap. (3)

Een oefenschool moet de Jongelingsvereeniging zijn — wat ook voor Knapen-en Meisjesvereenigingen geldt. Naar Gods beeld geschapen hebben en houden onze jonge menschen de hooge roeping naar Gods stem te luisteren en zich te oefenen in de dingen die de Heere Zelf ons heeft geopenbaard als noodig voor onze zaligheid en voor de eere van Zijnen Naam. Het is ons niet verborgen in welke wegen het voor land en volk alleen kan welgaan, hoe de Kerk des Heeren zich heeft te richten en hoe op elk gebied naar de inzettingen des Heeren dient te worden gevraagd. Zullen we dan onze jongelingen maar niet oefenen? Moeten ze maar opgroeien alsof er geen God is; alsof het onverschillig is hoe het op elk terrein des levens toegaat?
Men weet beter!
Want al is het volkomen waar, dat de wasdom des Heeren is, zoo weten we, dat we moeten spitten, ploegen, eggen, zaaien, planten en nat maken, willen we straks oogsten. Dan is en blijft alles vrucht van 's Heeren gunst en liefde, alles wat we binnen halen in de schuren. Maar het werken na te laten in deze is zonde en ongehoorzaamheid, hetwelk God ons toerekent. En het is zóó diep ons ingeschapen, dat we werken moeten, dat we alleen bij dwazen zien, dat zij het werken nalaten. Zoo nu ook bij onze jongelingen. We mogen ze niet aan hun lot overlaten. En daarom moeten Jongelingsvereenigingen — ook Knapen-en Meisjesvereenigingen — worden opgericht, om daar te spitten, te ploegen, te zaaien, te planten en nat te maken; om daar de fundamenten te leggen en te versterken, te verbreeden en te verdiepen, waarop straks het gebouw des levens, ter eere Gods, verrijzen kan. Maar dan voelt men, dan kunnen wij, Hervormden, die in het midden van de Herv. (Geref.) Kerk geboren en gedoopt zijn ons moeilijk thuis voelen met onze jongelingen — wat ook voor Knapen-en Meisjesvereenigingen geldt — in het midden, van een Bond van Jongelingsvereenigingen, die in opzet geheel van „de Geref. 'Kerken" is.
In het midden van het Nederlandsch Jongelingsverbond voelen we ons niet thuis omdat daar de sfeer is „algemeenchristelijk", met een geloof boven geloofsverdeeldheid. Dat voelen wij, als Calvinisten, nu eenmaal heel anders aan! Daar ligt niet de oefenschool van onze gereformeerde jongelingschap, uit het midden van onze Herv. (Gereform.) Kerk door ons saamgeroepen. Wij staan anders tegenover den Bijbel en anders tegenover onze belijdenis en anders tegenover de geschiedenis van Christus' Kerk dan de Ethischen. En daarom moeten wij voor ónze jongelingen — ook voor onze knapen en meisjes — een gereformeerden Bond hebben!
Maar — was die er dan niet, in den Bond van Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag, onder voorzitterschap van ds. Vonkenberg? Zeker, een gereformeerde Bond van Jongdingsvereenigingen was er. Maar moesten we tot 't Nederlandsch Jongelingsverbond zeggen, dat we om de wille van ons gereformeerd beginsel, waarmee onze levens- en wereldbeschouwing ten nauwste samenhangt, ons daar, waar men in „ethische" sfeer leeft, niet konden aan'luiten — tot den Bond van Jongelingsvereenigingen op geref. grondslag (voorzitter ds. Vonkenberg) moesten we antwoorden, dat de sfeer van ons kerkelijk leven dit ons helaas onmogelijk maakt. Hoevéél we ook gemeen hebben; hoe veel sympathie we ook koesteren voor het vele goede en uitnemende, dat daar gevonden wordt en daar verricht wordt — dat wij onze Hervormde Kerk heel anders zien dan onze, kerkelijk van ons gescheiden levende broeders en zusters, dat is en blijft een onoverkomelijk bezwaar om op het terrein van de Jongelingsvereeniging saam te werken in één organisatie. Wij zeggen niet, dat plaatselijk, onder verstandige leiding, het saam vergaderen van jonge menschen van verschillende Kerkgemeenschap altijd onmogelijk is. Integendeel. Maar op den duur en in 't groot, gerekend voor heel het land, is het samenwonen in één organisatie van Hervormden en kerkelijk-Gereformeerden, niet wel mogelijk te achten. Ook niet wenschelijk.
Wij, Hervormden van gereformeerde belijdenis, wij voelen de kerkelijke kwestie toch, weer héél anders aan dan die gereformeerden, die onze Hervormde Kerk hebben verlaten en los van haar leven. Wij zien de Herv. (Geref.) Kerk zoo héél verschillend! En omdat wij voor onze Hervormde Kerk zoo héél anders voelen en de Kerk zoo'n groote, breede, allergewichtigste plaats inneemt in ons leven — voelen we ons niet recht „thuis" met onze jongelingen (en knapen en meisjes) in een organisatie, waar heel de sfeer is van 't kerkelijk leven, dat van onze Hervormde Kerk gescheiden ligt.
Ons Hervormd-Gereformeerd leven draagt in deze een eigen stempel, wat tegelijk verhindering is om ons in het midden van den Bond van Jongelings-vereenigingen op Geref. grondslag recht „thuis" te voelen. Niet daar is dan ook de oefenschool voor onze jongelingen en knapen en meisjes — niet daar is de kweekplaats voor onze jonge mannen, om hen ontwikkelde leden te maken, in Kerk en maatschappij straks bekwaam tot het werk, dat God voor hen heeft weggelegd. Wij zijn als Hervormden aangelegd op een eigen organisatie, waarbij we veel, héél veel met elkander gemeen hebben, maar waarbij ook weer het belangrijke stuk van ons kerkelijk leven maakt, dat het beter is naast elkaar op te trekken, dan met elkaar in één organisatie saam te leven. Het laatste kan niet; 't eerste moet! In onze eigen organisatie zullen we ons nu hebben toe te leggen op een gezonde ontwikkeling van 't gereformeerd leven; om aan onze jonge menschen een gezond-gereformeerde wereld-en levensbeschouwing bij te brengen.
En daarover hebben we wel eens zorg. In onze kringen zakt men zoo gauw door, omdat men zulke zwakke beenen en knikkende knieën heeft, blijkbaar. Men laat zich zoo gemakkelijk inpalmen door allerlei ziekelijke, nare, gure, onsmakelijke dingen, die men blijkbaar o zoo mooi vindt.
Hoe ziekelijker hoe liever. En hoe vaker men van richting verandert, hoe beter, blijkbaar.
Men heeft geen ruggegraat. En dat komt omdat men niet onderlegd is en omdat men niet gereformeerd is en omdat men een schip zonder anker en zonder roer is. Hier ligt een moeilijke taak voor onzen Bond van Hervormde Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag! Want eenerzijds moet een wereldschen geest worden geweerd, oppervlak kigheid en lichtgeloovigheid bestreden, — maar anderzijds ziekelijke narigheden worden tegengestaan met alles wat in ons is. Wat niet-gereformeerd is moet buiten gehouden. Wat óver-gereformeerd is moet veroordeeld en moet weg! Want het zou vreeselijk zijn, indien met recht door velen zou moeten en kunnen worden gevraagd: is dat nu gereformeerd? Veel is hier te veroordeelen, omdat het de narigheid zelve is! Maar dat houdt ons nu des te meer de hooge roeping voor, om alle krachten in te spannen waardig als „eigen" organisatie onze plaats in te nemen. Dan moeten we „Hervormd" zijn; gezond Hervormd. Dan moeten we „Gereformeerd" zijn, gezond Gereformeerd. Anders zouden we onze plaats niet waard zijn. En dat verhoede de Heere genadiglijk!

Om des volks wil.
Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is. Hosea 4 vers 6. Dat het volk van Israël van achter den Heere telkens afweek, is voor land en volk tot een oordeel geworden. Geestelijk ging het achteruit. Het verwilderde. Ruwheid en ongebondenheid kwam over jong en oud. En toen 't volk voortging in het afwijken van des Heeren wegen, heeft de Heilige Israels Zijn oordeelen voltrokken en heeft Hij het land Kanaan aan anderen gegeven, terwijl Zijn volk moest zuchten in ballingschap. De profeten staan daar als getuigen, dat de Heere het volk nog wilde vasthouden, om jongen en ouden terug te roepen tot de rechte kennis van Zijn woord en waarheid. Als de mond Gods waren deze mannen, sprekende woorden van waarheid en leven, het volk vermanend zich toch niet te verharden in ongehoorzaamheid en ongeloof, maar liever hun wegen te onderzoeken en weder te keeren tot den Heere. Waarbij de mannen Gods mochten verzekeren, dat de Heere hunne afkeerigheid wilde genezen, Hij, de God, die mildelijk geeft en niet verwijt. Mocht het volk wederkeeren tot den Heere, dan wilde de Heere wederkeeren tot Zijn volk! Zijn Naam is Ontfermer, altijd geweest.
Helaas! heeft het volk, uit Abraham gesproten, de roepstemmen Gods niet ter harte genomen. En als het ten slotte den Christus ontvangt uit Gods hand, om Hem dan uit te werpen en Hem te nagelen aan het kruis, dan wordt het oordeel Gods voltrokken en Abrahams kroost wordt in toome verstrooid onder de volkeren om als balling nu te verkeeren in een vreemd land, zonder koning, zonder priester, zonder altaar — tot op den dag, dat het overblijfsel zich zal leeren bekeeren tot den Heere en zich zal buigen voor den Christus, om Hem te aanbidden als hun Heere en God.
Ons volk vertoonde teekenen van een zelfden afval van den levenden God. Zijn woord en waarheid werden verworpen. Ruwheid, spotternij overal. Een opkomend geslacht, wel gedoopt nog voor het grootste deel, maar in opvoeding en onderwijs grootendeels vervreemd van God en Christus. Toen zijn mannen door God verwekt, profeten, om het volk terug te roepen tot den dienst des Heeren. Mannen Gods als Groen van Prinsterer, Da Costa, Keuchenius, Kuyper, Lohman, Pierson. En die mannen hebben het diep in hun ziel gevoeld: „Ons volk gaat verloren, omdat het zonder kennis is". 't Evangeliezout zijn zij gaan strooien onder de kinderen, het opkomend geslacht, de toekomst des volks, 't Evangeliezout, omdat de rechte kennis is: God te kennen in Christus. Zij hebben het verstaan, dat de wijsheid der wereld dwaasheid is in Gods oogen, maar dat de Heere door de dwaasheid van Zijn woord wijs wil maken tot zaligheid. En zij zijn „Scholen met den Bijbel" gaan bouwen. Kleine Scholen, hier en daar één. Uitgelachen en bespot overal. Bemoeilijkt, waar het maar eenigsizins mogelijk was, door den schier almachtigen vijand. Financieel zwaar, héél zwaar belast bij hun liefdewerk. Maar zij hebben ze gebouwd, „de Scholen met den Bijbel", klein en eenvoudig; maar rijk gezegend van den Heere, die 't ook hier zoo kennelijk bewees: „Ik heb lief, die Mij liefhebben" (Spr. 8 vérs 17a), om aan de kinderen Zijn woord te bevestigen: „Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden". (Spr. 8 vers 17b).
Zoo is ons volk nog niet uitgeroeid. De Scholen met den Bijbel zijn vermenigvuldigd in getale. Het onrecht aan die Scholen met den Bijbel heeft opgehouden. De Heere is oók hier onze Rechter geweest. Die het geroep Zijner gunstgenooten hoort en hun tranen telt. En daarom, wat nu? Om des volks wil verblijden wij ons in het bestaan van méér dan anderhalfduizend Scholen met den Bijbel met ongeveer 250.000 leerlingen! Wij verblijden ons, dat de Heere de zaak van het christelijk onderwijs zoo rijkelijk heeft gezegend. Met tranen is gezaaid. Met gejuich mogen wij maaien. Maar niét, om nu onze hand af te trekken van dit werk. Neen, het christelijk onderwijs moet ons een dierbaar, gouden kleinood zijn; waarbij wij waken en bidden; waarvoor wij strijden en ijveren; waarvoor wij ook offeren: koper, óók zilver, ja, óók goud! Of deze offers nog noodig zijn? Zeer zeker als een ofler der liefde, als een offer der dankbaarheid. God is ons genadig geweest, wij zullen Hem betalen, 't geen Hem in bange tijden beloofd is! Maar ook om ons christelijlk onderwijs te ver-volmaken, mee door onze gaven in koper, in zilver, in goud — naar dat elk welvaren verkregen heeft van den Heere. Als rentmeesters Gods mogen we ook dit werk in 's Heeren, Koninkrijk niet vergeten! t Bindt bovendien, de gezinnen aan onze Scholen met den Bijbel.
En voor het christelijk onderwijs offers te brengen moet onder ons bewaard blijven, omdat lang niet denkbeeldig is het gevaar, dat onze Scholen met den Bijbel weer zoodanig in de moeite zullen komen, dat financieele hulp van de ouders, van de gezinnen, van particulieren dan gebiedende eisch zal zijn. Daarom bestendigen wij de Uniecollecte. We moeten blijven bidden, blijven waken, blijven strijden — want hier is het het land der ruste en des vredes nog niet! — maar óók blijven geven. Blijven offeren; omdat we als ideaal hebben: de School aan de Ouders, en: de School met den Bijbel, uitgaande van de Ouders, in stad en dorp. ja overal! Denk nog eens aan het woord: „Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is" — om dankbaar te waardeeren het groote voorrecht, dat de Heere ons geeft in die meer dan anderhalf duizend Scholen met den Bijbel met ongeveer 250.000 leerlingen, waarin Hij toch bewijst, dat Hij ons volk nog niet wil doen omkomen, maar zegenen in genade. Den Heere de eere! En — ons offer der dankbaarheid ligt, waar we ook wonen, voor „de Uniecollecte" gereed! Koper, ook zilver, ja. óók goud !
Van dit „Unie-blaadje", dat dit jaar door ons, op verzoek, geschreven is, kan men kosteloos een aantal, ter verspreiding, ontvangen, indien de aanvrage geschiedt bij den secretaris van de Unie „Een School met den Bijbel", mr. J. Terpstra, Sweelinckstraat 39, Den Haag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's