Stichtelijke overdenking.
De vloek veranderd in een zegen
De Heere, uw God, heeft u den vloek in eenen zegen veranderd; omdat de Heere uw God, u liefhad.Deuteronomium 23 vers 5b.
De vloek veranderd in een zegen
Na een veertig-jarige omzwerving waren de Israëlieten eindelijk gekomen aan de grenzen van Kanaan. Daar herhaalde Mozes voor hen des Heeren Wet, en herinnerde hen aan wat ze doorleefd hadden in die groote en vreeselijke woestijn waardoor zij getrokken waren en waarin zij zoo lang omgezworven hadden; en bijzonder aan Balak, den koning der Moabieten, die voor hen gevreesd, en Bileam, den zoon van Beor uit Mesopotamië ontboden had en begeerd dat deze Israël zou vloeken. Balak had blijkbaar gedacht: Als zulk een profeet dat volk vloekt dan zal zijn god het ook wel doen, en kan ik het gemakkelijk overwinnen.
Bileam was gekomen, maar in plaats van Israël te vloeken had hij het telkens moeten zegenen. Hij sprak: Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt, en wat zal ik schelden, waar de Heere niet scheldt? Er is geen tooverij tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israël. Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël.
Daaraan herinnerde hen hier Mozes, en voegde er aan toe: Maar de Heere, uw God, heeft u den vloek in eenen zegen veranderd, omdat de Heere, uw God, u liefhad.
De vloek in een zegen veranderd!
Opmerkelijk! En te meer, omdat Israël dien vloek zoo verdiend had. Hoe menigmaal had dat volk tegen den Heere gemurmureerd en was het tegen Hem opgestaan. Waarlijk, de Heere had geen onrecht gedaan, wanneer Hij dien vloek over Israël had laten komen.
En de vloek! Dat houdt wat in. Wat dat beteekent, kunnen wij zien, wanneer de Heere God na den zondeval tot onze eerste voorouders spreekt: Vervloekt is het aardrijk om uwentwil, en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Doornen en distelen zal het u voortbrengen. Zietdaar de uitwerking van den vloek. Wanneer de Heere Zelf met Zijn zegen niet tusschenbeide ware gekomen, we hadden van deze aarde geen brood te wachten gehad, maar slechts doornen en distelen.
Wat die vloek zeggen wil, dat leert ons ook de geschiedenis van den profeet Eliza. Toen de kinderen uit het goddelooze Bethel hem, den man Gods, kennelijk uit boosheid en vijandschap tegen den Heere en Zijnen profeet scholden: Kaalkop, ga op! Kaalkop, ga op! en Eliza hen in heilige verontwaardiging in den Naam des Heeren vloekte, werden door twee beren uit het woud niet minder dan twee en veertig hunner verscheurd.
Denk u dat eens in, lezer! Welk een smart zal daar geweest zijn bij de ouders dier kinderen, die hen nooit geleerd hadden eerbied te hebben voor den Heere en Zijnen profeet. Wat was de uitwerking van dien éénen vloek niet ontzaglijk! Wanneer een profeet in den Naam van zijnen God den vloek uitspreekt, dan is schier geheel Bethel in rouw. Wat moet dan de uitwerking van den vloek niet wezen, wanneer die uitgesproken wordt door den hoogen en heiligen God Zelf.
En dien vloek had Israël verdiend. En niet alleen Israël, maar alle menschen, geheel het nakroost van den gevallen Adam. Want ze hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Er is niemand, die goed doet. Er is er ook niet tot één toe. Allen hebben Gods Wet overtreden. En de Heilige Schrift leert het ons zoo nadrukkelijk: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet, om dat te doen. Zoo liggen alle menschen onder den vloek. Ook het ware Israël. Want zij zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Maar ook dat ware Israël ligt mede onder den vloek. Van nature zijn zij kinderen des toorns gelijk ook de anderen. Zij zijn van nature niet beter dan deze. Want „er is geen onderscheid". „De Schrift heeft het alles onder de ongehoorzaamheid besloten". In Adam zijn allen even diep gevallen. Van nature zijn degenen, die behouden worden, in geen enkel opzicht iets beter dan zij, die voor eeuwig verloren gaan.
Maar ziet! nu heeft de Heere in Zijne grondelooze ontferming voor de Zijnen dien vloek weggenomen. Dat geldt bijzonder hen, die dat ware Israël uitmaken, Zijn gunstvolk. En niet alleen, dat de Heere dien vloek heeft weggenomen. O, neen! Hij deed oneindig meer. Hij heeft dien in eenen zegen veranderd. Niet meer onder den vloek, welk een voorrecht reeds. Maar gezegenden van God, dat zegt nog oneindig meer. Onder den vloek weg, dat is wel zonder schuld, maar nog arm. Gezegend, dat zegt: onuitsprekelijk rijk.
Wat de zegen des Heeren inhoudt, dat kunnen we eenigermate zien als de Heere Jezus op aarde is, en meer dan vijfduizend menschen spijzigt met vijf brooden en twee vischjes. Vijf brooden en twee vischjes! wat beteekent dat voor een zoo groote schare. De moeite niet waard om er aan te beginnen! Maar als Jezus die brooden en vischjes zegent, dan worden al die duizenden verzadigd. En dat niet alleen, maar dan blijft er nog meer over dan er aanvankelijk was. Ziet! dat doet de zegen van God en van dien almachtigen Jezus.
Dat toont ons ook de wonderbare vischvangst na des Heilands opstanding. De discipelen hadden den geheelen nacht gevischt, maar niets gevangen. Doch toen zij in den vroegen morgen op Christus' bevel het net aan de andere zijde van het schip wierpen, was dit op eens vol groote visschen, terwijl, o wonder! het net niet eens scheurde.
Dat doet de zegen des Heeren.
Nu ligt het niet altijd in de veelheid. De Heere Jezus Zelf leert het ons: Het is niet in de veelheid, dat iemand leeft van zijn goederen. Salomo getuigt reeds: Eene droge bete en rust daarbij is beter dan een huis vol geslachte beesten met twist. En de Psalmist maakt er gewag van als hij getuigt: Uw gunst sterkt meer dan d' uitgezochtste spijzen. En: Uwe goedertierenheid is beter dan het leven. In de stulp van den daglooner is meermalen meer vrede en vreugde dan in de paleizen der rijken. „De godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging". Zoo zegent de Heere Zijn volk met tijdelijke en eeuwige zegeningen.
En waarom doet Hij dat? Mozes zegt het ons: Omdat de Heere, uw God, u liefhad. Ja, de Heere heeft Zijn volk lief. Dat doet Hij, als zij bij Hem zijn in Zijn zaligen hemel. Geen wonder. Daar zijn ze volkomen rein. Van alle zonde en smet verlost. Geheel bevrijd van alle ongerechtigheid. Heilig, gelijk Hij Zelf heilig is. Daar willen allen, wat Hij wil; en is de glorie Zijns grooten Naams aller oogwit en doel. Daar heeft de hooge God de Zijnen lief. Maar daar niet alleen. Hij had hen ook reeds lief, toen zij nog op aarde rondwandelden, na het uur hunner wedergeboorte. Toen waren ze nog wel in het zondige vleesch. Toen kleefde hen nog wel veel verkeerdheid en ongerechtigheid aan. Toen moesten ze nog wel veelszins klagen: Het goede dat ik wil doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik. Ik ellendig mensch! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof. Maar juist dat klagen bewees, dat de zonde hun een last was geworden, en in hen een nieuw levensbeginsel was gewerkt. En daarom al weer geen wonder, dat de Heere hen beminde. Zij waren toen reeds vijanden der zonde en hadden geen grooter begeerte dan om voor God te leven; eene begeerte, die Hij Zelf in hun hart had gelegd. Hij zag toen reeds in hen Zijn eigen beeld.
Maar dat niet alleen. Hij had hen ook reeds lief vóór hunne bekeering. Ware dit niet zoo, ze waren nooit bekeerd geworden. Deze is geheel Zijn eigen werk. Niemand hunner zou ooit naar God gevraagd hebben, had Hij hun niet eerst opgezocht. „Hij zoekt de ziele eerst, eer zij Hem zoeken konde. De ziele, die God zoekt, die is van Hem gevonden".
Meer nog. Hij had hen reeds lief vóór hunne geboorte. Zij mogen allen met den psalmdiehter getuigen: Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven. Ja, Hij heeft hen reeds van eeuwigheid liefgehad. Vóór de schepping van hemel en aarde. Vóór de tijden der eeuwen. Hij betuigt Zelf: Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde. En dit heeft Hij alweder niet gedaan, omdat Hij tevoren zag dat zij beter zouden zijn dan de anderen, en zich van die anderen zouden onderscheiden. O, neen! Hij wist van tevoren, dat zij allen in Adam even diep zouden vallen. Dat er geen onderscheid zou zijn. Dat geheel het menschdom, geheel Adams nakroost, niet anders zou wezen dan één klomp bederf. Hij zegt dan ook Zelf bij Hosea: Ik zal ze vrijwilliglijk liefhebben. En o, hoe gelukkig. Ware dit niet zoo, dan zou er nooit één enkelen zondaar van den eeuwigen dood zijn gered. Wat uit zichzelven zou nooit een eenig kind van den gevallen Adam naar Hem vragen. Hij doet hen alles enkel om Zijns Zelfs wil. Allen, die den hemel mogen ingaan, worden uit genade zalig, worden om niet gerechtvaardigd.
Wanneer we vragen: Waarom wordt een zondaar gezaligd, met voorbijgang van zoovele anderen? dan is er slechts één antwoord. En dat is, hetwelk de Heere Jezus, toen Hij nog op aarde rond wandelde, eens gaf: Ja, Vader! want alzoo is geweest het welbehagen voor U. Daarom zal elk van des Heeren kinderen, naarmate hij een oog voor zijn weg mag hebben, beamen het woord: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten. Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. Het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Wanneer Zijn licht schijnt op hun pad, dan zingen ze zoo gaarne, ja, kunnen het bij oogenblikken uitjubelen:
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen.
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
En hoe is het nu met u, mijn waarde lezer ! Kunt gij ook reeds op goeden grond zeggen, dat de vloek ook voor u in eenen zegen veranderd is? Zoo niet, dan zijt ook gij nog diep ongelukkig. Een voorwerp van Gods billijken toorn, en hebt gij, als gij zoo komt te sterven, niet anders te wachten dan een eeuwig verderf, eene eindelooze rampzaligheid.
Misschien zegt gij wel bij uzelven: Daar kan ik niets aan doen. Als de Heere God mij niet van eeuwigheid heeft liefgehad en mijnen naam niet van eeuwigheid heeft opgeschreven in het Boek des levens, dan kan ik toch onmogelijk zalig worden. Mijne geliefde Lezer! Ik merk wel, dat uw mond nog niet gestopt is, en alle mond zal toch eenmaal gestopt worden. Een voorrecht als we hier de hand maar op den mond leeren leggen en eigen wijsheid maar als dwaasheid leeren aanmerken. Want Gods oordeel is anders dan het uwe, wanneer gij meent, dat gij Uzelven ook maar eenigermate kunt verontschuldigen. Wij lezen in den 109den psalm een ontzaglijk woord: Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en hij geen lust heeft gehad in den zegen, zoo zij die verre van hem. In dezen psalm is de Messias Zelf aan het woord. Dezelfde, die straks dooden en levenden oordeelen zal. Waarneer gij den vloek liefhebt, wat hebt gij dan straks in te brengen als die rechtvaardige Rechter tot u zal zeggen: Ga weg van mij, gij vervloekte? Wanneer gij geen lust hebt in den zegen, wien hebt gij dan iets te verwijten dan uzelven, als het „kom in gij gezegende" u niet zal gelden?
En toch! mijn geliefde Lezer! dat is het juist. Van nature hebben wij den vloek lief, en zoeken wij den zegen niet. De Heere Jezus leert het ons zoo ontzaglijk ernstig in Zijn woord tot Nicodemus: De menschen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht. En waar dat zoo is, wat heeft een zondaar in te brengen, wanneer de Heere hem straks neerwerpt in die buitenste duisternis? Kan de rechtvaardige Rechter dan niet met volle recht zeggen: Gij hebt op aarde de duisternis liefgehad, welnu, die buitenste duisternis zal dan ook voor eeuwig uw deel zijn?
Waar het op aankomt is, dat we zondaar voor God worden. Dat ons oog bij tijds open gaat voor onze groote schuld. Dat we onszelf leeren kennen als vloeken doemwaardig, op niets recht hebbend dan op ellende en verderf. Als we daar mogen komen, dan vallen alle bezwaren weg; dan houdt al ons bedillen op. Dan zeggen wij met Job: Zie, ik ben te gering, wat zou ik antwoorden? Ik leg mijne hand op mijnen mond. Dan steken we onzen mond in 't stol en zeggen: Misschien is er ver wachting. Als we op die plek mogen komen, dan zeggen we: Heere! als Gij mij in de hel werpt, dan heb ik niets in te brengen. Dan doet Gij geen onrecht. Ja, als Gij met mij handelen wilt, alleen naar dat strenge recht, dan kunt Gij zelfs niet anders.
En zie! als wij op die plek mogen komen, dan gaat op 's Heeren tijd zeker het licht in de ziele op. Die zichzelven veroordeelt, zal door God niet veroordeeld worden. Als wij waarlijk mogen weten dat wij de hel hebben verdiend, dan leeren wij het ook verstaan dat Christus voor zulke hellewichten juist den hemel heeft verworven. Wanneer wij onszelven als een goddelooze leeren kennen, dan wordt het zulk een troost, dat Christus Jezus juist voor die goddeloozen gestorven is, en wij het met een God te doen hebben, Die juist om niet die goddeloozen rechtvaardigt. En dan begeeren wij zoo recht hartelijk dat God niet met ons handelt naar eenige onzer verdiensten, maar naar Zijn eigen vrij en souverein welbehagen.
Driewerf, neen, onuitsprekelijk gelukkig is het volk, dat dat leven mag leeren kennen. Dat zijn „de vrinden, waaraan God van den hemel Zijn heilgeheim openbaart".
En, waar dit zoo bij u mag zijn, Lezer! dat de Heere daar alleen de eere moge ontvangen. Want het viel u alles als eene vrije gift ten deel. Genade is de redding en de zegen, maar genade ook was het, dat gij u als een diep ellendige en schuldige leerdet kennen, en mocht zien, dat gij onder den vloek laagt. En nu is dit het heerlijke van uwen staat, dat diezelfde genade, die u redde, u ook nooit zal loslaten. „De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk". De Heere heeft u niet gegrepen, om het goede, dat er in u was. Hij zal u ook niet loslaten om het verkeerde dat er in u is. Gij zijt met uzelven bedrogen, maar de Heere met u niet. Hij wist wel, wat Hij opraapte; ja. Hij heeft u van eeuwigheid gekend. Gekend als ten eenenmale verwerpelijk in uzelven, maar ook gekend als Zijn eigendom, omdat de Heere uw God u vrijwilliglijk liieflhad.
Gelukkig zijt gij. Ja, nu nog in het land van moeite en zonde. Aan allerlei leed en wederwaardigheden onderworpen. Ook aan ziekten en dood. En met het oog op uzelven moet gij geduriglijk met den apostel klagen: Ik ellendig mensch. Het goede, dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik. En met een David: Ik ben bekommerd vanwege mijne zonde. Ja, misschien moet het nog wel met u door den oven der verdrukking heen. Zal de afgrond nog roepen tot den afgrond, zal het gedruisch van Gods watergolven nog over u henengaan; zal uwe ziel nog wegdruipen van treurigheid en klagen, zult gij zijn als een lederen zak in den rook; ja, zullen uwe vijanden van binnen en misschien ook wel die van buiten, tot u zeggen: Waar is nu uw God? geen nood: Die voor u is, is meer dan die tegen u zijn. En die voor u is, is die God, Die psalmen geeft in den nacht, en die maken zal dat alle dingen u zullen medewerken ten goede. Nog maar een weinig tijds en alle leed is voorbij. Weldra legt gij uw pelgrimsstaf neer, en valt uw pelgrimskleed af. Dan is alle strijd ten einde. Dan verlaat gij deze aarde, die om der zonden wille vervloekt is; dit oord van zonden en zorgen, en gaat gij de hemelpoort binnen. En daar in die paarlen poort zult gij als welkomstgroet mogen hooren: Kom in, gij gezegende! en beërf dat Koninkrijk, dat reeds voor u bereid was eer de wereld bestond. En dat welkomstwoord zal u toegevoegd worden door Hem, Die macht heeft over al de koninkrijken der aarde; Die de sleutelen heeft der hel en des doods; Die dood geweest is, ook om uwentwil, maar die nu leeft in alle eeuwigheid, ten goede ook voor u. Dan zullen uwe voeten wandelen in de gouden straten van het nieuwe Jeruzalem en zullen uwe oogen zich eeuwig verkwikken in het zien van uwen gezegenden en beminden Verlosser; ja, zal uwe ziel zich onafgebroken verblijden in de gemeenschap van den Drieëenigen God.
Dat mij dan meen'ge distel wonde;
En meen'ge doorn ontlokke een traan.
Wat anders in dit oord der zonde
Kan Godes kind te wachten staan.
Wij wand'len hier in woestenijen,
Van hitte flauw, van kou verstijfd,
Maar ginds zal ons de rust verblijen,
Die voor Gods pelgrims overblijft.
Komt! moedig 't hoofd omhoog geheven.
Mijn vrienden! zoekt het hier toch niet.
Ginds ruischt de stroom van 't eeuwig leven,
Die pelgrims volle laaf'nis biedt.
Ginds rijst de stad, wier gulden tinnen
Omstraalt een eeuw'gen zonneschijn.
O! 'k woon reeds met mijn hart daar binnen,
Nog weinig tijds ..... en 'k zal er zijn".
Neêrlangbr. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's