Uit de Pers.
De neutrale pers - Onze offeranden - Zijn Socialisme en Chrsitendom vereenigbaar?
De neutrale pers.
„Den laatsten tijd is weer eens de aandacht gevestigd — schrijft prof. Grosheide in N.-Holl. Kerkblad — op 't feit, dat verschillende van onze menschen nog steeds met voorbijgaan van onze christelijke bladen uitsluitend op vrijzinnige of althans op z.g.n. neutrale kranten zijn geabonneerd. Dat is een ernstige misstand. Het spreekt vanzelf, dat er menschen zijn, die door hun positie of werkkring tal van bladen, ook die van de overzijde, moeten lezen. Daartegen kan moeilijk bezwaar worden gemaakt. Men kan geen voorlichting geven, als men niet weet, wat door anderen tegen ons ingebracht wordt. En het is jammer genoeg, maar een feit, dat onze eigen pers door gebrek aan steun nog niet allerlei dingen op kan nemen, die in de groote, meest liberale kranten, zijn te vinden. Maar wat wel een euvel is, is, dat in sommige cteistehjke gezinnen uitsluitend niet-christelijke bladen komen. We aarzelen niet dit een kwaad te noemen en dat om meer dan één reden. Men mist de voorlichting van onze eigen voormannen en beziet de dingen door de oogen van de tegenstanders. Wat onzerzijds wordt opgemerkt, leest men niet, dat moet noodzakelijk invloed hebben op het oordeel, ja, leiden tot verslapping. Van allerlei christelijken arbeid en christelijke belangen draagt men geen kennis, men weet er niet van, omdat het blad, dat men leest, het niet de moeite waard vindt er over te schrijven. Men houdt de uitbreiding van de eigen pers tegen, omdat men die niet steunt, niet door een abonnement en dan gewoonlijk ook niet, want het één hangt met het ander samen, door advertenties.
Er is nog een tweede bezwaar.
En dat is, dat de niet-christelijke bladen zwerven door de huiskamers van onze gezinnen. Er staat in de krant van liberale richting vaak heel wat, dat geen goede lectuur is. We behoeven maar te noemen: sommige feuilletons, verslagen van toneelopvoeringen, feestvieringen, enz. In dat alles kan vergif liggen. Daarom, wie zulke bladen bepaald niet missen kan, die zie wèl toe, wat er mee gebeurt. En laten we allen te zamen steunen onze christelijke pers. Hoe meer medewerking ze ontvangt, hoe beter ze worden kan". Onze Hervormde kringen hebben dit woord wél ter harte te nemen! Ook in onze Herv. Gereformeerde kringen zijn we niet van „smetten vrij" wat deze zaak betreft!.
Onze Offeranden.
Prof. Grosheide, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, schreef onlangs in „Noord-Hollandsch Kerkblad": „Gedurig komt de vraag ter sprake, hoe we het best den Heere dienen kunnen met het offer van ons geld. Het is bekend, dat tal van Kerken in de gemeentelijke samenkomsten niet meer collecteeren voor de instandhouding van den openbaren eeredienst. De kosten, daaraan verbonden, vindt men dan door vaste bijdragen der leden. Er is zeker veel te zeggen voor dit systeem. Wat we afzonderen voor den kerkedienst, is geen offer, geen geven van onzen overvloed, maar het voldoen aan een verplichting, die op ons ligt. Dat moet ook tot uiting komen en daarom bijdragen, waardoor aan die verplichting wordt voldaan. Van zulke bijdragen is het bedrag bij de kerkelijke administratie bekend. Ze kan nagaan, wie er aan meedoen en of er niet zijn, die naar recht en billijkheid meer moesten geven. Ook kan op het bedrag, waarvoor is ingeschreven, de kerkelijke begrooting worden gebouwd. Immers bij ons kerkelijk leven is van te voren vrijwel te zeggen, hoeveel er noodig zal zijn. Het zijn telkens terugkeerende of — bij bijzondere dingen als bouw, verbouw, extra onderhoud, enz. — in elk geval van te voren vast te stellen sommen, die noodig zijn. Hebben de leden der gemeente eerst opgegeven hoeveel zij bereid zijn bij te dragen voor het kerkelijk leven, dan kan ook de kerkelijke administratie weten of het toegezegde voldoende is om hetgeen noodig blijkt te bekostigen.
Daar komt nog bij, dat het collecteeren tijdens de godsdienstoefeningen zelden zóó kan geschieden, dat het geen stoornis geeft. Welke manier men ook kiest, er blijven bezwaren. Ook daaruit laat zich het streven om de collecten af te schaffen of althans te beperken, gereedelijk verklaren en billijken.
Er is echter ook een keerzijde.
Men kan vragen, behoort het niet tot den openbaren eeredienst om den Heere te dienen met hetgeen Hij ons heeft geschonken? Wij zouden zeggen, ongetwijfeld. Zoolang echter voor de armen tijdens den dienst wordt gecollecteerd, en die collecten zal wel niemand willen afschaffen, houden we in de liturgie het offeren onzer gaven. Dat we nog eens op deze dingen komen, staat in verband met een vraag, die ons onlangs werd gedaan. Het ging over de Zending. Voor de Zending hebben we de Pinkstercollecte. Maar in verschillende, we durven wel te onderstellen in alle Kerken, komen de sommen, die voor de Zending noodig zijn, niet door de Pinkstercollecte bijeen. Men gaat met lijsten rond of de Kinderzendingsvereenigingen zorgen voor een groot deel, enz. enz. Is dat in orde? Bezwaar valt daartegen o.i. niet te maken. De Zending is een deel van den Kerkedienst. Ook de Zending weet van te voren, wat ze noodig heeft. Elke Kerk kent 't bedrag, dat haar gevraagd wordt. Goed beleid eischt, dat niet van de wisselvallige opbrengst van een collecte afhangt of het geld bijeen komt. Men zorge van te voren, dat men heeft wat er noodig is. Daarmede bedoelen we niet de Pinkstercollecte overbodig te noemen of voor te stellen haar af te schaffen. Het Pinksterfeest spreekt ons „die eertijds heidenen waren" bijzonder toe. Op dat feest passen de offeranden der dankbaarheid, voor wat God aan ons heeft gedaan. We zouden wel eens een gedachte in overweging willen geven. Laat de gewone, te berekenen gelden voor de Zending bijeenkomen door vaste bijdragen en laat de Pinkstercollecte een extra dankoffer worden voor bijzondere doeleinden of voor uitbreiding van het werk. We weten wel, dat dit zoo maar niet kan. Maar zou die gedachte zélf zoo heel verwerpelijk zijn?".
Bizonderlijk onderstrepen wij, wat hier gezegd wordt over de vaste bijdragen voor de Kerk. waarop de kerkelijke administratie moet kunnen rekenen. „Wat we afzonderen voor den Kerkedienst is geen offer, geen geven van onzen overvloed, maar het voldoen aan onze verplichting, die op ons ligt". Zegt het voort!
Zijn Socialisme en Christendom vereenigbaar ?
„De-Standaard" gaf onlangs twee artikelen over dit onderwerp. Uit het slotartikel nemen wij hier een gedeelte over:
„Volgens mr. Troelstra zijn de machtige heilsfeiten van den dood en de opstanding van den Heere Jezus slechts een sage. De Christusmythe heeft zich gehuwd aan de oeroude natuurfilosofie. Wat hij hiermede bedoelt, verduidelijkt hij aldus: „Neen, de Mensch heeft gewerkt en geleefd en zijn onuitbluschbaar levensvuur aan de wereld geopenbaard en tal van harten gewijd tot altaren, waarop dat vuur thans brandt, en het medegedeeld aan tal van fakkels, die voortaan brandende zullen worden gedragen door de wereld, eene vurige propaganda voor het leven, voor het M è n s c h-z ij n. De apostelgeschiedenis der menschelijkheid is begonnen en zal haar doornenvolle loopbaan vol bloed en vol licht tot het einde toe volbrengen. Als symbool van de onvergankelijke, ondoodbare menschelijkheid verschijnt ons de Christus, opgestaan uit het graf en na zijn dood levende, wandelend onder de menschen, den twijfelaars Zijne wonden toonende en de onwetenden leerende en de profetieën der ouden vervullende". Trouwens de heer Van Kol had zich reeds vroeger in denzelfden geest uitgesproken: "Wij geloven aan de toenemende ontwikkeling der mensch- heid, wij gelooven aan den vooruitgang, al verwerpen wij de leer, dat een hooger Wezen alles regelt en beheerscht, wat elk streven, wat alle wetenschap overtollig zou maken". (Socialisme en Vrijheid, blz. 12).
Ook in 't buitenland liet men zich in 't vierde kwartaal der vorige eeuw in den zelfden geest uit. Bebel, een der krachtigste en invloedrijkste leiders der Duitsche Sociaal Democraten, verklaarde beslist: „dat Christendom en Socialisme tegenover elkander staan als vuur en water". Anseele, een bekende Belgische Sociaal Demoeraat, sprak eens in de Kamer van Volksvertegenwoordigers rondweg uit: „Wanneer men ons (Socialisten) vraagt, wat onze godsdienstige denkbeelden zijn, dan zullen wij met onzen Duitschen partijgenoot Liebknecht antwoorden: „Wij zijn God loochenaars". Malou, die eens een hoofd leider was der Fransche Socialisten en die het bekende boek „Het Kapitaal" van Marx in het Fransch vertaald heeft, ging met deze droeve belijdenis de eeuwigheid in: „Ik sterf in mijn pantheïstisch. evolutionistisch, socialistisch geloof". En zelfs werd op het Spaansche Socialistencongres (in September 1899 te Madrid gehouden) besloten, dat „alle partijgenooten, die nog een of anderen positieven godsdienst ondersteunen, uit de partij gestooten moeten worden". En de in het vorige artikel aangehaalde woorden van mr. Troelstra, dat „het Proletariërs-Kerstmis" is de geboorte van een nieuwe klasse en de hoop op een nieuw maatschappelijk beschavings tijdperk, doen u onwillekeurig denken aan een lied uit het „Gezangboek" der Duitsche Socialisten, hetwelk op Kerstdag moet gezongen en waarvan een der coupletten aldus luidt: „Hoop niet meer, naar oude zede, op de verschijning van een wonderster, die u naar de hut des Heilands voert. De sage beteekent iets anders. De schitterende ster, die u toewenkt, is het Socialisme. De Verlosser zijt gij zélf, en de hut, waarboven de ster van het Socialisme schittert, is uw eigen hut. Op, Proletariaat! Maak u tot de daad gereed!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's