Uit het kerkelijk leven.
Tienden.
Niet alleen in onze eigen gemeente — schrijft ds. Knap van Groningen in „Oude Paden" — doch schier overal valt de klacht, dat de kerkelijke lasten met een zekeren tegenzin worden opgebracht. Vooral nu de omslagen op zoo goed als alle plaatsen verhoogd zijn om het hoofd aan de stijgende uitgaven te kunnen bieden, vloeit het goud slechts traag naar de kas, waaruit nagenoeg alles bekostigd moet worden om den eere dienst in stand te houden. Opzeggingen van het lidmaatschap der Kerk zijn in de grootere steden geen uitzondering meer. Op enkele plaatsen verliet een geheele groep van vrijzinnigen de Nederlandsche Hervormde Kerk om tot de Waalsch Hervormden over te gaan, en ook elders werd dit denkbeeld geopperd men wenschte de zware lasten niet te betalen voor een Kerk, waarin men geen bevrediging van zijn godsdienstige behoeften vindt.
Maar ook zij, die blijven, tellen niet met vreugde hun penningen neer. Er zijn uitzonderingen. Doch de meerderheid vindt het toch zeer spijtig dat de kerkvoogdijen het lancet iets forscher dan vroeger hanteeren. De aderlating komt immers op een zeer ongeschikt oogenblik. Letterlijk alle belastingen van staat en gemeente zijn de hoogte ingegaan. Niet op de manier eener geleidelijke stijging, maar bij sprongen. Het kost vaak moeite op de gezette termijnen 't geld gereed te hebben. Men is wel verplicht soms de Aanmaning af te wachten. En nu doet de Kerk óók nog een greep naar de beurs, een veel dieper greep als waaraan men gewend was. Het zou van weinig psychologische kennis getuigen er de lidmaten al te hard om te vallen, dat zij de biljetten nu juist niet met uitbundige blijdschap ontvangen. Dit is menschelijk en volkomen begrijpelijk. Wie hier als boetprediker zou willen optreden om de nalatigen met daverende woorden te bestraffen, zou eenvoudig toonen het menschelijk hart niet te kennen.
't Spreekt vanzelf, dat onze menschen, door schrik bevangen zijn. Onze Kerk neemt in zeker opzicht een exceptioneele positie in. Zij is eenige eeuwen oud. Het thans levende geslacht behoefde geen kathedralen te stichten, maar vond ze gereed, het voorgeslacht had er behoorlijk voor gezorgd. Ook waren er, kapitalen, die een dragelijke rente opbrachten vóór de depreciatie van het geld door den oorlog. Niet te vergeten zijn verder de vele vrome stichtingen, die soms over aanzienlijke fondsen beschikken. Wanneer wij op al deze erfenissen zien, waarvoor wij persoonlijk geen vinger uitgestoken hebben om ze bijeen te brengen, kunnen wij veilig op ons zelf het woord toepassen: „Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfboomen, die gij niet geplant hebt".
Dit waren bijzondere voorrechten voor ons. Maar er was een schaduwkant aan. Wij behoefden immers geen zware offers te brengen, maar konden op de nalatenschap van het voorgeslacht teren. 't Kon niet uitblijven, dat wij het offeren op die wijze verleerden, 't Scheen ons een vanzelfheid, dat kerken onderhouden, tractementen betaald werden zonder dat het ons iets noemenswaards kostte. Sinds geslachten waren wij het opbrengen van lasten ontwend. En nu de nood der tijden, de verhooging van levensstandaard, de toenemende onderhoudskosten, de waardevermindering der kapitalen ons plotseling voor den plicht plaatsen om ook persoonlijk in een deel dier uitgaven te voorzien, zooals bij nieuwere kerkgemeenschappen van meetaf gebruikelijk was wie verwondert er zich over dat ook de beste lidmaten min of meer versteld staan en niet bij tooverslag met de oudere zienswijze kunnen breken? 't Zou onnatuur zijn, als men hier en daar niet hoorde murmureeren. Daarom bergen wij onze bliksemende woorden zorgvuldig op en willen wij alleen trachten een enkel overtuigend woord te schrijven.
Zulk een overtuigend woord is misschien het best te vinden naar aanleiding van het instituut der Tienden onder het oude volk des Heeren. Ook buiten het heilige erf was het in de Semietische en Indogermaansche landen niet ongebruikelijk om één tiende deel van den oogst, van 't handels-gewin en van den oorlogsbuit aan den dienst der goden te wijden.
't Meest bekend onder ons is echter het verhaal van Abram, die één tiende van den buit afstond aan Melchizedek en daarmede de meerderheid van deze geheimzinnige figuur in de historie erkende. Eveneens zijn wij vertrouwd met de gelofte, die de aartsvader Jakob na den droom te Bethel aflegde, en waarin Hij den Heere beloofde Hem voorzeker de tienden te zullen wijden van alles wat God hem zou schenken. Bij de beide patriarchen waren dit vrijwillige gaven, waartoe zij zich spontaan gedrongen voelden, en dit beginsel der vrijwillige liefde moet steeds schuilen achter het opbrengen van kerkelijke lasten.
Reeds spoedig werd het afstaan van Tienden algemeen als een zedelijke verpiicbiing gevoeld. Zelfs werd het zoogenaamde Tiendrecht in de Mozaïsche wetgeving vastgelegd.
't Was een soort belasting op de inkomsten, zij werd geheven van de opbrengst van den veestapel en den akker, en was deels voor het onderhoud der levieten, deels voor dat der priesters en dus voor godsdienstige doeleinden bestemd. Wij weten uit het Evangelie, dat de zonde van het Farizeïsme zich ook aan dit gebruik hechtte. De wet was velen lang niet streng genoeg, zij achtten zich verplicht niet alleen tienden te geven van veldvruchten en schaapskooi, maar deden het ook van munte, dille en komijn om de reputatie van nauwgezette geloovigen te krijgen.
Het is ons te dezer plaatse echter niet om de ontaarding van het instituut te doen. Wij willen er alleen op wijzen dat Israël zijn geestelijke voorrechten nu juist niet gratis genoot. Men begreep algemeen, dat de priesters en levieten, die bij de verdeeling van het heilige land geen grond in eigendom verkregen hadden, óók moesten leven. Men begreep ook, dat deze dienaars van den godsdienst onmisbaar waren voor de geestelijke en zedelijke gezondheid van hef volk. En zoo bracht men allen saam voor de instandhouding der religie op wat noodig was. Zeker, in de dagen van Nehemia waren er ook al klagers en weigerachtigen. Wij lezen in zijn boek, dat de priesters en levieten toen een iegelijk naar zijn akker gevloden waren, omdat zij toch ook niet van den wind konden leven. Maar Nehemia riep hen tot het geestelijke werk terug en zorgde er voor, dat Israël de Tienden wederom opbracht.
Mooi was bij het instituut der Tienden het beginsel van „belasting naar draagkracht", dat dus, heusch, geen vinding van den nieuweren tijd is. We vele akkers bezat bracht uiteraard veel meer op dan de kleinere landbouwer. En deze wijze maatregel werd nog beter door het feit, dat niemand voor een bepaalde, onveranderlijke som aangeslagen werd. Was de oogst bijzonder groot, dan waren ook de Tienden groot. Maar in jaren van wanoogst betaalde men evenzeer slechts één tiende van wat aan vruchten ingezameld was, — zóó ging de belasting op en neer met de inkomsten en kon nooit al te zwaar drukken. 't Was dus wel een goede regeling.
Natuurlijk alleen voor dien tijd. Wij kunnen de wijzers der klok niet achteruit zetten en zouden niet eens den eisch willen stellen, dat ieder man en iedere vrouw juist het tiende deel zijner inkomsten voor den dienst van 's Heeren Koninkrijk afstond. Het cijfer tien geeft hier niet den doorslag. Maar wel is er in het bedoelde instituut een blijvend beginsel, dat voor alle eeuwen, óók voor de onze geldt. Wij bedoelen er dit mede, dat wij voor den kerkedienst steeds eenevenredig deel onzer inkomsten behooren af te zonderen. Van al wat ons toevloeit in loon, salaris of emolument, moeten wij feitelijk steeds een vast deel terzijde leggen als een deel dat God den Heere toekomt. Of dit nu één tiende, een vijfde of een twintigste zal zijn, moet ieder in zijn eigen consciëntie voor Gods aangezicht uitmaken. Alleen drukken wij er op, dat wij niet naar luim of inval mogen geven, in een milde bui veel, in een schriele bui weinig. Zulke gewichtige dingen mogen wij niet van onze toevallige stemming laten afhangen. Wij hebben het mededragen van de lasten niet te beschouwen als een soort goedgeefschheid, waarvoor God ons dankbaar moet zijn, maar als eene zedelijke verplichting, waaraan wij ons niet mógen onttrekken, omdat zij ons van Godswege is opgelegd. En dan is het 't best om ééns vooral bij ons zelf vast te stellen een bepaald percentage van alle inkomsten af te zonderen. Doet ieder gemeentelid zoo, dan komt men aan het kerkelijk kantoor handen tekort om alles te innen. Wij moeten dus leeren niet slechts te offeren, maar systematisch te offeren. Wij zullen er wezenlijk geen schade bij beloopen, doch er een ruime geestelijke winst van wegdragen. Betalen maakt hier niet arm.
Moeilijk is het te ontkennen, dat ons eigen hart al ruimer en warmer wordt, naarmate wij milder in onze gaven zijn. De gierigaard met zijn gesloten hand is niet te benijden. Hij heeft een eng hart, een benepen gemoed, en verkeert bijna steeds in een sombere stemming. Komt hij van zijn zonde af, dan is het hem zelf of het licht nu pas in zijn leven opgaat. De pessimistische toon wijkt uit zijn leven, er komt glans en vroolijkheid in ..... of weten wij niet allen hoé ons hart van vrede overstelpt wordt, wanneer wij uit ware liefde den naaste stillekens een weldaad bewezen hebben? Ons hart groeit, ons geluk groeit, onze blijdschap groeit naarmate wij onze hand wijder voor den dienst des Heeren ontsluiten.
Dit alleen is reeds een zegen.
Er komt nog bij, dat wij onze Kerk veel meer op prijs gaan stellen wanneer wij mildelijk bijdragen in de kosten. Wat niets kost, wordt niet gewaardeerd. De Bijbelcolporteurs weten het wel. Vroeger deelden zij de H. Schrift nog wel eens gratis uit, maar zij zijn er van teruggekomen, zij laten haar thans geregeld betalen, en nu wordt zij ook werkelijk door de koopers gelezen. 't Is niet anders met de Kerk. De meeste liefde voor de Kerk wordt niet gevonden bij de menschen, die, zonder dat zij dit behoeven te doen, op den rustdag de vrije plaatsen bestormen. Gij vindt haar bij degenen, die er iets voor over hebben rustig op een vaste plaats te kunnen zitten. Zoo is het ook met de kerkelijke lasten. Wie er in deelt, begint eerst waarlijk voor zijn Kerk te voelen. Zij is hem niet vreemd meer. Een enkel steentje in de massieve muren is door hem zelf gemetseld. En zij wordt op die manier een eigen huis, waaraan hij van harte gehecht is.
Eindelijk is ook niet over 't hoofd te zien, dat de Heere een bijzonderen zegen aan het betalen van de Tienden verbonden heeft. God weet, dat de opbrengst van lasten en collecten de zuivere thermometer is van de liefde, die men voor Zijn Koninkrijk koestert. En het is die liefde, welke Hij zegent met de keur Zijner genadegaven. Een Kerk, die financieel moet tobben omdat de leden hun Tienden verzuimen te brengen, kan den zegen des Heeren niet van boven trekken, maar gaat onherroepelijk onder. Lees het slechts na bij Maleachi (3 vers 10), waar de Heere ook tot ónze gemeenteleden spreekt: „Brengt alle de Tienden in het schathuis, opdat: er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, of Ik u dan niet zal opendoen den vensteren des hemels en u zegen afgieten, zoodat er geen schuren genoeg wezen zullen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1925
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's