De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

Stomme dingen - Marx of Christus - De Rabbi's

21 minuten leestijd

„Stomme dingen"

Over dit onderwerp schrijft prof. dr. Th. Obbink in „Alg. Weekblad voor christendom en Cultuur":
„Een Gereformeerde Bondspredikant, lezer van ons blad, ergert zich er aan, dat het „gekanker" over de stomme e nog steeds niet ophoudt. Hij heeft niet-gereformeerde predikanten hooren preeken over „het, kindeke, liggende in de kribbe, en advertenties gelezen van het overlijden van een „eenvoudige dominé's vrouw" die aangeduid was als vrouwe, en vindt blijkbaar dat dominé's, die zóó graag stomme e's gebruiken, hun mond moesten houden over de stomme e der Gereformeerde Bondsmannen.
Naar aanleiding van die opmerking heb ik iets op het hart. Ik weet, dat er onder de jongere Gereformeerde Bondsmannen zijn, die niet alleen dat „gekanker" over de stomme e „flauwiteiten" vinden (de uitdrukking is van den briefschrijver), maar die over het staag gebruik dier stomme e hetzelfde oordeel vellen. Maar in hun kring is het nu eenmaal gebruikelijk en het is niet zóó makkelijk zich daarvan los te maken. Die stomme e is nu eenmaal erfelijk belast met het vooroordeel een kenmerk van getrouwigheid te zijn.
Maar: geldt dat alléén van de stomme e? En: is het hebben van zulke kenmerken het uitsluitend voorrecht der Gereformeerde Bondsmannen? Het lijkt er niet naar! De Confessioneelen hebben een erfelijk belast gezangversje als tusschenzang; de Ethischen hebben zelfs twee erfelijk belaste verzen; ik ken verschillende Ethische predikanten, die zelfs op Kerstmorgen aan het twee-gezangen-stelsel hardnekkig vasthouden, en die met dezelfde onverbiddelijkheid: Heer, Heer, zeggen als de Gereformeerde: Heere, Heere! Die in staat zouden zijn God te bidden, dat toch nooit het zalige Heere van hun Ethische lippen moge vloeien.
Waarom mag 'n Gereformeerd Bonds predikant zich niet binden aan enkel psalmen en een confessioneel dito aan één gezang, zooals de meeste ethischen zich binden aan twéé? Waarom mag een gereformeerde dominé niet even hardnekkig Heere zeggen als zijn ethiche collega: Heer? Waarom is de gereformeerde die zoo doet, een .„formalist" en de ethische niet ?
Als ik zeg, dat ze beide formalisten zijn. dan bedoel ik dat niet als hatelijkheid. Dan bedoel ik daarmee een feit te constateeren, dat in zijn oorsprong psychologisch te verklaren is. Ik kan er best inkomen dat men meent dat „Heere" waardiger klinkt dan Heer, — voor mij is 't enkel een kwestie van welluidendheid, men zie naar mijne Bijbelvertaling — en dat men uit ontzag voor Gods majesteit Heere zegt. Zoo is het trouwens ook begonnen. Maar, en dat geldt van alle kerkelijke groepen van de modernen af tot de Gereformeerde Bondsmannen toe — wat eerst een uiting van levende overtuiging was, is later geworden tot een kenmerk, een keursteen, een scheidingslijn. En wie nu tot een bepaalde groep wil behooren, neemt het kenmerk dier groep als zijn sjibbolet, waarnaar straks anderen hem weer beoordeelen. En zoo hebben we successievelijk gekregen een heele rij „stomme dingen", waarlijk niet alleen stomme e's, als kerkelijke partij-criteria. En daar zitten we nu mee. Niet één partij, maar. allemaal. En het getuigt wel van verbazend weinig zelfbezinning en naïveteit, als leden van één groep elkaar trachten te vermaken met de „komiekigheden" van de ander.
Er is een oud versje, waarvan ik het begin hier afschrijf:
Iedereen draagt zijn gebrek
in een mandje op den nek,
daarom kan hij 't zelf niet zien
maar hij toont het andere liên;
en de man die achtergaat
ziet altijd des voorsten kwaad
Dat geldt ook van de kerkelijke groepeeringen. We kijken te veel en te vaak naar dat dwaze vrachtje op den rug der andere groepen. Als wij ons omkeeren zien zij iets dergelijks op onzen rug. En bij de overweging dat het ons, verstandige en inzichtige menschen — want wie houdt er zichzelf niet voor verstandig; — al zoo'n moeite kost onze hebbelijkheden af te leggen en onze dwaasheden te overwinnen, wat een moeite moet het dan die anderen, met hun omneveld inzicht wel hebben om hun belachelijkheden los te laten? En wanneer wij er blijkbaar niet aan kunnen ontkomen ons geestelijk leven te omhangen met allerlei franje, die we op een koopje hebbe aangeschaft, hoe kunnen we dan verlangen dat onze medemenschen zónder franje zullen verschijnen?
We hebben allemaal last van stomme dingen, de een van stomme e's, de ander van stomme opmerkingen, ik weet niet wat het „stomste" is. Maar ik weet wèl, dat we wat beters hebben te doen. 't Kerkelijk leven kwijnt. Talloozen wenden zich af. Zonder zelfs onze geestelijke kracht te hebben gezien, ze zagen slechts „stomme dingen".En die lokten niet. Natuurlijk niet. En onze ijver voor kerk en koninkrijk Gods wordt met onvruchtbaarheid geslagen niet alléén door de stomme e, maar door al die „stomme dingen", die we zoo hardgrondig verfoeien en waaraan we zoo hardnekkig vasthouden. Wij die meenen dat het Evangelie ook in onze dagen van zedelijke verwildering en verwording nog wat te zeggen heeft en nog redding brengen kan, wij, Gereformeerden, Confessioneelen, Ethischen, Evangelischen, Modernen, wij moeten niet alleen tot die stomme e's, maar tot al onze „christelijke" hebbelijkheden, die als waardelooze en schadelijke franje rondom het Evangelie hangen, leeren zeggen „stomme dingen".
In de artikelen over Christendom en Socialisme behandelde „de Standaard" ook deze vraag: „Maar is het dan niet zoo, dat tegenwoordig vele Socialisten, (ook mr. Troelstra) hun eerbied voor de religie betuigen?" Waarop „de Standaard" dan antwoordt:
„Wij ontkennen dit niet. Maar wij leggen er tegelijkertijd sterk den nadruk op dat hier met de religie niet de Christelijke religie is bedoeld. Religie is bij hen niets anders dan eene nevelachtige vage gemoedsstemming. Een godsdienst zonder God. Terecht schreef dezelfde deskundige, dien wij daareven citeerden, dit: „Een God als Schepper, als Heer, als Persoon aanbidden zij niet; zij zoeken God als de allesbezielende kracht, als den diepsten grond onder alles Want een Koning, een Heer in den Hemel, voelen zij als een scheiding, als hoog tegenover laag, als — laat ik maar zeggen, want zij zeggen het zelf — als onsociaal en ondemocratisch".
Duidelijk komt dit uit in de brochure van ds. W. Banning „Socialisties Levensgevoel". Als hij aan het religieuze toekomt, dan bezigt hij vage volzinnen als deze: „Wij vragen niet naar feiten, maar trachten iets te peilen van den Grond. Kunnen wij, socialisten, het dan niet zoo zien: dat in de felle botsing van een ondergaande en nieuw wordende wereld de diepere verborgen krachten van het leven werken, dat de Wereldgeest zich doorzet en ongebroken, ongehinderd voortschrijden zal en wil tot de verwerkelijking van het innerlijke Werelddoel? „Omdat ook door ondergangen heen de eeuwige Wereldgeest voortschrijdt naar zijn verborgen Doel".... „Wanneer door onze begrensde ikheid, door onze bekrompen en armzalig menschelijke individualiteit heen de kracht uit de diepte zich baanbreekt en het licht van een Waarheid in ons branden gaat, dan is dat niet een toevalligheid, waarover wij ons al of niet druk behoeven te maken, maar dan is dat het eeuwige en goddelijke, dat ons opeischt in algehele gehoorzaamheid; dan vindt ons leven grond en roeping, door het verband met het Alleven van den Geest.
't Is met deze onbestemde en pantheistisch getinte woorden, dat de Socialisten zich over de religie uitspreken. Maar zulk eene vage, ietwat mystiek ook bij de heidenen en Mohammedanen voorkomende gemoedsstemming, is principieel onderscheiden van het Christendom, gelijk het onder den invloed van den Bijbel ontstaan is. Allerwegen worde dit onder de aandacht gebracht van kiezers, die om bekoring van de leus: De religie is bj de Socialisten privaat-zaak! gevaar loopen „rood" te stemmen. Kort en krachtig teekende de sociaal democraat Jos Loopuit in „De Kroniek" van 20 Dec. 1902 de verhouding tusschen het Christendom en de Sociaaldemocratie met deze uitspraak — en hoe diep zijn zij te beklagen, die in zulk een overtuiging leven! — „In onzen tijd is er maar één kriterium voor hen die zich in de rijen van de sociaaldemocratische beweging stellen. En dat is: Hoe staat gij tegenover den klassenstrijd? en niet: Voelt gij, o! zooveel voor het Socialisme? Christendom en klassenstrijd zijn twee begrippen, die elkander in onze dagen volkomen uitsluiten". Bij de enorme, goed-georganiseerde propaganda vanuit Moskou over heel de wereld gevoerd, is het goed om in 't oog te houden, dat het een wereld-propaganda is voor de anti-christelijke beginselen. In een Engelsch tijdschrift vestigt een zekere dr. Nairn hierop de aandacht — we ontleenen dit aan „De Standaard" van Zaterdag 18 Juli j.l. — in een artikel:
Marx of Christus.
„De Standaard" zegt er dit van: „De schrijver vestigde vooral de aandacht op het feit, dat Sovjet-Rusland den oorlog heeft verklaard aan 't Christendom en de Christenheid. Geheel volgens het voorschrift van Marx, die godsdienst beschouwde als opium voor het volk. De godsdienst is voor de bourgeoisie een middel om de ongelijkheid te handhaven en de slaafsche gehoorzaamheid van het proletariaat te behouden, om het te exploiteeren ten eigen behoefte. Naar de wijsbegeerte van Marx wordt de menschheid gesplitst in twee klassen: de bourgeoisie en het proletariaat. De eene heerscht, de andere wordt verdrukt. De godsdienst nu dient om het proletariaat ten onder te houden. Hij is een steun voor het behoud van deze maatschappij, die een maatschappij der bourgeoisie is. En daarom moet, zal die maatschappij vallen, deze steun, dit fundament worden weggenomen. Waarna de nieuwe wereld, waarin het proletariaat de leiding en de heerschappij heeft, kan worden opgebouwd. Het is een zeer eenvoudig systeem, geschikt, voor het eenvoudigste verstand, vooral geschikt voor het natuurlijke hart des menschen. De communist vindt het Christen-socialisme dan ook een contradictio in terminis.
Het eene deel dezer samenvoeging is in volkomen strijd met het andere. Hij gaat welbewust tegen den Christelijken godsdienst in, loochent al zijn waarheden, verbiedt, waar hij de kans daartoe ziet, zijn prediking en tracht het Christelijk geloof met wortel en tak uit te roeien.
In dit opzicht is hij veel consequenter en eerlijker dan de sociaal democraat, die verklaart dat de godsdienst er eigenlijk niet toe doet, wie of wat iemand is, hem voor onverschillig houdt op politiek terrein, maar in woede opvliegt als anderen daar anders over denken. Het verzet van de sociaaldemocratie tegen de Christelijke politiek is in wezen hetzelfde als de strijd van den communist tegen den godsdienst. De laatste is de zuivere consequentie van het eerste.
Dr. Nairn gaf in zijn artikel treffende opmerkingen over de beteekenis van het Christelijk geloof voor staat en maatschappij. De verkeerde toestanden daarin zijn geen gevolg van zijn beginselen, veeleer van de afwijking en werkelijke verloochening daarvan. Deze beginselen vormen echter nog 't fundament en tegen dat fundament richt zich nu de communistische actie, een actie, die inzonderheid de jeugd tracht te winnen. In een communistisch geschrift las hij: jongens en meisjes zijn net zoo bevreesd voor de revolutie als oudere menschen. Het is tienmaal gemakkelijker een jongen van vijftien jaar tot het communisme over te halen, dan een man van vijftig. En dan geeft hij iets weer uit een communistischen catechismus op de z.g.n. communistische zondagsscholen in gebruik. Het catechetisch onderwijs van het communisme is van dezen aard: De vraag luidt: kwam Jezus van den hemel? Het antwoord is: Neen. En dan: Was zijn moeder een maagd? Neen. Is de geschiedenis omtrent Hem waar? Neen. Of is zij een legende? Ja. Wie was zijn vader? Josef, in den geheel natuurlijken weg. Dus is de geschiedenis daaromtrent een legende? Daar is geen twijfel aan, enz. Wie nu iets van de beteekenis van het onderwijs afweet en het kinderhart kent, die begrijpt — aldus dr. Nairn — welke verschrikkelijke gevolgen zulke opleiding moet hebben. En daarom waarschuwt hij, om den invloed van deze ondermijning niet te onderschatten en daartegenover de getrouwe prediking en onderwijzing in de Christelijke waarheid te plaatsen. De communist is thans het gevaar".
Hierop laat „De Standaard" dan volgen, dat de moderne theologie de wegbereidster is geweest voor de ongeloofs theorieën van 't communisme en socialisme; 't welk ook beweerd wordt door een anderen Engelschen schrijver, Worsley, die op 't artikel van dr. Nairn onmiddellijk een stuk van zijn hand liet volgen, dat „De Standaard" aldus weer geeft en bespreekt:
„Hoe kunt gij toch meenen, dus zegt Worsley, dat die vragen van den communistischen catechismus zoo gevaarlijk zijn? Indien dit zoo is, dan was het gevaar er reeds lang. Leg de vragen voor aan onze moderne theologen en aan vele leeraars in de kerk. Wat zullen zij antwoorden? Het valt niet te ontkennen, dat het Christelijk Europa geen recht heeft om thans den communist te verwijten dat hij zoo bruut en zoo brutaal met zijn ongeloof, voor den dag komt. Reeds jaren aaneen zijn honderden geleerden bezig om hun critiek te richten tegen de grond waarheden van het Christendom, en op de vragen, in den vorm minder ruw gesteld, maar in wezen van den zelfden inhoud, een weifelend of zelfs een beslist n e e n te antwoorden. De schrijver haalt verschillende voorbeelden aan. Trouwens, wie weet zulks niet". De heer Worsley meent zich echter te kunnen redden langs een heel wonderlijken weg. „De vragen —zoo zegt hij — doelen op feiten. Welnu — deze feiten hebben wij reeds lang ontkend en zoo staat de communist dus in de lucht. Maar wij hebben de waarheden van het Christelijk geloof wel behouden.
Kwam Jezus van den hemel? Och — waar is de hemel? Die is bij ons en rond om ons, als wij dat willen. Was Zijn moeder de maagd Maria? Och — wat doet het er eigenlijk toe, wat ons omtrent het feit van Zijn geboorte wordt gemeld? Wij handhaven de vleeschwording des Woords. Het komt op de hoofdzaak aan".
„Zoo wordt dus aan den communist het antwoord gegeven: gij valt op het fundament aan:  „daar is geschied". Wel, wat praat gij toch? Wij gelooven het al lang niet meer. Onze critiek heeft het ontkend. Alleen — de hoofdzaak, de kern van het Christendom wordt door ons modernisme nog vastgehouden". Wij zien den grimmigen lach van den volgeling van Marx. Hij zegt: uitnemend. Ik heb ook in mijn land zulk een moderne kerk, die precies doet, wat ik zeg. Ga uw gang, gij werkt voor mij. Gij zijt mijn bondgenoot. Want als het fundament u geen belangstelling meer inboezemt, meent gij dan het vermolmde gebouw, daarop nog staande, te kunnen beschermen? Op goeden grond te kunnen verdedigen? Hier wordt de toestand der christelijke beschaving duidelijk geteekend. Er werd nimmer krachtiger aanval daarop ondernomen. Langen tijd heeft men de waarde van het fundament ontkend. Men heeft de feiten van het Christelijk geloof geloochend en gemeend 't Christendom te kunnen behouden.
Dit is een dwaasheid. Maar thans ziet men, dat met die fundamenten ook het huis valt. Is het nu geen dwaasheid zich te redden met de verklaring: staak toch dien aanval, want ik geloof zelf niet meer in dat fundament?
Het huis zonder fundament is een gewisse prooi der revolutie, van het ongeloof, dat alleen vernietigen, niet bouwen kan. Er kan geen maatschappelijk en staatkundig gebouw worden opgetrokken op de loutere loochening der waarheid, op de ontkenning, op het neen der revolutie. De communistische aanval, hoe schrikkelijk hij ook is, heeft dit voordeel, dat hij de werkelijkheid weer doet zien die het modernisme en ook de sociaaldemocratie in den nevel van schoonschijnende redeneeringen wilde doen schuil gaan Het gaat om het fundament. Om de volle waarheid van het Christelijk geloof. Om het: „er staat geschreven" en „er is geschied". En eerst als dat fundament weer door de volkeren wordt geëerbiedigd, eerst dan zal er kracht ter verdediging, tot behoud en tot herstel zijn.

De Rabbi's.
Het was in de laatste dagen van Jeruzalem en er was honger in de stad. Titus lag er omheen met een leger, en hij maakte plannen yoor de laatste bestorming, — zijn vader Vespasianus was reeds vertrokken, maar hij was het met Titus eens, dat de stad zoo spoedig mogelijk veroverd moest zijn.
In de stad was het overblijfsel van het Joodsche volk — en 't streed met woede en wanhoop om de heilige stad en den tempel te houden uit de handen van de Heidenen. In de stad waren ook de Rabbi's, die steeds het volk de wet geleerd hadden. De verstandigen hadden de lessen opgegeven en ze streden mee.
Maar niet alle Rabbi's zijn verstandig! Rabbi Aleph had in deze dagen een eigen strijd te voeren met Rabbi Gimel. Ze waren het er over eens, dat de Romeinen van schrik het beleg op zouden breken als de Joden zich in alles hielden aan de door hen opgestelde wetsformules. Maar als de eenheid over de groote zaken is geworden, dan zijn er nog zoovele kleinere dingen, die strijd kunnen veroorzaken. Waarover nu hadden ze verschil van meening? Konden ze het er niet over eens worden of de Sadduceesche priesters in den Tempel mochten worden gehandhaafd? Maar neen, daar waren ze 't reeds lang over eens. De Sadduceërs, die zelfs niet in de opstanding geloofden, moesten hoe eer hoe beter den Tempel uit. In hunne groote eensgezindheid vergaten ze evenwel de hand aan den ploeg te slaan. En bovendien meende Rabbi Gimel, dat hij hier niet toe geroepen was — kwam hij niet uit een Synagoge, ergens boven in Galilea? Terwijl de beide Ratbbi's hun eigen strijd streden, nam Titus Bezetha in, want het was in de laatste dagen van Jeruzalem.
De honger werd steeds grooter. Bovendien was het zeer rumoerig in de verkleinde stadsoppervlakte. De strijdende Rabbi's raakten bij elkaar vandaan. Maar straks vonden ze elkaar weer, in den tempel, in den voorhof der heidenen. Even vriendschappelijk als Joab in zijn dagen, grepen ze elkander bij den baard en ze zetten zich vreedzaam in een hoekje terneder. De discussie van vele dagen werd voortgezet.
Rabbi Aleph was iemand van groote belezenheid. Kwam zijn tegenvoeter met een opmerking, dan ging hij eerst na wat Schammai er over gezegd had — en straks hoe Gamaliel er over dacht, om dan eindelijk te vertellen hoe Hillel en hijzelf het juiste standpunt, innamen.
Rabbi Gimel daarentegen was een tikje minder ontwikkeld, maar was wat meer origineel. Was de eerste een man van intellect, — de andere kon in het bijzonder spelen op 't instrument des gevoels. Zij, die in het voorbijgaan iets van de discussie opvingen, verklaarden, dat ze elkander in fanatisme niets toegaven.
En onderwijl kwamen de Romeinen ook in de Voorstad en ze plunderden de statige huizen, ook van de Rabbi's. Ze vermoordden de grijzen en de vrouwen en kinderen, ook die, welke God ter verzorging aan de Rabbi's toegewezen had. Het was de laatste dag van Jeruzalem en velen voelden de honger niet meer. Ook de beide Rabbi's voelden den honger niet. Ze streden hun woordenstrijd nog steeds even heftig door — want het geschil was van groot gewicht. Wat was dan toch het geschil?
Och, — als rechtgeaarde Israëlieten hoopten ze dat de tijd zou komen dat het koninkrijk van David weer werd opgericht. Al de stammen Israels, de tien en de twee, zouden dan weer komen te Jeruzalem om het Paaschfeest te houden. Als dat rijk nog eens mocht komen, dan zou, — het stond voor hen beiden vast — niet het profetische woord van de Schriftgeleerden de onwilligen naar Jeruzalem moeten brengen, als ze soms verkozen Dan en Beth-El weer op te richten. Er waren óók Rabbi's die meenden aan de profetische roeping de voorkeur te moeten geven, — maar dat waren leeraars van een lichter soort. Neen, maar de Koning, die op Davids stoel zou zitten, had den plicht om de afvalligen weer terug te brengen tot de ware kennis der wet. Niet het profetische woord maar het koninklijke zwaard zou den dwalende terecht brengen of anders uit zijn volken, uitroeien!  Maar in dien dag, meende Rabbi Aleph, dat alle synagogen buiten Jeruzalem moesten gesloten worden, ook die van Rabbi Gimel, hoog in Galilea.
Maar in dien dag, meende Rabbi Gimel, zou van zijn synagoge de wet uitgaan, waarnaar het koningshuis van David zich zou hebben te schikken. Onderwijl was de strijd van de stad naar den Tempel verplaatst, en de laatste Israëlieten betwistten amechtig den toegang aan de steeds opdringende Romeinsche soldaten.
Maar de Rabbi's hoorden het niet, — was het eindelijk niet eens tijd om deze gewichtige kwestie uit te maken? En had het niet zijn nut, dat de strijdende Israëlieten, ja, ook de Romeinen kennis namen van het gewichtige punt in geschil?  Straks wierp een soldaat zijn brandende fakkel in den Tempel, — en toen men later de overblijfselen van den voorhof der Heidenen wegruimde, vond men ook de beide Rabbi's gesmookt en verminkt tusschen steenen én puin! De laatste dag van Jeruzalem, van den Tempel en van de strijdende Rabbi's was toen reeds lang voorbij, — maar de strijd was niet opgelost! De strijd is nog niet opgelost! Latere Rabbi's hebben er nog meermalen hun licht over laten schijnen.
Dat deed onder anderen Petrus Dathenus, van 1571 —1584 predikant te Gent, — de bekende berijmer van onze psalmen. Met Modet eischte hij van Prins Wil­lem dat deze de godsdienstvrijheid aan de Roomschen te Gent zou verbieden.
Ze eischten dat, toen ons land nog voor een groot gedeelte onder het Spaansch-Roomsche juk lag. Toen de Prins evenwel de vrijheid van religie afkondigde en den Gentenaren den raad gaf zich hierin te schikken, kwamen ze er tegen in verzet. Dat ze ten dezen zuiver Roomsche praktijken op Gereformeerd erf trachtten te brengen, zagen ze niet in. De groote geestelijke vruchten der Reformatie, gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid, achtten ze uit den Booze. En ze zetten hun strijd voort, zelfs toen Parma voor de stad lag en deze allengs geheel had ingesloten. Straks was de vrijheid van godsdienst verboden in Gent, niet door den Prins, maar door Parma. Het gezag van den Spaanschen Koning en van de Roomsche Kerk was er weer geheel hersteld.
Datheen, die zich heimelijk uit de stad wist te maken, heeft het vanuit de verte moeten aanzien dat de gereformeerde godsdienst in geheele landstreken werd „geweerd en uitgeroeid". En wij — die eeuwen, later leven, weten dat de onbedoelde vrucht van het werk van Dathenus is geweest, dat geslacht na geslacht is geboren en gestorven, zonder het zuivere evangelie der genade te leeren kennen. Als onze evangelisatie nochtans zijn werk heeft in de Belgische provincies, is het om onder Gods zegen het verbroddelde werk van die dagen weer recht te breien. De strijd is ook in die dagen niet opgelost.
Ook thans gaat de strijd nog door. De predikanten Lingbeek en Zandt en Kersten maken zich gereed om de discussie voort te zetten in den voorhof der Heidenen. Ze zitten op den stoel van Dathenus en van Modet en van de gefantaseerde oude rabbi's en de zetels zijn waardig bezet. Onder hen is ds. Lingbeek, de man van groote belezenheid, die voor dr. Kuyper weet te waarschuwen. — dr. Bavinck's fouten kent en dr. Hoedemaker weet aan te prijzen. Verder is daar ds. Kersten, die ernstige en liefelijke tonen weet aan te slaan voor het gemoed, — en hoewel volgeling van Dathenus op het heillooze pad, — zich liefst beschouwt als bezield door Willem van Oranje, den Vader des Vaderlands; de man wien door Dathenus werd verweten dat hij „de religie zoo licht veranderde als een omhangsel van een kleed''.
Ds. Zandt wil van geen overeenstemming met Rome weten. Met vele collega's vond hij elk meedoen aan de politiek tot voor kort uit den booze. En nu zijn ze strijders, — maar alleen met het woord, dat ze ook op het Binnenhof tot de Heidenen zullen doen uitgaan. Streden ze maar metterdaad tegen de Sadduceërs in eigen kring!
De strijd zal nu worden uitgevochten met art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis in de hand. Reeds is uitgemaakt, dat die richting onder de zonen der Hervorming, die zich bij voorkeur Gereformeerd noemt, zich grootelijks vergreep aan zijn belijdenis, toen ze er het befaamde stuk over het weren en uitroeien van de afgoderij en valschen godsdienst uit heeft gelicht. Maar of ds. Kersten, of ds. Zandt, of ds. Lingbeek zal moeten uitmaken welke godsdienst de ware is, — dat is een tweede vraagstuk, dat de heeren nog niet hebben opgelost. Onderwijl is de vijand reeds in het land — heeft ongeveer de helft reeds bezet. Onderwijl komt rood steeds meer aanzwellen. Straks wordt de eigen tempel aangevallen, — en de heeren debatteeren steeds meer verwoed over wat moet gebeuren, als de meerderheid van ons volk Gereformeerd is, van de richting Lingbeek, of Zandt, of Kersten! Zullen de rabbi's dan wakker worden als de tempel in brand staat?
(Kerkblad v. ’s Gr.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's