Uit de Pers.
Is de godsdienst privaat-zaak?
Uit het artikel van „De Standaard", handelend over Socialisme en Christendom, willen we ook dit gedeelte uitknippen, dat de vraag onder de oogen ziet, of de godsdienst privaat-zaak kan en mag wezen. „De Standaard" zegt dan: „Men wil telkens de verzekering geven: het Christendom en het Socialisme staan volstrekt niet lijnrecht tegenover elkaar. In de programma's van de S.D.A.P. wordt óf van de religie gezwegen óf zij wordt een privaat-zaak genoemd, die ieder met zijn eigen geweten afmaken moet. Nu is het zeggen: volgens ons is de religie een privaat-zaak, reeds in strijd met den Bijbel. Immers wordt met deze uitdrukking allereerst dit bedoeld: Ieder moet weten, of hij aan godsdienst doen wil — en zoo ja, aan welken godsdienst hij dan wil doen. Is dit nu christelijk? Mag een nietig mensch zich zoo stellen tegenover den hoogen God? Laat God het aan ieder mensch over, of hij al dan niet godsdienstig wezen wil? Integendeel. God komt tot ieder mensch met den eisch, dat hij Hem zal liefhebben met geheel zijn hart, met geheel zijn ziel en met geheel zijn verstand. Evenmin leert de Bijbel ons, dat ieder zelf maar moet weten aan welken godsdienst hij doen wil. Veeleer verbiedt de Bijbel alle valsche en alle eigenwillige religie. En ons wordt op het hart gebonden dat de Naam van den Heere Jezus Christus de eenige Naam is, onder den hemel, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. Hand. 4 vers 12.
In de tweede plaats ligt in de bewering: de religie is een privaat-zaak, de gedachte opgesloten dat de religie alleen is een zaak van het hart en van de binnenkamer. Dat aan de religie geen invloed toekomt op het gebied van onderwijs en kunst, van Staat en Maatschappij. In één woord, dat de religie niet meer mag zijn dan eene onschuldige liefhebberij. Welnu, wie zoo over de religie denkt, eert haar niet, maar hij onteert haar. En deze voorstelling is ook door en door onwaar. Heel de geschiedenis der menschheid toont, dat eene religie haar stempel zet op het geheele openbare leven en dat zij in de onderscheidene levenssferen tot uiting komt. En wat meer bepaald het Christendom betreft, wie den Bijbel kent en zich aan het gezag van den Bijbel onderwerpt, weet, dat God niet alleen voor Zich opeischt het hart des menschen, maar ook heel het menschelijk leven in al zijne uitingen en dat Hij ons daarom ook Zijne inzettingen voor allerlei levenskringen schonk. Het Koninkrijk Gods is als een zuurdeeg, dat het geheele meel doorzuurt.
Dit klemt zóó sterk, dat lang niet alle Socialisten toestemmen, dat de religie een privaat-zaak is, die ieder maar met zijn eigen geweten uitmaken moet. Terecht schreef een kenner van het Socialisme eens: „Er zijn er genoeg, die dat al te nuchter en te kalm vinden. Ze vinden het eigenlijk een beetje gevaarlijk. Want als de godsdienst in de huiskamer zit, dan is men nooit zeker dat hij er niet op 'n goeden dag uit komt. En....... als hij er uit komt, dan doet hij misschien wie weet hoeveel kwaad. Dus moet hij er uit. Uit de partij en uit het leven en uit de huiskamer en uit het hart; overal uit, onverbiddelijk".
Men neme dan ook maar eens de proef op de som. Zij, die 't hardst roepen: wij laten den godsdienst er buiten, brengen den godsdienst het meest bij het Socialisme te pas. Onophoudelijk klinkt, 't uit hun mond: "Met Kerstmis zeggen de christenen dit en met Paschen hopen de christenen dit en wij dat; op Zondag gaan de christenen weer naar de kerken om over den hemel te hooren, maar wij wij werken voor de aarde". Voor zulke menschen is de godsdienst geen privaat-zaak. Hun spraak maakt hen als vijanden van het Evangelie openbaar. En nog een ander bewijs uit de praktijk. Als iemand lid wordt van een socialistische vak-of kiesvereeniging, dan is het na korten tijd met zijn christendom gedaan. Dan zegt de vrouw van haar man, de moeder van haar zoon: Hij is tegenwoordig heel anders dan vroeger; dat komt van de vereeniging. Er is allengs van Kerk, Christendom, Bijbel en gebed niets meer overgebleven".
Zending.
Dezer dagen hield het Ned. Zendelinggenootschap zijn jaarvergadering te Oegstgeest en te Rotterdam. Belangrijke verslagen van het zendingsgebied en mededeelingen over de financiën werden gedaan. Ingezegend werden de nieuwe zendelingen Hering en Van Kekem, alsmede voor het Sangi en Talaud-comité H. Muller.
Zeer interessant was wat ds. I. M. S. Baljori, zendeling van Modjowarno met verlof, over „Oude paden of nieuwe banen" met betrekking tot de zending op Oost-Java mededeelde.
Wij geven daarvan hier een kort verslag.
Reeds meer dan 75 jaar is er bemoeienis van zendelingen van het Genootschap met Oost-Java. Een verblijdend resultaat is, dat in 'n Mohammedaansch land nu Christengemeenten zijn, die samen bijna 15.000 leden tellen. De Javaansche kerk is in wording. Toch is 't doel der zending nog lang niet bereikt. Naar schatting leven op dit terrein 10 millioen Mohammedanen. Helaas kunnen wij, zendelingen, maar zelden contact zoeken met de Mohammedaansche Javanen, omdat de Christengemeenten zooveel aandacht vergen. Ook op andere zendingsterreinen is sprake van een nieuwen koers, omdat wat wij aanduiden met „ïnlandsche beweging", een verschijnsel is, dat ook elders bekend is. Zoo b.v. op Sumatra, waar de Rijnsche Zending werkt onder de Batakkers. Maar zeer bizonder in landen als China en Britsch-Indië zijn er nationale bewegingen die de Zending dwingen nieuwe banen te gaan.
In 1904 stierf Raden Adjeng Kartini. Sindsdien weten wij, dat de Javanen zich achtergezet gevoelden in de koloniale samenleving. Verblijdend is ook, dat bij de Christen-Javanen deze nationale ontwaking zich openbaart en dat wij bij die beweging religieuze motieven, geestelijke krachten in werking zien. Dat blijkt uit het karakter van een vereeniging als Mardi Pratjojo. Daarom ook was mogelijk de zelfstandigverklaring van de gemeente Modjowarno met Pinksteren 1923. Bij de Christen-Javanen leven nieuwe aspiraties en beluisteren wij ook critiek op onze methoden. Moeten wij de oude, beproefde paden verlaten? In ons werk moet continuïteit zijn. Wij, die voortwerken aan 't werk van mannen als Jellesma en Kruyt, moeten dat doen met piëteit. De vroegere generaties van zendelingen op Oost-Java wilden niet zelf te veel beslissen; maar het geweten der Javanen moet meespreken, b.v. in hun houding tegenover de Javaansche cultuur. Daarom werd de wajang niet verboden, al hebben we onze bezwaren tegen deze typische Javaansche tooneelkunst. In zulke kwesties kunnen wij dus de gedragslijn van vroeger doortrekken. De gewijzigde omstandigheden nopen ons in andere opzichten dikwijls tot radicale wijzigingen. Zoo verandert de verhouding tusschen zendeling en christen-Javaan. Tegenwoordig moeten wij op onze hoede zijn, dat wij niet den indruk wekken van rassenwaan. Dat komt uit in de omgangsvormen. Kruyt was de vaderlijke leidsman; wij zoeken te worden de vriend van den christen-Javaan, de medearbeider van den goeroe. Bij het kampeeren met Javanen verkeeren wij met elkander op voet van gelijkheid. Meer en meer moeten wij ons laten leiden door het Javaansche initiatief. Trouwens dan zijn wij in de lijn van zendelingen als Jellesma en Kruyt.
Dat Javaansche initiatief was aanleiding tot de stichting van Modjowarno en de meeste christendesa's. Daarom was het juist gezien, dat de Oost-Javazending haar kracht concentreerde op de desa. Dr. Zwemer was bij zijn bezoek aan Oost-Java enthousiast over de resultaten, bereikt in gemeenten als Modjowarno, maar critiseerde de verwaarloozing van een centrum als Soerabaja. Die critiek is niet geheel billijk. Wij moesten ons beperken.
Maar juist als wij letten op het Javaansch initiatief, moeten wij nu meer aandacht gaan geven aan de stadsbevolking. Ook omdat daar kringen ontstaan zijn van christen-Javanen, afkomstig uit de desa. Vooral in een stad als Soerabaja hebben ze hun eigen problemen en dus recht op, speciale verzorging. Het zou onverantwoordelijk zijn, als we zulke steden blijven vermijden. Te veel zijn de zendelingen geworden administrateurs van desa gemeenten. Steeds luidruchtiger wordt de propaganda der communisten op Java. Tal van invloeden werken in op het Javaansche volk. Daarom is het nu de tijd, dat ook wij moeten aanpakken.
Blijkt uit dit verslag de groote nauwgezetheid, waarmede onze zendelingen hun taak opvatten met het oog op de nieuwe verschijnselen onder de Indische bevolking, dan moge ieder christen zich daarom weer opgewekt gevoelen om hun arbeid te steunen.
( Ev. Zondagsblad)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's